Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:702

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
201509175/1/A1 en 201600103/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2014 heeft het college aan [vergunninghoudster] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van drie dakopbouwen op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] te Haarlem (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1498
Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7547
JOM 2017/1346
JOM 2017/323
OGR-Updates.nl 2017-0055
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201509175/1/A1 en 201600103/1/A1.

Datum uitspraak: 15 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Haarlem,

2. de Stichting Belangenbehartiging Wijkraad Koninginnebuurt (hierna: de stichting), gevestigd te Haarlem,

appellanten,

tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 27 november 2015 in zaken nrs. 15/2452 en 15/2453 in het geding tussen:

1) [appellant]

2) de stichting

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2014 heeft het college aan [vergunninghoudster] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van drie dakopbouwen op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] te Haarlem (hierna: het perceel).

Bij besluiten van 21 april 2015 heeft het college de door [appellant] en de stichting daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraken van 27 november 2015 heeft de rechtbank de door [appellant] en de stichting daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken hebben [appellant] en de stichting hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting gevoegd behandeld op 23 november 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.L. Kock, advocaat te Heemstede, de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door R. de Vries, zijn verschenen. Voorts is daar vergunninghoudster gehoord, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam.

Overwegingen

1. De drie woningen waarop het bouwplan betrekking heeft zijn gelegen in de Koninginnebuurt te Haarlem. De Koninginnebuurt is aangewezen als gemeentelijk beschermd stadsgezicht. De drie woningen maken onderdeel uit van een ensemble, bestaande uit vier woningen gelegen op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] en [locatie 4]. Het bouwplan betreft het plaatsen van een dakopbouw op drie van de vier woningen over de gehele lengte en breedte van die woningen. Door het bouwplan wijzigt de goothoogte van 6 m in 8.70 m en veranderen de kap en de dakvorm, hetgeen in strijd is met de in het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Koninginnebuurt (westelijk deel)" (hierna: het bestemmingsplan) opgenomen planregels.

Het college heeft om omgevingsvergunning te kunnen verlenen gebruik gemaakt van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en vierde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor).

2. [appellant] en de stichting betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet met toepassing van voormelde bepalingen een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan mocht verlenen.

[appellant] voert daartoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat de vergunde activiteiten niet zijn te kwalificeren als "dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw" of als "uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard", zoals bedoeld in artikel 4, aanhef en vierde lid, van bijlage II van het Bor. Zij stelt dat het bouwplan een ingrijpende verbouwing tot gevolg heeft, zodat van een reguliere dakopbouw niet kan worden gesproken. Er wordt een volledige etage op drie van de vier woningen gezet, de dak- en nokrichting alsmede de gevel worden aangepast en de verhoging wordt volledig in de bestaande gevel geïntegreerd. De gehele woning krijgt hierdoor een andere uitstraling. Voorts tast de verbouwing de waarden van het beschermd stadsgezicht aan en zijn de gevolgen voor de architectonische waarden groot, zodat het bouwplan evenmin van ondergeschikte planologische betekenis is, aldus [appellant].

[appellant] en de stichting voeren verder aan dat het college door af te wijken van het bestemmingsplan de strikt geformuleerde regels in het bestemmingsplan, die gelden voor een beschermd stadsgezicht, heeft omzeild. Het bestemmingsplan voorziet in een maximale bescherming van het stadsgezicht en geeft slechts een mogelijkheid tot afwijking voor daarin strikt en limitatief opgenomen gevallen, welke afwijkingsmogelijkheden volledig in overeenstemming zijn met de welstandscriteria zoals opgenomen in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. In dit verband wijst de stichting erop dat een burger erop moet kunnen vertrouwen dat een bestemmingsplan de finale regeling is ten aanzien van de ruimtelijke inrichting van een gebied, zeker als, zoals in dit geval, het bestemmingsplan recent is vastgesteld en aan de totstandkoming daarvan een langdurig proces vooraf is gegaan om een kwalitatief hoogstaand gebied te ontwikkelen, waarbij het beschermd stadsgezicht voldoende wordt beschermd door de planregels. Het is gelet hierop in strijd met de rechtszekerheid om ten behoeve van een bouwplan af te wijken door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo gelezen in verbinding met artikel 4 van bijlage II van het Bor, welke regeling geldt als een lichte procedure om van bestemmingsplannen af te wijken. De stichting voert in dit verband aan dat niet het college maar de raad van de gemeente Haarlem de aangewezen instantie is om een afwijking van het bestemmingsplan toe te staan dan wel het bestemmingsplan te wijzigen, nu de raad ook het bestemmingsplan heeft vastgesteld en daarin de afwijkingsmogelijkheden heeft vastgelegd.

