Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:678

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
201507002/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 20 maart 2014 heeft de minister de ten behoeve van de minderjarige kinderen van [appellante] ingediende aanvragen om verlening van een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507002/1/A3.

Datum uitspraak: 15 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats], ten behoeve van de minderjarige kinderen [kind A] en [kind B],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 juli 2015 in zaak nr. 14/8287 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 20 maart 2014 heeft de minister de ten behoeve van de minderjarige kinderen van [appellante] ingediende aanvragen om verlening van een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen.

Bij besluit van 21 juli 2014 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 juli 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 augustus 2016, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. A. Berends, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door I.S. IJserinkhuijsen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellante] is in 1994 in Ghana gaan samenwonen met [persoon], die toen nog met een Nederlandse vrouw gehuwd was. In 1997 en 2000 is [appellante] moeder geworden van [kind A] en [kind B]. In 2001 is het huwelijk van [persoon] ontbonden en is hij in Ghana getrouwd met [appellante]. In 2002 heeft [appellante] de twee kinderen in het geboorteregister laten inschrijven. Daarbij heeft zij [persoon] als vader laten vermelden. In 2006 heeft [persoon] de geboorteakten van de kinderen en de huwelijksakte laten inschrijven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag. In 2010 heeft hij ten overstaan van een notaris verklaard de wettige vader van de kinderen te zijn. [persoon] is op 1 maart 2013 overleden.

In januari 2014 zijn ten behoeve van de minderjarige kinderen Nederlandse paspoorten aangevraagd. Bij onderscheiden besluiten van 20 maart 2014 heeft de minister deze aanvragen niet in behandeling genomen omdat de wettiging van de kinderen geen erkenning inhoudt waaraan het Nederlanderschap kan worden ontleend. [appellante] kan zich daarin niet vinden omdat sprake zou zijn van een Ghanese gewoonterechtelijke erkenning die ook in Nederland als zodanig erkend dient te worden. De bezwaren en het beroep zijn ongegrond verklaard. In hoger beroep ligt de vraag voor of de minister terecht de aanvragen om een paspoort voor de kinderen niet in behandeling heeft genomen omdat zij niet de Nederlandse nationaliteit bezitten.

Wettelijk kader

2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Paspoortwet, heeft iedere Nederlander binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor tien jaren en voor alle landen.

Ingevolge het tweede lid, heeft een Nederlander die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, in afwijking van het eerste lid, recht op een nationaal paspoort geldig voor vijf jaren en voor alle landen.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN), wordt in deze Rijkswet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder vader: de man tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, zoals die bepaling luidde tot 1 april 2003, wordt Nederlander de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt erkend.

Ingevolge artikel 100, eerste lid, van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) wordt een buitenslands tot stand gekomen onherroepelijke rechterlijke beslissing waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming zijn vastgesteld of gewijzigd, in Nederland van rechtswege erkend, tenzij:

a. er voor de rechtsmacht van de rechter kennelijk onvoldoende aanknoping bestond met de rechtssfeer van diens land;

b. aan die beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of

c. de erkenning van die beslissing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.

Ingevolge het tweede lid kan de erkenning van de beslissing, ook wanneer daarbij een Nederlander betrokken is, niet wegens onverenigbaarheid met de openbare orde worden geweigerd op de enkele grond dat daarop een ander recht is toegepast dan uit deze titel zou zijn gevolgd.

Ingevolge het derde lid is de beslissing niet vatbaar voor erkenning indien zij onverenigbaar is met een onherroepelijk geworden beslissing van de Nederlandse rechter inzake de vaststelling of wijziging van dezelfde familierechtelijke betrekkingen.

Ingevolge artikel 101, eerste lid, is artikel 100, eerste lid, onder b en c, tweede en derde lid, van dit Boek van overeenkomstige toepassing op buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte.

Ingevolge het tweede lid doet de weigeringsgrond, bedoeld in artikel 100, eerste lid, onderdeel c, van dit Boek zich met betrekking tot de erkenning in elk geval voor

a. indien deze is verricht door een Nederlander die naar Nederlands recht niet bevoegd zou zijn het kind te erkennen;

b. indien, wat de toestemming van de moeder of het kind betreft, niet is voldaan aan de vereisten van het recht dat ingevolge artikel 95, derde lid, van dit Boek toepasselijk is, of

c. indien de akte kennelijk op een schijnhandeling betrekking heeft.

