Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:686

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
201603946/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 september 2014 heeft het dagelijks bestuur een aanvraag van [appellant] om schuldhulpverlening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603946/1/A2.

Datum uitspraak: 15 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 april 2016 in zaak nr. 15/920 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van Werk en Inkomen Lekstroom.

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2014 heeft het dagelijks bestuur een aanvraag van [appellant] om schuldhulpverlening afgewezen.

Bij besluit van 22 december 2014 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 april 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.M.P.M. Adank, advocaat te Utrecht, vergezeld van [gemachtigde]], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. W.M.M. Janssen en P. Schellekens, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Het dagelijks bestuur heeft aan het besluit van 22 december 2014 het volgende ten grondslag gelegd. [appellant] heeft in de eerste plaats zijn inlichtingenplicht en medewerkingsplicht geschonden door de volgende gedragingen:

- 4 september 2013 wordt een aanvraag voor schuldhulpverlening ingediend, waarbij de heer [appellant] een opgave deed (zonder bedragen te noemen) van een schuld bij het CJIB, de belastingdienst, het CVZ, het VDSH (de gerechtsdeurwaarder van verhuurder Mitros) en de gemeente. De bewijsstukken van de schulden zijn pas compleet gemaakt door de beoogde bewindvoerder;

- Tot februari 2014 wordt de huur- en zorgtoeslag betaald aan [appellant] zelf, ondanks herhaalde schriftelijke en mondelinge verzoeken over de noodzaak tot betaling op de nieuwe bankrekening;

- Na het aangaan van de overeenkomst zijn er drie nieuwe niet saneerbare CJIB vorderingen ontstaan;

- In de loop van het traject wordt bekend dat er nog drie (oorspronkelijke) schuldeisers waren;

- [appellant] komt afspraken niet na, hij vergeet belangrijke zaken en hij is onvoldoende bereikbaar;

- Op 8 juni 2014 wordt [appellant] in hechtenis genomen in België. Hij heeft nimmer melding gemaakt van dit feit;

- [appellant] verschijnt niet op de afspraak van 15 juli 2014 om het verzoekschrift ter voorkoming van de huisontruiming te ondertekenen en te voorzien van de relevante bijlagen.

Gelet op de psychosociale situatie van [appellant], zijn problematische schuldensituatie, houding en gedrag heeft het dagelijks bestuur hem verzocht een verzoek in te dienen tot beschermingsbewind. Een bewindvoerder is voor korte tijd bereid geweest het beschermingsbewind op zich te nemen, maar zij heeft zich teruggetrokken omdat er onvoldoende draagkracht was voor het bewind. Ondanks herhaalde verzoeken heeft [appellant] niet gezorgd voor een nieuwe bewindvoerder. Het voorgaande betekent dat een schuldhulpverleningstraject geen kans van slagen heeft. Daarnaast is er een tweede weigeringsgrond. Sinds 8 juni 2014 ontvangt [appellant] geen uitkering meer op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB). Bovendien is zijn woonsituatie, door de ontruiming van zijn woning, thans onduidelijk. Dit betekent dat [appellant] geen stabiel inkomen en geen stabiele woonsituatie heeft. Op grond van artikel 6 van de op 1 mei 2013 in werking getreden Beleidsregel integrale schuldhulpverlening Werk en Inkomen Lekstrook (hierna: de Beleidsregel) zijn dit gronden om de gevraagde schuldhulpverlening te weigeren.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur, anders dan in het besluit van 22 december 2014 is vermeld, [appellant] in eerste instantie heeft toegelaten tot de schuldhulpverlening, maar het traject heeft beëindigd. Het besluit berust daarom op een onjuiste feitelijke grondslag. De rechtbank heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gepasseerd. Daarbij heeft zij overwogen dat aannemelijk is dat [appellant] daardoor niet in zijn belangen is geschaad.

Tegen dit oordeel van de rechtbank zijn partijen in hoger beroep niet opgekomen. Daarom moet thans van dit oordeel worden uitgegaan.

Behandeling van het hoger beroep

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld, dat het dagelijks bestuur niet gehouden was hem op grond van de hardheidsclausule van de Beleidsregel schuldhulpverlening te bieden omdat relevante bijzondere omstandigheden ontbreken. Hij voert aan dat hij door de detentie in België in een crisissituatie is geraakt, aangezien daardoor zijn uitkering is stopgezet en zijn woning is ontruimd waardoor hij dakloos is geworden. Daarnaast is zijn psychiatrische toestand door de detentie sterk verslechterd.