2.1. Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo luidt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

[…]

2º in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

[…]."

Artikel 2.7 van het Bor luidt:

"Als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de wet worden aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II."

Artikel 4 van bijlage II bij het Bor, zoals dat gold ten tijde van de besluiten op bezwaar, luidt:

"Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van die wet van het bestemmingsplan […] wordt afgeweken, komen in aanmerking:

[…]

4. een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw dan wel de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard;

[…]."

2.2. De rechtbank heeft de voorziene dakopbouwen terecht aangemerkt als dakopbouwen als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 4, van bijlage II bij het Bor. Dat deze opbouwen niet gering zijn in oppervlakte of volume is niet van belang. In het Bor is geen nadere beschrijving opgenomen van hetgeen onder een dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw moet worden verstaan. Voor een uitleg daarvan in die zin, dat het slechts kan gaan om bouwwerken van geringe omvang, bestaan geen aanknopingspunten. Uit deze bepaling blijkt voorts niet dat is beoogd de toepassing van de daarin opgenomen bevoegdheid te beperken tot planologisch ondergeschikte gevallen. Evenmin blijkt daaruit dat de daarin opgenomen bevoegdheid niet geldt voor panden die liggen in een gebied waarop de status beschermd stadsgezicht rust. Voor de uitleg van het begrip dakopbouw in artikel 4 van bijlage II van het Bor is, anders dan [appellant] en de stichting stellen, de in het bestemmingsplan gegeven definitie van dakopbouw niet relevant.

Nu het bouwplan betrekking heeft op dakopbouwen, is niet relevant of de activiteit ziet op een uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 4, van bijlage II bij het Bor. Slechts indien een bouwplan geen dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw betreft moet, gelet op het gebruik van de woorden ‘dan wel’ in die bepaling worden bezien of het desbetreffende bouwplan ziet op een uitbreiding met een bouwdeel van ondergeschikte betekenis (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:322, 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:812, 18 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2808 en 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1627).

Gelet op het vorenstaande voldoet het bouwplan aan de voorwaarden als vermeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4 van bijlage II van het Bor.

Het betoog faalt in zoverre.

2.3. De inhoud van het bestemmingsplan noch de omstandigheid dat het bestemmingsplan recent, te weten op 16 mei 2013, is vastgesteld, kunnen afdoen aan de aan het college toekomende bevoegdheid om op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4 van bijlage II van het Bor, van het bestemmingsplan af te wijken. Nu het bouwplan zoals uit hetgeen hiervoor, onder 2.2, is overwogen voldoet aan de voorwaarden als vermeld in deze bepalingen, was het college bevoegd om met toepassing van die bepalingen van het bestemmingsplan af te wijken. Dat het college van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt maakt dan ook op zichzelf niet dat het afwijken van het bestemmingsplan in strijd is met de rechtszekerheid (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2707).

Het betoog faalt.

3. [appellant] en de stichting betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand en een goede ruimtelijke ordening, zodat het college ten onrechte met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo gelezen in verbinding met artikel 4 van bijlage II van het Bor een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan heeft verleend.