Betoog

3. [appellante] betoogt dat sprake is van een Ghanese gewoonterechtelijke erkenning die naar Nederlands internationaal privaatrecht ook in Nederland als zodanig erkend dient te worden. Daartoe voert zij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in de beschikking van de rechtbank Den Haag van 10 maart 2008 (ECLI:NL:RBSGR:2008:BC6198) genoemde omstandigheden die relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of een man naar Ghanees recht wordt beschouwd als de juridische vader, cumulatief zijn. Op grond daarvan meent [appellante] dat de naamgevingsprocedure, waarvan zij stelt dat deze wel degelijk heeft plaatsgevonden, geen constitutief vereiste is voor het ontstaan van een familierechtelijke betrekking naar Ghanees gewoonterecht. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat zij onvoldoende heeft bewezen dat er naamgevingsceremonieën hebben plaatsgevonden. Volgens [appellante] zijn dat geen officiële gebeurtenissen en bestaan er geen officiële naamgevingsceremonie-akten. Het is volgens [appellante] niet relevant dat haar zoon een andere achternaam dan zijn vader draagt, omdat het in Ghana gebruikelijk is dat een kind de naam van een familielid van de moeder overneemt, in dit geval een familielid van haar vaderskant. Voorts moet artikel 101 van Boek 10 van het BW zo worden gelezen dat er tenminste een buitenlandse akte bestaat die de afstamming beschrijft. Dat zijn in dit geval de geboorteakten, aldus [appellante]. Zij wijst op jurisprudentie waarbij het ontbreken van een akte niet in de weg stond bij een erkenning naar Nederlands internationaal privaatrecht, ook als de gewoonterechtelijke erkenning is gedaan in een land waar een burgerlijke stand bestaat. Daarbij wijst [appellante] op de omstandigheid dat er toestemming van de moeder is, nu zij aangifte van de geboorten heeft gedaan en de paspoortaanvragen heeft ingediend. Tot slot betoogt [appellante] uitvoerig waarom een rechtsgeldige erkenning van de kinderen door [persoon] heeft plaatsgevonden en hij naar Ghanees recht dient te worden aangemerkt als de juridische vader van de kinderen. Nu reeds vóór 1 april 2003 aan alle voorwaarden voor een gewoonterechtelijke erkenning is voldaan, hebben de kinderen ingevolge artikel 4, eerste lid, van de RWN, zoals die bepaling luidde tot 1 april 2003, het Nederlanderschap verkregen, aldus [appellante].

Beoordeling

4. De minister dient bij de beslissing op een aanvraag om een paspoort vast te stellen of de desbetreffende persoon het Nederlanderschap bezit. Zoals volgt uit de tussenuitspraak van de Afdeling van 12 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4053), kan de minister niet worden gevolgd in zijn betoog ter zitting dat, nu er twijfel over bestaat of de kinderen van [appellante] het Nederlanderschap bezitten, het aan de burgerlijke rechter is om het Nederlanderschap vast te stellen.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juli 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2106) heeft de minister voor de beantwoording van de vraag of al dan niet Ghanees recht van toepassing is en op welke wijze daarmee dient te worden omgegaan terecht aansluiting gezocht bij de artikelen 100 en 101 van Boek 10 van het BW. Hoewel uit artikel 102 volgt dat die bepalingen van toepassing zijn op rechtsbetrekkingen die na 1 januari 2003 zijn vastgesteld of gewijzigd alsmede op de erkenning van na 1 januari 2003 buitenslands vastgestelde of gewijzigde rechtsbetrekkingen, is in de geschiedenis van de totstandkoming van Boek 10 van het BW (Kamerstukken II, 2009/10, 32 137, nr. 3, blz. 60-61) vermeld dat de daarin opgenomen bepalingen in belangrijke mate aansluiten bij het voor die datum bestaande ongeschreven recht.