3.1. De artikelen 6 en 7, eerste lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (hierna: Wgs) luiden als volgt:

Artikel 6

De verzoeker doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed zijn op de op hem van toepassing zijnde schuldhulpverlening of voor de uitvoering van deze wet.

Artikel 7

1. De verzoeker is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

De artikelen 4, 5, eerste lid, 8, aanhef en onder j, en 10,eerste lid, van de Beleidsregel luiden als volgt:

Artikel 4. Inlichtingen en medewerking

1. Aanvrager doet aan het dagelijks bestuur op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op schuldhulpverlening. Dat geldt zowel bij de aanvraag als gedurende de looptijd van het schuldhulpverleningstraject.

2. Aanvrager is verplicht om alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is gedurende de aanvraagperiode en tijdens het schuldhulpverleningstraject. De medewerking bestaat in ieder geval, maar niet uitsluitend uit:

- het nakomen van afspraken;

- het tijdig inleveren van voor de schuldhulpverlening noodzakelijke bewijsstukken;

- geen nieuwe schulden aangaan;

- het zich houden aan de bepalingen en voorwaarden als genoemd in de overeenkomsten tot schuldregeling en budgetbeheer;

- het actief deelnemen aan een cursus of cursussen gericht op het voorkomen van (nieuwe) schulden;

- zoveel mogelijk afloscapaciteit creëren door het verruimen van inkomen, het inzetten van beschikbaar vermogen en het minimaliseren van uitgaven, en deze afloscapaciteit te gebruiken ter delging van de schulden.

Artikel 5. Weigeren en beëindigen

1. Indien aanvrager niet of in onvoldoende mate zijn verplichtingen nakomt zoals neergelegd in artikel 4, eerste en tweede lid, kan het dagelijks bestuur besluiten om de schuldhulpverlening te weigeren dan wel te beëindigen, met daarbij een sanctie van uitsluiting van zes maanden tot maximaal één jaar.

Artikel 8. Beëindigingsgronden

Onverminderd de overige bepalingen in deze beleidsregels, kan het dagelijks bestuur besluiten tot beëindiging van de schuldhulpverlening indien:

j. de inkomens-, woon- of leefsituatie van aanvrager dermate onzeker is dat schuldhulpverlening (nog) niet mogelijk is.

Artikel 10. Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden

1. Het dagelijks bestuur kan in zeer bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien onverkorte toepassing daarvan aanleiding geeft of zou leiden tot disproportionele onredelijkheid of onbillijkheid.

3.2. Op 7 juni 2014 is [appellant] wegens verdenking van poging tot diefstal uit een woning door de Belgische politie aangehouden en in hechtenis genomen. De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen heeft [appellant] bij vonnis van 25 augustus 2014 van de aanklacht vrijgesproken. Niet in geschil is dat [appellant] het dagelijks bestuur niet op de hoogte heeft gesteld van de aanhouding en de daarop volgende detentie en niet is verschenen op de afspraak van 15 juli 2014.

3.3. [appellant] heeft terecht aangevoerd dat de detentie in België moet worden beschouwd als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 10 van de Beleidsregel. Dat [appellant] het dagelijks bestuur van zijn detentie niet op de hoogte heeft gesteld en wegens die detentie niet is verschenen op de afspraak van 15 juli 2014, mocht het dagelijks bestuur hem daarom niet tegenwerpen als schendingen van zijn inlichtingenplicht en medewerkingsplicht.

Zoals hiervoor onder 1 is vermeld, heeft het dagelijks bestuur in het besluit van 22 december 2014 ook andere gedragingen ten grondslag gelegd aan zijn standpunt dat [appellant] zich niet aan zijn inlichtingenplicht en medewerkingsplicht heeft gehouden. Ter zitting heeft het dagelijks bestuur toegelicht dat het ontbreken van een bewindvoerder de belangrijkste reden was om de schuldhulpverlening te beëindigen. [appellant] heeft dit standpunt van het dagelijks bestuur in hoger beroep niet bestreden. Het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de inlichtingenplicht of medewerkingsplicht is ingevolge artikel 5 van de Beleidsregel grond voor beëindiging van de schuldhulpverlening. De detentie in België vormt ten aanzien van deze andere gedragingen geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 10 van de Beleidsregel, aangezien deze gedragingen dateren van vóór de aanhouding van [appellant] in België. Andere bijzondere omstandigheden zijn niet gebleken. Het voorgaande betekent dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het dagelijks bestuur de schuldhulpverlening van [appellant] heeft kunnen beëindigen.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, griffier.

w.g. Hoogvliet w.g. Oranje

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017

507.