Zij voeren daartoe aan dat het college aan de besluiten van 17 december 2014 en 21 april 2015 niet een positief ambtelijk welstandsadvies alsmede een positief stedenbouwkundig advies van de afdeling Ruimtelijk Beleid, team Stedenbouw en Planologie, van 23 mei 2014 ten grondslag had mogen leggen, nu deze adviezen evident inhoudelijk onjuist zijn. Onder verwijzing naar de door [appellant] overgelegde architectuurhistorische analyse van A. van Breugel van 28 juni 2015 voeren zij aan dat het bouwplan in strijd is met de Nota Ruimtelijke Kwaliteit deel 1, met als bijlage de Nota Dak, de nota Ruimtelijke Kwaliteit deel 2, de toelichting op het bestemmingsplan, alsmede de strikt en limitatief vastgestelde planregels van dat bestemmingsplan. Het beschermd stadsgezicht alsmede de architectuurhistorische waarde van de panden komen ernstig in gedrang als de bouwplannen worden uitgevoerd. Er wordt in de aan de besluiten van 17 december 2014 en 21 april 2015 ten grondslag gelegde adviezen ten onrechte van uitgegaan dat er ruimte is voor ruimtelijke ontwikkeling, terwijl volgens [appellant] en de stichting zowel de Nota Ruimtelijke Kwaliteit als het bestemmingsplan de te beschermen kwaliteiten en typologieën beogen te behouden. De adviezen gaan volgens hen voorbij aan de status van orde 2-pand, zoals omschreven in bijlage 2 "de redengevende omschrijving orde 2" bij de toelichting bij het bestemmingsplan, en beschrijven niet de gevolgen voor de typologie en stijl van het bouwblok, alsmede de verhoudingen binnen het bouwblok. Door het wijzigen van de dak- en nokvorm, de gevelindeling en de goothoogte van drie van de vier woningen in het ensemble gaan de kenmerken van het ensemble verloren. De stedenbouwkundige en architectonische samenhang wordt verstoord en de dakopbouwen zijn niet meer ondergeschikt aan de architectonische eenheid, aldus [appellant] en de stichting. Voorts zijn volgens de stichting de Julianastraat en Mecklenburgstraat de enige straten in de buurt met huizen met twee bouwlagen, zodat om afwisseling te behouden, de in die straten gelegen huizen juist niet moeten worden verhoogd. Verder gaan de aan de besluiten ten grondslag gelegde adviezen ten onrechte uit van vier dakopbouwen op vier woningen, terwijl het bouwplan drie woningen betreft en het geenszins zeker is dat een vierde dakopbouw zal worden gerealiseerd.

Ook de door vergunninghoudster en het college in beroep en hoger beroep overgelegde adviezen kunnen de besluiten van het college niet ondersteunen. Uit deze stukken blijkt evenmin op welke punten het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, de Nota Ruimtelijke Kwaliteit en de Nota Dak. Geen aandacht is besteed aan de welstandcriteria, het beschermd stadsgezicht en de omstandigheid dat het pand een orde 2-pand betreft. Bovendien is het advies van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit van 8 september 2015 ten onrechte slechts door één lid van de commissie is gegeven, aldus [appellant] en de stichting.

3.1. In het ter plaatse geldende bestemmingsplan hebben de gronden waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Wonen" met als dubbelbestemming "Waarde - beschermd stadsgezicht". De voor "Waarde - beschermd stadsgezicht" aangewezen gronden zijn ingevolge artikel 17 van het bestemmingsplan mede bestemd voor behoud, herstel en de uitbouw van de in de toelichting aangegeven cultuurhistorische en ruimtelijk waarden van het gebied en zijn bebouwing. Uit de verbeelding blijkt dat de gronden waarop het bouwplan is voorzien de specifieke bouwaanduiding orde 2 hebben. Blijkens bijlage 6 "Waarderingskaart" bij de toelichting van het bestemmingsplan houdt de bouwaanduiding orde 2 in dat de op die gronden aanwezige bouwwerken van ouder dan 50 jaar beeldbepalende bouwwerken zijn, die op grond van hun architectonische of bouwhistorische kwaliteit en hun plaats in de stedenbouwkundige structuur of als toonaangevend element behoudenswaardig zijn. Uit bijlage 2 "Redengevende omschrijving orde 2" bij de toelichting van het bestemmingsplan blijkt dat de kenmerken van de woningen waarop het bouwplan ziet, bestaan uit een L-vormig ensemble uit 1921 van vier ‘middenstandswoningen’ van twee bouwlagen onder een plat dak en een gevel van twee bouwlagen met twee erkers en op het einde een smal geveldeel van één bouwlaag met een venster. In de toelichting, waarnaar artikel 17 van de planregels verwijst, zijn de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het beschermd stadsgezicht nader toegelicht. Uit de toelichting volgt dat aan het bestemmingsplan de Nota Ruimtelijke Kwaliteit en de Nota Dak ten grondslag hebben gelegen. De Nota Ruimtelijke Kwaliteit bestaat uit deel 1 "Visie op Ruimtelijke Kwaliteit" met als bijlage de Nota Dak en deel 2 "Beoordelingskaders Ruimtelijke Kwaliteit". Deel 1 en de Nota Dak besteden onder meer aandacht aan stedenbouw, architectuur en cultuurhistorie met als resultaat een integrale visie die als kader dient bij het beoordelen van bouwaanvragen. In Deel 2 zijn specifieke welstandcriteria opgesteld voor onder meer het Haarlemse daklandschap en beeldbepalende en karakteristieke panden die de basis vormen voor de beoordeling van bouwplannen. Het bouwplan valt blijkens deel 2 in het gebiedstype "Villagebieden".

