Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:699

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
201602779/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 februari 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellante] toegekende voorschot kindgebonden budget voor het jaar 2014 herzien op een bedrag van € 129,00 en het aan haar toegekende voorschot huurtoeslag over het jaar 2014 herzien en op een bedrag van € 286,00 gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602779/1/A2.

Datum uitspraak: 15 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 maart 2016 in zaken nrs. 15/8353 en 15/8355 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellante] toegekende voorschot kindgebonden budget voor het jaar 2014 herzien op een bedrag van € 129,00 en het aan haar toegekende voorschot huurtoeslag over het jaar 2014 herzien en op een bedrag van € 286,00 gesteld.

Bij besluit van 19 oktober 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 maart 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M. Leijstra, advocaat te 's-Gravenhage, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] heeft in 2014 voorschotten huurtoeslag en kindgebonden budget voor haar twee kinderen ontvangen. In dat jaar woonde [appellante] samen met [persoon], die door de Belastingdienst/Toeslagen is aangemerkt als haar toeslagpartner. Aan het besluit van 6 februari 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat uit gegevens die de dienst heeft ontvangen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst is gebleken dat bij beschikking van 23 oktober 2014 de verblijfsvergunning van de toeslagpartner van [appellante] met terugwerkende kracht, met ingang van 22 juli 2011, is ingetrokken. De dienst heeft zich onder verwijzing naar artikel 9, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) op het standpunt gesteld dat [appellante] geen aanspraak heeft op tegemoetkomingen.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante] op grond van artikel 9, tweede lid, van de Awir geen recht heeft op kindgebonden budget en huurtoeslag, nu de verblijfsvergunning van haar voormalige toeslagpartner op 23 oktober 2014 met terugwerkende kracht tot 22 juli 2011 is ingetrokken. De rechtbank heeft [appellante] niet gevolgd in haar standpunt dat artikel 9, tweede lid, van de Awir niet ziet op het geval dat een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is ingetrokken.

Volgens de rechtbank is geen sprake van schending van het verbod van discriminatie als bedoeld in artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), omdat het onderscheid dat wordt gemaakt tussen een belanghebbende met een rechtmatig in Nederland verblijvende partner en een belanghebbende met een partner zonder geldige verblijfsstatus berust op redelijke en objectieve gronden. Er is geen sprake van zeer bijzondere omstandigheden, waardoor het gemaakte onderscheid geen redelijk en proportioneel middel meer is, aldus de rechtbank.

3. [appellante] betoogt dat artikel 9, tweede lid, van de Awir niet van toepassing is omdat haar toeslagpartner ten tijde van het ontvangen van de voorschotten een geldige verblijfsstatus had. Dat diens verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is ingetrokken doet daar niet aan af, nu bij het zogeheten koppelingsbeginsel gelet op de formulering van artikel 9, tweede lid, van de Awir daarbij moet worden uitgegaan van een situatie dat een vreemdeling ten tijde van de aanspraak daadwerkelijk geen rechtmatig heeft.

Voorts dient voor het onderscheid dat wordt gemaakt tussen de situatie dat een Nederlander samenwoont met een vreemdeling met een verblijfsrecht en haar situatie, waarbij de vreemdeling rechtmatig in Nederland verbleef maar het verblijfsrecht met terugwerkende kracht is ingetrokken, een redelijke en objectieve rechtvaardiging te bestaan. Omdat deze situatie niet is beschreven in de memorie van toelichting bij artikel 9, tweede lid, van de Awir, is deze bepaling in haar geval niet van toepassing zodat geen sprake is van een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor dit onderscheid. Verder is in haar geval sprake van zeer bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat de herziening van het kindgebonden budget en de huurtoeslag in strijd is met het verbod van discriminatie als bedoeld in artikel 14 van het EVRM. Hierdoor is geen sprake van een redelijke, proportionele verhouding tot het doel van artikel 9, tweede lid, van de Awir en had de rechtbank moeten oordelen dat dit artikel in dit geval buiten toepassing had moeten worden gelaten. De toeslagen komen haar en haar kinderen toe en de intrekking van de verblijfsvergunning van haar toenmalige toeslagpartner kan haar niet worden verweten en dient niet voor haar rekening en risico te komen. Omdat de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is ingetrokken, bestond voor haar ook niet de mogelijkheid om gedurende 2014 een wijziging door te geven, waarmee zij de terugvordering had kunnen beperken, aldus [appellante].

3.1. De toepasselijke wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

De Wet op de huurtoeslag en de Wet op het kindgebonden budget zijn inkomensafhankelijke regelingen als bedoeld in artikel 1 van de Awir.

