Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:703

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
201508183/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2015 heeft het college aan de Centrale Vastgoedorganisatie Den Haag omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en het brandveilig in gebruik nemen van een kinderdagverblijf met buitenschoolse opvang, alsmede voor het kappen van drie bomen op het perceel Houtrustweg 2 te Den Haag (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1356
JOM 2017/1345
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508183/1/A1.

Datum uitspraak: 15 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Villa Bloom B.V., gevestigd te Den Haag,

appellante,

tegen de uitspraak van voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 23 september 2015 in zaken nrs. 15/5782 en 15/5788 in het geding tussen:

Villa Bloom

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2015 heeft het college aan de Centrale Vastgoedorganisatie Den Haag omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en het brandveilig in gebruik nemen van een kinderdagverblijf met buitenschoolse opvang, alsmede voor het kappen van drie bomen op het perceel Houtrustweg 2 te Den Haag (hierna: het perceel).

Bij besluit van 7 september 2015 heeft het college het besluit van 25 juni 2015 gewijzigd voor wat betreft het voorschrift tot het beschikken over voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. Het college heeft voorts de grondslag van het besluit van 25 juni 2015 gewijzigd.

Bij uitspraak van 23 september 2015 heeft de rechtbank het door Villa Bloom daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het door Villa Bloom tegen het besluit van 25 juni 2015 ingestelde beroep heeft de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Villa Bloom hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Bij besluit van 19 februari 2016 heeft het college het besluit van 7 september 2015 gewijzigd wat betreft het voorschrift tot het beschikken over voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein.

Villa Bloom heeft daartegen gronden ingediend.

Bij besluit van 22 juni 2016 heeft het college het besluit van 19 februari 2016 gewijzigd voor wat betreft het voorschrift tot het beschikken over voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein.

Villa Bloom heeft daartegen gronden ingediend.

Villa Bloom en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 oktober 2016, waar Villa Bloom, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. D.Kist, advocaat te Amsterdam, en ir. T. de Bruin en het college, vertegenwoordigd door mr. S.J.C. Hocks en W.M.P. Sanders, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Vastgoedorganisatie, vertegenwoordigd door ir. J.M. Bon en bijgestaan door mr. N.B. de Neef, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een kinderdagverblijf ten behoeve van kinderdagopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar en buitenschoolse opvang van kinderen op het perceel. Het bouwplan voorziet voorts in de aanleg van zestien parkeerplaatsen. Op het perceel is thans alleen de Europese School Den Haag (ESH) gevestigd van de Stichting Het Rijnlands Lyceum. Het nieuw op te richten kinderdagverblijf zal door Zein Child Care (ZCC), die sinds de opening in 2012 van de ESH de buitenschoolse opvang in het schoolgebouw verzorgt, worden geëxploiteerd. Villa Boom exploiteert op minder dan 50 m afstand van het perceel een kinderdagverblijf voor twintig kinderen aan de Beeklaan 535a.

Bij besluit van 25 juni 2015 heeft het college omgevingsvergunning verleend voor het kappen van drie bomen, voor het brandveilig in gebruik nemen van het kinderdagverblijf en voor het realiseren van de ruimte voor het kinderdagverblijf. Ten aanzien van de omgevingsvergunning voor het realiseren van de ruimte voor het kinderdagverblijf heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening omdat niet op eigen terrein kan worden voorzien in de parkeerbehoefte. Nu op het naastgelegen perceel van de ESH zestien extra parkeerplaatsen worden aangelegd heeft het college niettemin omgevingsvergunning verleend.