3.2. Het college heeft zich in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat de aanwijzing van de Koninginnebuurt als beschermd stadsgezicht niet betekent dat geen ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. Het gaat erom dat bij nieuwe ontwikkelingen de historisch stedenbouwkundige eenheid zoveel mogelijk dient te worden behouden. Volgens het college is dit het geval. Onder verwijzing naar een stedenbouwkundig advies van de afdeling Ruimtelijk Beleid, team Stedenbouw en Planologie, van 23 mei 2014 stelt het college zich op het standpunt dat het ten gevolge van het bouwplan verhogen van het ensemble, waartoe de drie woningen behoren, naar drie woonlagen passend is in de schaal van de omgeving en het straatbeeld. Ook is de gekozen dakvorm met dakschilden passend in het daklandschap van deze buurt. De kenmerken van het ensemble blijven intact. In dit advies is geadviseerd de achterdakvlakken af te schuinen, hetgeen heeft geleid tot aanpassing van het bouwplan. Voorts heeft het college een positief ambtelijk welstandsadvies aan het besluit van 21 april 2015 ten grondslag gelegd, waarin is vermeld dat het bouwplan voldoet aan de ruimtelijke kwaliteitscriteria voor het gebiedsdeel "Villagebieden" ten aanzien van de ingrepen in het daklandschap en voorziet in traditioneel materiaal- en kleurgebruik met zorgvuldige detaillering. Verder voorziet het bouwplan volgens het college in het vergroten van de woonkwaliteit door het plaatsen van een opbouw op drie woningen en zet het bouwplan een trend waarop in de toekomst [locatie 4] kan aansluiten.

3.3. In de procedure zijn verschillende adviezen overgelegd over het bouwplan. De rechtbank heeft, naast de aan de besluiten van 17 december 2014 en 21 april 2015 ten grondslag gelegde adviezen, bij haar beoordeling de door [appellant] overgelegde architectuurhistorische analyse van A. van Breugel van 28 juni 2015 betrokken, alsmede de door het college overgelegde adviezen van respectievelijk de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit van 8 september 2015 en het stedenbouwkundig en architectuurhistorisch advies van de afdeling Ruimtelijk Beleid, team Stedenbouw en Planologie, zoals opgenomen in het verweerschrift van het college bij de rechtbank van 21 juli 2015. Voorts heeft de rechtbank bij haar beoordeling de door vergunninghoudster overgelegde "Notitie beoordeling uitbreiding Hoekwoningen Julianastraat en Mecklenburgstraat" van Kontec adviesbureau van 21 september 2015 en de "Onderbouwing dakopbouwen Julianastraat/Mecklenburgstraat Haarlem" van KPG architecten van 21 september 2015 betrokken.

In hoger beroep is door het college een aanvullend architectuurhistorisch advies van 13 oktober 2016 overgelegd. [appellant] heeft een aanvullend architectuurhistorisch advies van Van Breugel van 9 november 2016 ingediend. Het college heeft ter zitting van de Afdeling een reactie op dit rapport gegeven.

