Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:682

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
201600355/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de kas op het perceel [locatie] te Well (hierna: het perceel) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/1348
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600355/1/A1.

Datum uitspraak: 15 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Well, gemeente Maasdriel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 december 2015 in zaak nr. 15/1877 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de kas op het perceel [locatie] te Well (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 22 oktober 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 december 2014 heeft de rechtbank Gelderland het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 22 oktober 2013 vernietigd.

Bij besluit van 17 maart 2015 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 25 juni 2013 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[partij] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Met toestemming van partijen is een onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek krachtens artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. Het geschil heeft betrekking op de kas die door [partij] op het perceel wordt geëxploiteerd. Niet langer is in geschil dat voor de kas een omgevingsvergunning is verleend. De vraag die partijen in hoger beroep verdeeld houdt, is of het college handhavend had moeten optreden vanwege de door [appellant] gestelde lichthinder.

Gronden van het hoger beroep van [appellant]

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bevoegd en gehouden was om handhavend op te treden. Daartoe voert hij aan dat in de kas verlichting aanwezig is die als assimilatieverlichting kan worden gebruikt. Nu een dergelijk gebruik niet kan worden uitgesloten, is volgens [appellant] sprake van een overtreding van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit). Daarbij stelt hij dat zijn woon- en leefklimaat, mede gelet op de situatie ter plaatse, in onevenredige mate wordt aangetast indien de verlichting in de kas wordt gebruikt als assimilatieverlichting.

Wettelijk kader

3. De relevante regelgeving is opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Beoordeling van het hoger beroep van [appellant]

4. Uit de uitspraak van de rechtbank van 11 december 2014 blijkt dat de lichtsterkte van de in de kas aanwezige verlichting onvoldoende is om het assimilatieproces als zodanig te bevorderen. Dit neemt niet weg dat de verlichting in de kas in het verleden is ingezet ten behoeve van daglichtverlenging, ter bevordering van de bloemvorming. Zoals de rechtbank in de evengenoemde uitspraak heeft geoordeeld, dient ook een dergelijk gebruik van de verlichting te worden aangemerkt als assimilatiebelichting in de zin van artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit. Dit betekent dat ook bij het gebruik van de verlichting als daglichtverlenging, ter bevordering van de bloemvorming, in de kas dient te worden voldaan aan de relevante voorschriften over assimilatiebelichting.

5. Zoals de rechtbank in de eerdergenoemde uitspraak heeft overwogen en waartegen partijen geen hoger beroep hebben ingesteld, dient bij het gebruik van de verlichting als assimilatiebelichting in de kas op het perceel te worden voldaan aan de voorschriften uit paragraaf 1.5 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer, zoals deze luidden onmiddellijk voor het tijdstip van de inwerkingtreding van de artikelen 3.56 tot en met 3.58 van het Activiteitenbesluit.

De desbetreffende voorschriften bevatten regels over de verplichte wijze van afscherming van een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast. Het college is er in zijn besluit van 17 maart 2015 vanuit gegaan dat de kas op het perceel niet is voorzien van een dergelijke afscherming. Zoals de rechtbank echter terecht heeft aangenomen, is een dergelijke afscherming slechts vereist, indien de verlichting in een kas daadwerkelijk wordt ingezet als assimilatiebelichting. Slechts dan is sprake van het toepassen van assimilatiebelichting als bedoeld in het Activiteitenbesluit en de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer. Het enkele feit dat in de kas op het perceel verlichting aanwezig is die als zodanig zou kunnen worden gebruikt, is derhalve onvoldoende om aan te nemen dat de desbetreffende regels zijn overtreden.

6. Het college heeft in zijn besluit van 17 maart 2015 overwogen dat bij diverse controles in september 2013 en in januari 2015 is geconstateerd dat de in de kas aanwezige verlichting niet werd ingezet als assimilatieverlichting. Ook overigens bestaan er volgens het college geen concrete aanwijzingen dat de in de kas aanwezige verlichting na juni 2013 nog op een dergelijke wijze is gebruikt.

[appellant] heeft dit noch in beroep, noch in hoger beroep bestreden, maar heeft enkel aangevoerd dat het gebruik van de verlichting als assimilatieverlichting niet kan worden uitgesloten.

Gelet hierop en gezien hetgeen hiervoor onder 5 is overwogen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat geen overtreding van de voorschriften uit paragraaf 1.5 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer is geconstateerd en dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden tegen de kas op het perceel.

Het betoog faalt.