Bij besluit van 7 september 2015 heeft het college het besluit van 25 juni 2015 gewijzigd. Volgens het college is in het laatstgenoemde besluit ten onrechte verwezen naar artikel 2.5.30 van de bouwverordening nu het parkeren is geregeld in het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bomenbuurt 2012" (hierna: het bestemmingsplan). Volgens het college voldoet het bouwplan niet hieraan omdat er geen parkeerplaatsen worden gerealiseerd op het eigen terrein terwijl dat ingevolge artikel 25, onder b, van de planregels wel is vereist. Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) gelezen in verbinding met artikel 27.2, aanhef en onder d, van de planregels omgevingsvergunning verleend. Het heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat in dit geval in afwijking van de parkeernormen uit het bestemmingsplan de parkeereis voor het bouwplan 11 parkeerplaatsen is. Deze parkeereis is het aantal parkeerplaatsen dat daadwerkelijk gerealiseerd moet worden op grond van het door het college gehanteerde beleid.

Het college heeft zich in het besluit van 19 februari 2016 op het standpunt gesteld dat in het besluit van 7 september 2015 ten onrechte van een parkeereis van 11 parkeerplaatsen is gesteld waar het 13 parkeerplaatsen moet zijn. Dit komt volgens het college omdat in het besluit van 7 september 2015 is uitgegaan van een verkeerde bruto vloeroppervlakte (hierna: bvo) voor de nieuwbouw.

Het college heeft zich in het besluit van 22 juni 2016 op het standpunt gesteld dat de parkeereis anders dan in het besluit van 19 februari 2016 is gesteld, 14 parkeerplaatsen moet zijn. In het besluit van 19 februari 2016 is er ten onrechte van uitgegaan dat 20 kinderen zouden worden opgevangen in het kinderdagverblijf en 60 kinderen in de buitenschoolse opvang. Gelet op de nadere toelichting van de exploitant van het toekomstige kinderdagverblijf is het aantal respectievelijk 30 en 75.

Tussen partijen is thans is geschil of het college, gelet op het aantal parkeerplaatsen, in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Volgens Villa Bloom is dat niet het geval omdat onvoldoende parkeerplaatsen worden aangelegd om te kunnen voldoen in de parkeerbehoefte van het bouwplan waardoor de verkeerssituatie ter plaatse zal verslechteren. Zij stelt dat er meer parkeerplaatsen nodig zijn dan door het college is berekend. De berekening van het college is volgens haar onjuist.

Hoger beroep

2. Villa Bloom betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Daartoe voert zij aan dat de rechtbank door aldus te overwegen niet heeft onderkend dat het college de parkeereis onjuist heeft vastgesteld. Het college is bij de berekening van de parkeereis volgens Villa Bloom uitgegaan van een onjuiste bvo. De bvo is 1110 m² in plaats van 920 m².

2.1. Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wabo luidt: " Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1° met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

(…)"

Artikel 25, onder b, van de bij het bestemmingsplan behorende planregels luidt: "Indien de ligging, de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet volgens de parkeernormen en kaart zoals opgenomen in de bijlage(n) van de regels ten behoeve van het parkeren of stallen van personenauto’s, fietsen en bromfietsen alsook voor het laden of lossen van goederen, ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort."

Artikel 27.2, aanhef en onder d, luidt: "Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bepalingen van het plan ten behoeve van parkeernormen die gehanteerd worden voor het parkeren of stallen van auto’s, fietsen, bromfietsen en voor het laden en lossen van goederen indien:

1. op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien;

2. nadere besluitvorming ten aanzien van het parkeerbeleid en/of parkeernormen aanleiding geeft om af te wijken van de in de bijlage van de regels opgenomen parkeernormen;

3. (…)."

2.2. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, hetgeen tussen partijen niet in geschil is, omdat op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort geen parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Het bouwplan is voorts in strijd met het bestemmingsplan omdat het aantal parkeerplaatsen waarin is voorzien lager is dan volgens de parkeernormen uit het bestemmingsplan is vereist. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het niettemin omgevingsvergunning kan verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo. Het college heeft zich in het bij de rechtbank aan de orde zijnde besluit van 7 september 2015 op het standpunt gesteld dat niet aan de parkeernorm wordt voldaan maar dat kan worden volstaan met minder parkeerplaatsen. Volgens dat besluit geldt in dit geval een parkeereis van 11 parkeerplaatsen. Bij de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen volgens de parkeernorm en de vastgestelde parkeereis is het college in het besluit van 7 september 2015 uitgegaan van een bvo van 920 m². Uit de aanvraag en de daarbij behorende stukken volgt dat de bvo 1110 m² is. Het college onderkent dit ook en heeft zich in het besluit van 19 februari 2016 op het standpunt gesteld dat de bvo 1110 m² is. Gelet op het voorgaande betoogt Villa Bloom terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college van een onjuiste bvo is uitgegaan. De aangevallen uitspraak dient reeds om die reden te worden vernietigd.