3.4. Zoals onder 2.2. en 2.3. is overwogen, was het college bevoegd voor het bouwplan omgevingsvergunning af te geven. Van die bevoegdheid kan ingevolge het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo slechts gebruik worden gemaakt indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog van [appellant] en de stichting, weergegeven onder 3, strekt ertoe dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de beschikbare stedenbouwkundige en cultuurhistorische adviezen het standpunt van het college kunnen dragen dat de vergunningverlening leidt tot een activiteit die niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

3.5. De stelling van [appellant] en de stichting, dat de rechtbank heeft miskend dat een gebrek kleeft aan het ambtelijk welstandsadvies en het welstandsadvies van 8 september 2015, leidt niet tot het oordeel dat de gevraagde omgevingsvergunning niet had kunnen worden verleend. Ten tijde van de besluiten van 17 december 2014 en 21 april 2015 was, zoals het college ter zitting van de Afdeling heeft toegelicht, een welstandsadvies afgegeven op ambtelijk niveau. Uit het besluit van de raad van de gemeente van 28 februari 2013 volgt dat een reguliere aanvraag inzake een bouwplan dat betrekking heeft op een dakopbouw op ambtelijk niveau op welstand kan worden getoetst aan de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. Door [appellant] en de stichting is niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval niet met een ambtelijk advies kon worden volstaan. De in de Verordening Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit opgenomen regels omtrent onder meer de samenstelling van de adviescommissie zijn niet van toepassing op een ambtelijk advies. Dat de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college ook zelf, nadat [appellant] en de stichting beroep hadden ingesteld, een welstandsadvies heeft uitgebracht, maakt het vorenstaande niet anders. Ten tijde van de besluiten lag er immers een advies dat aan die besluiten ten grondslag kon worden gelegd. Voorts was het advies van 8 september 2015 slechts een nadere onderbouwing van het eerder afgegeven advies op ambtelijk niveau. Van strijd met artikel 2.26, derde lid, van de Wabo in samenhang met artikel 6.2 van het Bor is geen sprake.

3.6. De stichting betoogt terecht dat de rechtbank haar ten onrechte heeft verweten geen contra-expertise te hebben overgelegd. De stichting heeft gemotiveerd uiteengezet waarom volgens haar het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand en met een goede ruimtelijke ordening. In hoger beroep heeft de stichting voorts verwezen naar de architectuurhistorische analyse van Van Breugel van 28 juni 2015. Dit leidt gezien het hiernavolgende evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

3.7. Mede gelet op de door het college en vergunninghoudster in beroep overgelegde adviezen, heeft de rechtbank terecht overwogen geen aanleiding te zien te twijfelen aan de adviezen die het college aan de besluiten van 17 december 2014 en van 21 april 2015 ten grondslag heeft gelegd.

Weliswaar wordt in de adviezen van het college ook de dakopbouw op de vierde woning van het ensemble betrokken, voor welke dakopbouw de bewoners van het pand [locatie 4] tijdens de procedure bij de rechtbank alsnog een aanvraag om omgevingsvergunning hebben ingediend, maar dat betekent niet dat het college zich geen zelfstandig oordeel heeft gevormd over de dakopbouw op drie van de vier woningen van het ensemble. Zoals ook blijkt uit het aanvullend architectuurhistorisch advies van 13 oktober 2016 betreft de aan de besluitvorming ten grondslag gelegde advisering in ieder geval de dakopbouw op drie van de vier woningen.

Voorts wordt weliswaar in de door [appellant] overgelegde adviezen een andere visie wordt gegeven op het bouwplan dan de visie die is neergelegd in de aan de besluiten van 17 december 2014 en 21 april 2015 ten grondslag gelegde adviezen en de daarna door het college en vergunninghoudster overgelegde adviezen, maar dat brengt niet mee dat die adviezen niet deugdelijk zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit en Nota Dak neergelegde criteria naar hun aard niet in de weg staan aan uiteenlopende waarderingen van het bouwplan.

