Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:668

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
201605088/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:5052, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2013 heeft het college de permanente parkeervergunning van [appellant] voor parkeersector 3 ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605088/1/A3.

Datum uitspraak: 15 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 mei 2016 in zaken nrs. 14/6910 en 14/7008 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2013 heeft het college de permanente parkeervergunning van [appellant] voor parkeersector 3 ingetrokken.

Bij besluit van 28 augustus 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 mei 2016 heeft de rechtbank onder meer het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 februari 2017, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H.E. van Veeren en C.G.J. Jonkergouw, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] beschikt sinds 1 juni 2007 over een parkeervergunning om zijn auto bij zijn woning aan de [locatie] in Rotterdam te kunnen parkeren. Het college heeft de parkeervergunning ingetrokken omdat [appellant] volgens het college in een complex woont dat is gekoppeld aan een bijbehorende parkeervoorziening. Daarom heeft hij geen recht op een parkeervergunning. Ter tegemoetkoming heeft hij een tijdelijke parkeervergunning voor een jaar gekregen. In het geval er een wachtlijst is voor de desbetreffende parkeervoorziening, kan hij in aanmerking komenvoor een verlenging van de tijdelijke parkeervergunning voor een jaar, aldus het college.

2. De rechtbank heeft overwogen dat de woning van [appellant] deel uitmaakt van het appartementencomplex "Schouwhove" en dat het college op goede gronden heeft aangenomen dat de nabijgelegen parkeergarage met een ingang aan de Mauritsstraat dient te worden aangemerkt als ‘bijbehorende parkeervoorziening’ als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit parkeren Rotterdam 2014 (hierna: het Uitvoeringsbesluit 2014). Nu niet is gebleken dat [appellant] van die parkeervoorziening geen gebruik kan maken en het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt, heeft het college in redelijkheid de parkeervergunning van [appellant] kunnen intrekken, aldus de rechtbank.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de nader door het college ingediende stukken aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd, nu het bestreden besluit niet op die stukken is gebaseerd. Deze omstandigheid had in ieder geval aanleiding moeten zijn voor vernietiging van het besluit. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte de stukken als voldoende bewijs beschouwd voor het oordeel dat de parkeergarage aan de Mauritsstraat de bijbehorende parkeervoorziening is voor het appartementencomplex Schouwhove. Dit blijkt namelijk niet uit die stukken nu dat geen daartoe strekkende besluiten zijn. Bovendien blijkt uit die stukken tevens dat geen sprake is van één bouwkundig en organisatorisch complex. De stukken kunnen dan ook niet worden aangemerkt als ‘omgevings(bouw)vergunning of enig ander document’ als bedoeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit 2014, aldus [appellant].

4. Artikel 1, onder k, van het Uitvoeringsbesluit 2014 luidt:

"Bijbehorende parkeervoorziening: parkeervoorziening met gezamenlijke toegang, behorend bij of toegewezen aan een gebouw of gebouwencomplex blijkens een omgevings(bouw)vergunning of enig ander document, bestemd voor het parkeren van motorvoertuigen van eigenaren of houders, die wonen of werken in het gebouw of gebouwencomplex waarbij deze voorziening behoort of waaraan deze voorziening is toegewezen."

5. Niet in geschil is dat het college een parkeervergunning kan intrekken als blijkt dat een bewoner over een parkeerplaats in een bijbehorende parkeervoorziening kan beschikken. Het geschil spitst zich toe op de vraag of is voldaan aan de eis uit artikel 1, onder k, van het Uitvoeringsbesluit 2014, dat de koppeling tussen een parkeervoorziening en een gebouw of gebouwencomplex moet blijken uit een omgevings(bouw)vergunning of enig ander document. Uit de zinsnede ‘of enig ander document’ volgt reeds dat het document waaruit de koppeling blijkt geen door het daartoe bevoegde bestuursorgaan genomen besluit hoeft te zijn. Het tot het tegendeel strekkende betoog van [appellant] faalt.

5.1. Het betoog van [appellant] dat de parkeergarage en het appartementencomplex aan de Karel Doormanstraat geen deel uitmaken van hetzelfde bouwkundige en organisatorische complex en dat om die reden geen sprake is van een bijbehorende parkeervoorziening kan ook niet slagen. Op grond van de definitiebepaling kan namelijk niet worden geoordeeld dat slechts sprake is van een bijbehorende parkeervoorziening als het één complex van gebouwen betreft. Ter zitting heeft het college hierover nog opgemerkt dat dit in de praktijk ook niet zo is en dat de bijbehorende parkeervoorziening van sommige appartementencomplexen niet eens deel uitmaakt van hetzelfde blok gebouwen.

5.2. Het college heeft bij brief van 7 juli 2015 nadere stukken uit het Stadsarchief bij de rechtbank overgelegd. Met deze stukken, in onderlinge samenhang bezien, is voldoende onderbouwd dat het steeds de bedoeling is geweest dat de bewoners van het appartementencomplex Schouwhove in de parkeergarage zouden gaan parkeren. Hierbij wijst de Afdeling in het bijzonder op het voorstel voor verlening van de bouwvergunning voor de woningen waarop de parkeereis en de parkeergarage zijn vermeld en het advies van 23 mei 1984 over ingediende bezwaarschriften waarin diezelfde informatie is vermeld. De correspondentie met de exploitant van de parkeergarage bevestigt de stelling van het college dat de garage alleen is opengesteld voor kantoorhouders, kantoorbezoekers en huiseigenaren in de directe omgeving van de parkeergarage. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat het appartementencomplex Schouwhove aan de Karel Doormanstraat beschikt over een bijbehorende parkeervoorziening als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit 2014.

Het betoog faalt.

6. Over het betoog van [appellant] dat de rechtbank het bestreden besluit had dienen te vernietigen omdat het college pas in de beroepsprocedure nadere stukken heeft overgelegd die beweerdelijk het standpunt onderbouwen dat sprake is van een bijbehorende parkeervoorziening, overweegt de Afdeling het volgende. In het bestreden besluit staat dat de parkeergarage op de interne lijst van de afdeling Stadsbeheer als bijbehorende parkeervoorziening voor het appartementencomplex Schouwhove is vermeld. Voorts is in het bestreden besluit vermeld dat de bouw van de parkeergarage ook als zodanig nodig was om te kunnen voldoen aan de parkeernorm die in de bouwvergunningen was opgenomen. Gelet hierop bevatten de bij brief van 7 juli 2015 aan de rechtbank verzonden stukken uit het Stadsarchief waarop [appellant] doelt, geen nieuwe gezichtspunten of standpunten, maar betreft het een nadere onderbouwing van het reeds in het bestreden besluit ingenomen en gemotiveerde standpunt. De rechtbank heeft dan ook terecht hierin geen aanleiding gezien voor een vernietiging van het bestreden besluit.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, griffier.

w.g. Kramer w.g. Kuggeleijn-Jansen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017

545.