Het betoog slaagt.

Omgevingsvergunning

3. Bij besluit van 19 februari 2016 heeft het college het besluit van 7 september 2015 gewijzigd. Dit wijzigingsbesluit is, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, geen onderwerp van dit geding, nu Villa Bloom daarbij onvoldoende belang heeft omdat het bij besluit van 22 juni 2016 is gewijzigd. Laatstgenoemd besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

4. Het college heeft, onder verwijzing naar onder meer de Nota Parkeernormen van de gemeente Den Haag (hierna: de parkeernota) vastgesteld op 10 november 2011 door de raad van de gemeente Den Haag, omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wabo gelezen in verbinding met artikel 27.2, onder d, van de planregels omgevingsvergunning. Het heeft aan de verlening van de omgevingsvergunning ten grondslag gelegd dat er een parkeereis van 14 parkeerplaatsen geldt en dat hieraan wordt voldaan nu het bouwplan voorziet in de aanleg van 16 parkeerplaatsen op het terrein van de ESH. Volgens het college kan in dit geval worden volstaan met minder parkeerplaatsen dan volgt uit de ingevolge het bestemmingsplan geldende parkeernorm. Daarbij heeft het college van belang geacht dat de parkeerdruk ten aanzien van bezoekers alleen zal toenemen als gevolg van de kinderen die gebruik maken van de dagopvang en niet als gevolg van de buitenschoolse opvang. De kinderen van de buitenschoolse opvang zijn namelijk leerlingen van de ESH. Bij de berekening is het college uitgegaan van een bvo van 1110 m². Het college is er voorts van uitgegaan dat er gemiddeld 30 kinderen op de dagopvang worden opgevangen en 75 kinderen op de buitenschoolse opvang. Op basis van deze gegevens is het college gekomen tot een parkeereis van 14 parkeerplaatsen waarvan 11 voor werknemers en 3 voor bezoekers.

5. Villa Bloom betoogt dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen omdat er geen 16 parkeerplaatsen worden gerealiseerd ten behoeve van het bouwplan. Daartoe voert zij aan dat bij de aanvraag wordt uitgegaan van 28 bestaande parkeerplaatsen terwijl er 32 parkeerplaatsen zijn gerealiseerd. Er is derhalve maar ruimte voor nog 12 parkeerplaatsen. Voorts voert zij aan dat niet is gewaarborgd dat de te realiseren parkeerplaatsen ook daadwerkelijk beschikbaar zullen zijn voor het kinderdagverblijf.

5.1. De parkeerplaatsen worden gerealiseerd op het naastgelegen parkeerterrein van de ESH. Volgens de bij de aanvraag gevoegde bouwtekening zal het terrein na realisering van het bouwplan worden uitgebreid van 28 parkeerplaatsen naar 44 parkeerplaatsen, hetgeen betekent het bouwplan voorziet in het realiseren van 16 parkeerplaatsen. Het college dient te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college in dit geval niet mocht uitgaan van de bij de aanvraag overgelegde gegevens. Dat, als gesteld, thans 32 parkeerplaatsen zijn gerealiseerd maakt dat niet anders. Ter zitting heeft het college toegelicht dat volgens de laatst verleende vergunning 28 parkeerplaatsen zijn toegestaan. Het college mocht van de bestaande vergunde situatie uitgaan. Gelet op de vergunde situatie en de thans verleende vergunning dienen na realisering van het bouwplan minimaal 44 parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Indien dat niet het geval is, kan eventueel om handhaving worden verzocht. Het college is er voorts terecht van uitgegaan dat de 16 parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn voor het kinderdagverblijf. Daarbij acht de Afdeling van belang dat in het besluit van 22 juni 2016 wordt verwezen naar de brieven van 17 juli 2014 en 7 september 2015 waarin Het Rijnlands Lyceum schriftelijk toestemming geeft voor het gebruikmaken van het parkeerterrein van de ESH. In zoverre is, anders dan Villa Bloom stelt, voldoende gewaarborgd dat er parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn voor het kinderdagverblijf.