3.2. De intrekking met terugwerkende kracht van de verblijfsvergunning heeft tot gevolg dat het rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), dat de toeslagpartner op grond van die vergunning had, ook voor de periode voorafgaand aan 23 oktober 2014 is vervallen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:929. Dat [appellante] in dit verband geen verwijt kan worden gemaakt, neemt niet weg dat zij dientengevolge geen aanspraak had op kindgebonden budget of huurtoeslag. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen in het geval van [appellante] over het toeslagjaar 2014 terecht artikel 9, tweede lid, van de Awir heeft toegepast.

3.3. Toepassing van artikel 9, tweede lid, van de Awir leidt tot een onderscheid tussen enerzijds een Nederlander of een vreemdeling met een verblijfsrecht ingevolge artikel 8 van de Vw 2000, die samenwoont met een Nederlandse partner of een vreemdeling met een verblijfsrecht ingevolge artikel 8 van de Vw 2000, en anderzijds een Nederlander of een vreemdeling met een verblijfsrecht ingevolge artikel 8 van de Vw 2000, zoals [appellante], die samenwoonde met een vreemdeling die niet over een zodanig verblijfsrecht beschikte.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 22 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3788) verbiedt artikel 14 van het EVRM niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar slechts die behandeling die als een ongerechtvaardigd onderscheid moet worden beschouwd, dat wil zeggen, dat voor het gemaakte onderscheid geen redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat.

3.4. In artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 is het koppelingsbeginsel neergelegd. Deze bepaling strekt ertoe het recht op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen ten laste van de collectieve middelen te koppelen aan rechtmatig verblijf in Nederland (Kamerstukken II 1994/95, 24 233, nr. 3, blz. 1-2). Het uitgangspunt dat illegale vreemdelingen geen aanspraken op collectieve voorzieningen kunnen doen gelden, heeft de wetgever als beginsel van het vreemdelingenrecht aangemerkt (Kamerstukken II 1995/96, 24 233, nr. 6, blz. 3-4).

Voor het gemaakte onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus, zoals dat uit zowel artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000, als artikel 9, tweede lid, van de Awir volgt, in beginsel een redelijke en objectieve rechtvaardiging. Met dit onderscheid wordt een legitiem doel gediend. Met de toepassing hiervan wordt beoogd te voorkomen dat illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen door ontvangst van tegemoetkomingen en voorzieningen, in staat worden gesteld tot voortzetting van hun wederrechtelijk verblijf, het verwerven van een schijn van legaliteit of het opbouwen van een zodanige sterke rechtspositie of de schijn hiervan, dat zij na ommekomst van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijken. Met hetgeen in artikel 9, tweede lid, van de Awir is neergelegd, is in zoverre hierop aangesloten, dat deze bepaling ertoe strekt daarenboven te voorkomen dat de niet rechtmatig in Nederland verblijvende partner zou kunnen meeprofiteren van de tegemoetkomingen die aan de Nederlander of een vreemdeling met een verblijfsrecht ingevolge artikel 8 van de Vw 2000 worden toegekend (zie de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2014).

3.5. De Afdeling ziet in de omstandigheid dat de specifieke situatie van [appellante] niet is beschreven in de memorie van toelichting geen aanleiding voor het oordeel dat voor het onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus dat uit artikel 9, tweede lid, van de Awir volgt, geen redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat.

3.6. Gelet op hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, dient de Afdeling te beoordelen of de uitsluiting van de in geding zijnde tegemoetkomingen in een redelijke, proportionele verhouding staat tot het hiervoor, onder 3.4, omschreven legitieme doel. Het onthouden van deze voorziening aan een Nederlander kan onder zeer bijzondere omstandigheden in een concreet geval in strijd zijn met artikel 14 van het EVRM, in welk geval artikel 9, tweede lid, van de Awir, gelet op artikel 94 van de Grondwet, buiten toepassing moet worden gelaten.

3.7. De door [appellante] aangevoerde omstandigheden, dat de toeslagen haar en haar kinderen toekomen, dat de intrekking van de verblijfsvergunning van haar toenmalige toeslagpartner haar niet kan worden verweten, niet voor haar rekening en risico dient te komen en voor haar niet de mogelijkheid bestond om gedurende 2014 een wijziging door te geven waarmee zij de terugvordering had kunnen beperken, zijn niet aan te merken als zeer bijzonder in vorenbedoelde zin. De herziening van de voorschotten kindgebonden budget en huurtoeslag over 2014 zijn in dit geval niet in strijd met artikel 14 van het EVRM. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 9, tweede lid, van de Awir in dit geval niet buiten toepassing hoefde te worden gelaten.

3.8. Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.C.V. Fenwick, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Fenwick

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017

608.

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir)

Artikel 9

2. Ingeval de partner van de belanghebbende een vreemdeling is die niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, heeft de belanghebbende geen aanspraak op een tegemoetkoming.

Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

Artikel 8

De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14

[...]

Artikel 10

1. De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, kan geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de bij de wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen ontheffingen of vergunningen.

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)

Artikel 14

Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Grondwet

Artikel 94

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.