7. Voor zover [appellant] in het hoger beroepschrift verwijst naar eerdere stukken, betreft het louter een herhaling van gronden die hij in de eerdere procedures bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in deze gronden geen aanleiding gezien voor een gegrondverklaring van het beroep van [appellant]. In hoger beroep heeft [appellant] niet uiteengezet waarom de aangevallen uitspraak in zoverre onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Het aangevoerde geeft derhalve geen aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen.

Incidenteel hoger beroep van [partij]

8. [partij] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van [appellant] gegrond is. Nu het hoger beroep van het [appellant] ongegrond is, is deze voorwaarde niet vervuld en is het incidenteel hoger beroep van [partij] vervallen. Aan een inhoudelijke bespreking ervan wordt derhalve niet toegekomen.

Conclusie

9. Het hoger beroep van [appellant] is ongegrond. Het voorwaardelijke incidenteel hoger beroep van [partij] is vervallen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, griffier.

w.g. Hoogvliet w.g. Breunese-van Goor

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017

208.

BIJLAGE

Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van belang

Artikel 1.1

1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

assimilatiebelichting: kunstmatige belichting van gewassen, gericht op de bevordering van het groeiproces van gewassen (…).

Artikel 3.56

1 Een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast, is aan de bovenzijde voorzien van een lichtscherminstallatie waarmee ten minste 98% van de lichtuitstraling kan worden gereduceerd.

2 Het eerste lid is niet van toepassing op een kas waarin uitsluitend assimilatiebelichting wordt toegepast buiten de donkerteperiode.

Artikel 3.57

1 Indien assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van ten minste 15.000 lux wordt toegepast, is vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang de bovenzijde van de kas op een zodanige wijze afgeschermd dat ten minste 98% van de lichtuitstraling wordt gereduceerd.

2 Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift buiten de donkerteperiode een ander percentage dan het percentage, bedoeld in het eerste lid, vaststellen.

Artikel 3.58

1 Indien assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van minder dan 15.000 lux wordt toegepast, is:

a. gedurende de donkerteperiode die toepassing niet toegestaan, tenzij de bovenzijde op een zodanige wijze is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 98% wordt gereduceerd, en

b. gedurende de nanacht die toepassing niet toegestaan, tenzij de bovenzijde op een zodanige wijze is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 74% wordt gereduceerd.

2 Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift een ander percentage dan het percentage in het eerste lid, onder b, vaststellen.

Artikel 3.59

1. Vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang is de gevel van een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast op een zodanige wijze afgeschermd dat de lichtuitstraling op een afstand van ten hoogste 10 meter van die gevel met ten minste 95% wordt gereduceerd en de gebruikte lampen buiten de inrichting niet zichtbaar zijn.

Artikel 6.24e

1 De artikelen 3.56 tot en met 3.58 zijn tot 1 januari 2021 niet van toepassing op een kas, kleiner dan 2.500 vierkante meter, waarin assimilatiebelichting wordt toegepast.

2 Op een kas als bedoeld in het eerste lid zijn tot 1 januari 2021 de voorschriften uit paragraaf 1.5 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer zoals deze luidden onmiddellijk voor het tijdstip van de inwerkingtreding van de artikelen 3.56 tot en met 3.58, van toepassing.

Besluit landbouw milieubeheer, zoals dat luidde tot 01-01-2013

Paragraaf 1.5 Assimilatiebelichting en verlichting

1.5.1 De gevel van een permanente opstand van glas of kunststof waarin assimilatie-belichting wordt toegepast, is afgeschermd op een zodanige wijze dat de lichtuitstraling op een afstand van ten hoogste 10 meter van die gevel, met ten minste 95% wordt gereduceerd en de gebruikte lampen buiten de inrichting niet zichtbaar zijn.

1.5.2 Gedurende drie jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is voorschrift 1.5.1 niet van toepassing op een permanente opstand van glas of kunststof, waarin reeds voor dat tijdstip assimilatiebelichting werd toegepast en waar een afscherming als bedoeld in voorschrift 1.5.1 niet is aangebracht.

1.5.3 Voorschrift 1.5.2 is niet van toepassing, indien een voorziening of maatregel als bedoeld in voorschrift 1.5.1 was voorgeschreven in maatwerkvoorschriften of in de vergunning.

1.5.4 De voorschriften 1.5.1 en 1.5.2 gelden vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang.

1.5.5 Van 1 september tot 1 mei vindt van 20.00 tot 24.00 uur geen lichtemissie als gevolg van toepassing van assimilatiebelichting plaats, tenzij de bovenzijde van de permanente opstand waarin assimilatiebelichting wordt toegepast vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang op een zodanige wijze wordt afgeschermd dat de lichtuitstraling met tenminste 85% en ten hoogste 95% wordt gereduceerd.