Het betoog faalt.

6. Villa Bloom betoogt, onder verwijzing naar de brieven van Royal HaskoningDHV (hierna: DHV) van 22 juli 2015 en 2 december 2015, dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Volgens haar heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de parkeereis 14 is. Daartoe voert zij aan dat gelet op de parkeernormen uit het bestemmingsplan 20 tot 30 parkeerplaatsen nodig zijn. Het college wijkt volgens haar ten onrechte van af van de parkeernormen uit het bestemmingsplan. In dit verband voert zij aan dat het bestemmingsplan geen ruimte biedt om af te wijken van de parkeernormen en dat niet is gewaarborgd dat alleen leerlingen van de ESH gebruik mogen maken van de buitenschoolse opvang. Villa Bloom voert voorts aan dat de berekening van het college onjuist is aangezien het college daarbij is uitgegaan van een te laag aantal kinderen. Volgens Villa Bloom volgt uit de aanvraag dat het kinderdagverblijf is bestemd voor 170 kinderen waarvan 80 voor dagopvang en 90 voor buitenschoolse opvang en is in de omgevingsvergunning niet gewaarborgd dat er minder kinderen aanwezig zullen zijn. Villa Bloom voert verder aan dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de bestaande tekorten. Zij voert ten slotte aan dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat 50% van de leerlingen met de auto wordt gebracht. Dat percentage is volgens haar hoger. Dit geldt temeer nu het parkeerbeleid van het college is gebaseerd op oude richtlijnen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water-, en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: de CROW).

6.1. De parkeernormen zijn opgenomen in de bijlagen bij het bestemmingsplan.

In de parkeernota zijn beleidsregels neergelegd over de wijze waarop het college de parkeerbehoefte en parkeereis bij nieuw- en verbouw bepaalt.

In paragraaf 4.3. van de parkeernota staat: "[…] Bij een bouwplan speelt echter meer dan alleen een voorspelling van de toekomstige parkeerbehoefte: er is sprake van een parkeervraag en een parkeeraanbod. Het is goed mogelijk dat de werkelijke parkeervraag afwijkt van de met de parkeernormen berekende parkeerbehoefte. Ook is het niet altijd nodig om een aanbod te realiseren waarmee volledig aan de behoefte voldaan wordt. […] Voordat de gemeente bepaalt hoeveel parkeerplaatsen bij het bouwplan gerealiseerd moeten worden dient dus eerst goed gekeken te worden naar de concrete situatie waarbinnen de nieuw- of verbouw is gepland.[…] De gemeente wil stimuleren dat de schaarse parkeerruimte in de stad zo efficiënt mogelijk gebruikt wordt. Er zijn dan ook omstandigheden denkbaar waarin dubbelgebruik met een naburige ontwikkeling/functie óók tot aanpassing van de parkeerbehoefte kan leiden. Een grote parkeerplaats bij een kantoorpand kan ’s nachts bijvoorbeeld prima als parkeerterrein voor een nabijgelegen appartementencomplex dienen. […]"

6.2. Vaststaat dat de door het college vastgestelde parkeereis van 14 parkeerplaatsen lager is dan het aantal parkeerplaatsen dat op basis van de parkeernormen is vereist. Bij het vaststellen van de benodigde parkeerplaatsen mocht het college in dit geval onder verwijzing naar de parkeernota afwijken van de parkeernormen uit het bestemmingsplan. Anders dan Villa Bloom betoogt, biedt artikel 27.2, aanhef en onder d, van de planregels daar ruimte voor. Het college heeft op grond van artikel 27.2, aanhef en onder d, van de planregels omgevingsvergunning verleend. Ingevolge dat artikelonderdeel kan in de daarin aangegeven gevallen van worden afgeweken van de bepalingen van het plan ten behoeve van parkeernormen die worden gehanteerd.