3.8. Dat volgens de stichting en [appellant] bij de verlening van de omgevingsvergunning geen rekening is gehouden met het beschermd stadsgezicht is niet juist. De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen reden bestaat om aan te nemen dat bij de aan de besluiten ten grondslag gelegde adviezen, zoals bevestigd in de adviezen van het college van latere datum, geen rekening is gehouden met de orde 2 status van de panden waarop het bouwplan ziet. Hoewel de stichting en [appellant] terecht aanvoeren dat het bestemmingsplan gezien de planregels en de toelichting erop is gericht het beschermd stadsgezicht zo veel mogelijk in stand te laten, betekent dit niet, zoals de rechtbank in navolging van het college terecht heeft overwogen, dat het betrokken gebied wordt ‘bevroren’ in de toestand waarin het zich bevindt en betekent dit evenmin, zoals hiervoor onder 2.3 is overwogen, dat niet met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo van het bestemmingsplan kan worden afgeweken. Aan die afwijking moet een deugdelijke motivering ten grondslag liggen. De rechtbank heeft dienaangaande terecht overwogen dat wenselijke of noodzakelijke veranderingen moeten worden getoetst aan het criterium of sprake is van behoud van ruimtelijke kwaliteit.

Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanwijzing als beschermd stadsgezicht inhoudt dat de karakteristieke structuur en kwaliteit van het stadsdeel Koninginnebuurt een zwaarwegend belang is dat moet worden meegewogen bij toekomstige ontwikkelingen. Volgens het college betekent dit dat bij de bescherming van het beschermd stadsgezicht en de waardering van de onderhavige panden als orde 2 panden zeer zorgvuldig moet worden beoordeeld of nieuwe initiatieven in dit gebied de cultuurhistorische waarden van het gebied niet aantasten, in dit geval in het bijzonder de architectonische kwaliteit.

Hoewel volgens het college niet kan worden ontkend dat het bouwplan de symmetrie van het ensemble verstoort omdat het ziet op slechts drie van de vier woningen van het ensemble, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet betekent dat de cultuurhistorische waarden zodanig worden aangetast, dat de gevraagde omgevingsvergunning hierom diende te worden geweigerd. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het verhogen van drie van de vier woningen van het ensemble naar drie bouwlagen passend is in de schaal van de omgeving en het straatbeeld. Mede gezien de foto’s van de omgeving zoals neergelegd in onder meer de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan van 21 september 2015, heeft het college daarbij kunnen betrekken dat de in de omgeving van het bouwplan bestaande variatie tussen losstaande villa’s en geschakelde bouw blijft behouden en dat door een extra dakopbouw het karakter van middenstandwoning niet verdwijnt. Het college heeft zich, gezien de ruimtelijke onderbouwing en de daarin opgenomen foto’s en tekeningen van het bouwplan, voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan wat schaal, detaillering en materiaalgebruik betreft rekening houdt met de architectonische kwaliteit, nu de stijl en het uiterlijk door materiaal- en kleurgebruik en vorm nagenoeg hetzelfde blijft en het straatbeeld niet verandert.

Voor zover [appellant] en de stichting erop wijzen dat dakdoorbraken alleen zijn toegestaan als de monumentale onderdelen van een kap niet worden aangetast, overweegt de Afdeling dat op de panden geen monumentenstatus rust. Het college heeft zich verder in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Nota Dak niet aan het bouwplan in de weg staat, nu de gekozen dakvorm met dakschilden passend is in het daklandschap van de buurt. Daarbij is van belang dat in de Nota Dak weliswaar is vermeld dat het historisch daklandschap van Haarlem belangrijk is voor de identiteit van de stad en als zodanig moet worden beschermd, maar daarin ook is vermeld dat in de Koninginnebuurt een levendig straatbeeld is ontstaan, onder meer doordat de panden in de Koninginnebuurt onderling sterk verschillen qua kapvorm, bouwstijl, kleur- en materiaalgebruik. Voorts heeft het college, zoals hiervoor reeds is overwogen, rekening gehouden met de stijl en het uiterlijk van het ensemble. Anders dan [appellant] en de stichting stellen, is in de Nota Dak niet uitgesloten dat tot een ensemble behorende woningen niet kunnen worden gewijzigd als niet in één keer het gehele ensemble wordt aangepast. Wel kan met een later bouwplan aansluiting worden gezocht bij reeds uitgevoerde aanpassingen in een ensemble, welke aanpassingen volgens de Nota Dak een trend kunnen zetten.

3.9. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de dakopbouw op drie van de vier woningen van het ensemble in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en voorts het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning voor het bouwplan heeft kunnen verlenen.

Het betoog faalt.

4. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Montagne

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017

374.