4.2. Uit de artikelen 100 en 101 van Boek 10 van het BW volgt dat voor het erkennen van buiten Nederland tot stand gekomen familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming een onherroepelijke rechterlijke beslissing uit het desbetreffende land dan wel een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte vereist is. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] noch een onherroepelijke rechterlijke beslissing van een Ghanese rechter waarbij [persoon] als wettige vader van de kinderen wordt aangewezen, noch een door een bevoegde, Ghanese instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte waarbij het vaderschap van [persoon] is vastgesteld, heeft overgelegd. Anders dan [appellante] betoogt, kan de geboorteakte waarin zij [persoon] als vader heeft laten vermelden niet worden beschouwd als een dergelijke akte. Volgens artikel 9, sub b, van de Ghanese Registration of Births and Deaths Act bestaat een mogelijkheid tot erkenning indien de vader en de moeder ten overstaan van de Registrar samen aangifte doen van de geboorte en hij daarbij de akte samen met de moeder ondertekent, dan wel een verklaring aflegt in de voorgeschreven vorm waarin hij erkent de vader van het kind te zijn. Aangezien [persoon] niet bij de aangiften aanwezig was, is geen sprake van geboorteakten waarin het vaderschap van [persoon] is vastgesteld.

4.3. De minister kan evenwel niet worden gevolgd in zijn standpunt in zijn besluit van 21 juli 2014 dat de mogelijkheid van erkenning in Nederland van een erkenning die heeft plaatsgevonden in het buitenland zonder dat de erkenning door een ter plaatse bevoegde instantie is neergelegd in een akte, beperkt is tot landen waar geen burgerlijke stand of daarmee vergelijkbare administratie bestaat en waar een dergelijke erkenning als geldig wordt beschouwd. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 100 en 101 van Boek 10 van het BW (Kamerstukken II, 2009/10, 32 137, nr. 3, blz. 59-60) volgt, zoals ook de Hoge Raad bij arrest van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:293) heeft overwogen, dat erkenning ook kan plaatsvinden buiten het geval dat het rechtsfeit of de rechtshandeling is neergelegd in een door een bevoegde ambtenaar opgemaakte akte. Daarbij overweegt de Hoge Raad, onder verwijzing naar zijn arrest van 31 januari 1992 (ECLI:NL:HR:1992:ZC0493; NJ 1993, 261) dat hiertoe aanleiding kan bestaan als met voldoende zekerheid vaststaat dat naar buitenlands recht van het rechtsfeit of de rechtshandeling sprake is. Op degene die zich daarop beroept, rusten de stelplicht en de bewijslast ter zake. Voorts moeten er geen gronden zijn die zich tegen de erkenning verzetten.

4.4. Voor zover [appellante] betoogt dat de erkenning door [persoon] die volgens haar naar Ghanees gewoonterecht heeft plaatsgevonden in Nederland moet worden erkend, wordt als volgt overwogen.

Voor het aanmerken van een man als de juridische vader naar Ghanees recht worden als relevante feiten en omstandigheden beschouwd:

a) de vraag of een naamgevingsprocedure heeft plaatsgevonden;

b) vermelding van de vader op de geboorteakte;

c) het verzorgen en onderhouden van het kind;

d) verklaring van de moeder omtrent het vaderschap van de man.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat deze feiten en omstandigheden, die volgen uit de eerder genoemde beschikking van de rechtbank Den Haag van 10 maart 2008, cumulatief zijn.

[appellante] heeft gesteld dat een naamgevingsprocedure heeft plaatsgevonden, maar de overgelegde foto's van die rituelen en de kopieën van de bij die gelegenheden opgestelde "dedication certificates" zijn onvoldoende om dat als bewijs te ondersteunen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat daarmee niet is aangetoond dat naamgevingsprocedures hebben plaatsgevonden, nu de toetreding tot een kerkgemeenschap niet zonder meer daarmee op een lijn gesteld kan worden. Nu derhalve niet aan de eerste omstandigheid is voldaan, heeft de minister zich reeds hierom terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de wijze waarop [persoon] de kinderen heeft erkend in overeenstemming is met de regels van het Ghanese gewoonterecht. Derhalve komt geen gewicht toe aan de omstandigheid dat [appellante] als moeder toestemming heeft gegeven voor erkenning in Nederland.

4.5. Gezien het vorenstaande heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de kinderen van [appellante] niet het Nederlanderschap bezitten en heeft de minister daarom terecht het buiten behandeling stellen van de aanvragen om een nationaal paspoort bij het besluit van 21 juli 2014 gehandhaafd.

4.6. Het betoog faalt.

Conclusie

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van Deventer-Lustberg

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017

587.