In hetgeen Villa Bloom betoogt over de berekening ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte in afwijking van de parkeernomen uit het bestemmingsplan in dit geval de parkeereis op 14 parkeerplaatsen heeft vastgesteld. Het college heeft die parkeereis vastgesteld onder meer naar aanleiding van de bij de aanvraag aangeleverde gegevens en de nadien door ZCC aangeleverde gegevens. In de bij de aanvraag overgelegde brief van 11 juli 2014 van Bureau Kroner staat dat uitsluitend kinderen zullen worden opgevangen die al naar de ESH gaan. Het college heeft naar aanleiding van het ingediende hoger beroepschrift aan ZCC om een nadere toelichting gevraagd over het aantal kinderen en naar aanleiding van die toelichting het besluit van 22 juni 2016 genomen. Volgens de toelichting van ZCC zijn er op de dagopvang per ruimte op grond van de Wet Kinderopvang maximaal 16 kinderen per groep toegestaan. ZCC hanteert in verband met haar eigen pedagogische kwaliteitstandaard een groep van gemiddeld 12 kinderen. Dit gebeurt ook op de andere reeds bestaande locaties van ZCC. Nu er drie groepen zijn, zullen op piekdagen 36 kinderen aanwezig zijn op de kinderopvang. Op basis van de ervaringen van de andere locaties zullen er gemiddeld 30 kinderen zijn, aldus ZCC. Het gemiddelde aantal kinderen op de buitenschoolse opvang is gedurende de schoolweken 75 waarbij wederom wordt benadrukt dat de kinderen die gebruik maken van de buitenschoolse opvang naar de ESH gaan. Het door Villa Bloom aangevoerde biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college bij zijn besluitvorming niet mocht uitgaan van de door ZCC aangeleverde gegevens. Het enkele feit dat het gebouw geschikt is voor de opvang van meer kinderen en dat ook wettelijk zou zijn toegestaan, maakt niet dat het college niet van het gemiddelde mag uitgaan. Over de kinderen van de buitenschoolse opvang overweegt de Afdeling dat, gelet op de overgelegde gegevens die onderdeel uitmaken van de aanvraag op grond waarvan het college de omgevingsvergunning heeft verleend, op voorhand geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de kinderen die gebruik maken van de buitenschoolse opvang niet allemaal leerlingen van de ESH zijn. Bij de berekening van de parkeereis heeft het college zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat de buitenschoolse opvang niet zal leiden tot een toename van de parkeerdruk en derhalve alleen de kinderopvang van belang is. Ten aanzien van hetgeen Villa Bloom heeft aangevoerd over de bestaande tekorten aan parkeerplaatsen overweegt de Afdeling dat het college met die tekorten geen rekening behoefde te houden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:133) dient bij de beantwoording van de vraag of voorzien wordt in voldoende parkeermogelijkheden alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van het bouwplan. Een (eventueel) reeds bestaand tekort mag in beginsel buiten beschouwing worden gelaten. Villa Bloom heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geoordeeld moet worden dat in dit geval een uitzondering geldt. Over de parkeerplaats voor mindervaliden overweegt de Afdeling dat de vraag of een dergelijke parkeerplaats moet worden gerealiseerd voor de beantwoording van de vraag of ten behoeve van het bouwplan is voorzien in voldoende parkeerruimte niet relevant is.

6.3. Voor een kinderdagverblijf zoals hier aan de orde geldt volgens het bestemmingsplan 1 parkeerplaats per 100 m² exclusief K+R voorziening. Nu het bouwplan voorziet in een kinderdagverblijf met een bvo van 1100 m² moeten op grond van de parkeernormen van het bestemmingsplan 11 parkeerplaatsen worden gerealiseerd exclusief K+R voorziening. De K+R voorziening dient volgens de parkeernormen van het bestemmingsplan te worden berekend aan de hand van de CROW publicatie 182. Dat dit een oude publicatie betreft, betekent niet dat het college hier geen aansluiting bij mocht zoeken. Volgens de CROW wordt het aantal parkeerplaatsen berekend met de formule "aantal leerlingen x percentage met de auto x 0,25 x 0,75". Het percentage dat met de auto wordt gebracht is volgens het college 50%. Het college heeft daarbij in aanmerking genomen dat de afdeling Verkeer een percentage van 50% reëel acht. Villa Bloom heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit een te laag percentage is. Nu het college van 30 kinderen mocht uitgaan, moeten op basis van de CROW 2,8 parkeerplaatsen worden gerealiseerd als K+R voorziening voor de kinderen van het kinderdagverblijf. Voor de kinderen van de buitenschoolse opvang moeten op basis van de CROW 11 parkeerplaatsen als K + R voorziening worden gerealiseerd. De totale parkeerbehoefte op grond van de parkeernormen uit het bestemmingsplan komt daarmee uit op 25 parkeerplaatsen. Nu het college bij het vaststellen van de parkeereis zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de buitenschoolse opvang niet zal leiden tot een toename van de parkeerdruk en derhalve alleen de kinderopvang van belang is, komt in dit geval de parkeereis uit op in totaal 14 parkeerplaatsen. Het bouwplan voorziet in het realiseren van 16 parkeerplaatsen zodat hieraan wordt voldaan.

Gelet op het voorgaande leidt hetgeen Villa Bloom in dit verband heeft aangevoerd niet tot het oordeel dat het college wegens het parkeren niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

Het betoog faalt.

7. Villa Bloom betoogt dat het bouwplan in strijd is met artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012 en het college derhalve niet in redelijkheid omgevingsvergunning mocht verlenen. Daartoe voert zij aan dat reeds sprake is van ernstige verkeersoverlast die tot gevaarlijke situaties leidt. Als gevolg van het bouwplan zal die overlast aanzienlijk toenemen.

7.1. Artikel 7.22 van het Bouwbesluit luidt: "Onverminderd het bij of krachtens dit besluit of de Wet milieubeheer bepaalde is het verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:

a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid;

b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein;

c. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein, of

d. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt."

7.2. De Afdeling overweegt dat artikel 7.22 van het Bouwbesluit niet ziet op verkeershinder. Hetgeen Villa Bloom daarover heeft gesteld, kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat het college geen omgevingsvergunning mocht verlenen. Bovendien heeft het college ter zitting toegelicht dat er concrete plannen zijn voor de herinrichting van het gebied om de bestaande verkeersproblemen op te lossen.

Het betoog faalt.

Conclusie

8. De conclusie is dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd omdat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in het bij de rechtbank aan de orde zijnde besluit van 7 september 2015 is uitgegaan van een te lage parkeereis. Voorts is de conclusie dat het college zich in besluit van 22 juni 2016 terecht op het standpunt heeft gesteld dat wordt voldaan aan de vastgestelde parkeereis van 14 parkeerplaatsen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

9. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak dient voor zover aangevallen te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van Villa Bloom tegen het besluit van 7 september 2015 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het beroep tegen het besluit van 22 juni 2016 is ongegrond.

10. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 september 2015 in zaken nrs. 15/5782 en 15/5788, voor zover aangevallen;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 7 september 2015 gegrond;

IV. vernietigt dat besluit;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 22 juni 2016 ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van den Haag tot vergoeding van bij Villa Bloom B.V. in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1984,00 (zegge: negentienhonderdvierentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van den Haag aan Villa Bloom B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 828,00 (zegge: achthonderdachtentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. Th.C. van Sloten en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. de Koning, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. De Koning

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017

712.