Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:663

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
201600683/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 februari 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het gebruik van een bedrijfsgebouw op het perceel [locatie 1] (hierna: het perceel) voor de huisvesting van arbeidsmigranten afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2017-0056
Milieurecht Totaal 2017/6594
JOM 2017/1349
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600683/1/A1.

Datum uitspraak: 15 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Sevenum, gemeente Horst aan de Maas,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 december 2015 in zaken nrs. 14/2915 en 14/3658 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas.

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het gebruik van een bedrijfsgebouw op het perceel [locatie 1] (hierna: het perceel) voor de huisvesting van arbeidsmigranten afgewezen.

Bij besluit van 29 juli 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 23 oktober 2014 heeft het college aan [vergunninghoudster] omgevingsvergunning verleend voor het huisvesten van maximaal 16 arbeidsmigranten in een bestaand bedrijfsgebouw op het perceel.

Bij uitspraak van 23 december 2015 heeft de rechtbank de door [appellant] tegen de besluiten van 29 juli en 23 oktober 2014 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en [vergunninghoudster] hebben schriftelijke uiteenzettingen ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2017, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Philipsen en mr. A.M. Flinsenberg, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. P.I.M. Houniet, rechtsbijstandsverlener.

Overwegingen

Inleiding

1. [vergunninghoudster] exploiteert een fruitteeltbedrijf op de percelen [locatie 2]-[locatie 1] te Sevenum en heeft een bedrijfsgebouw verbouwd voor de huisvesting van arbeidsmigranten en daarvoor in gebruik genomen. Voor deze verbouwing is destijds geen omgevingsvergunning verleend. Het college heeft op 26 september 2013 alsnog een omgevingsvergunning verleend voor de verbouwing, maar deze vergunning op 20 februari 2014 weer ingetrokken op verzoek van [vergunninghoudster]. Het college heeft vervolgens na toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bij besluit van 23 oktober 2014 opnieuw een omgevingsvergunning verleend voor de huisvesting van arbeidsmigranten op het perceel. Deze vergunning ziet op de activiteiten bouwen en brandveilig gebruik. Volgens het college en [vergunninghoudster] is de huisvesting van arbeidsmigranten in het bedrijfsgebouw in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan "Huisvesting arbeidsmigranten". [appellant] is eigenaar van het bedrijfspand op het aangrenzende perceel [locatie 3]. Volgens [appellant] is de huisvesting van arbeidsmigranten in strijd met het bestemmingsplan, omdat geen goed woon- en leefklimaat is verzekerd voor de arbeidsmigranten. Hij wijst er daarbij op het bedrijfsgebouw in de spuitzone rondom het fruitteeltbedrijf van [vergunninghoudster] ligt. Volgens [appellant] is ook sprake van rechtsongelijkheid. Het college laat bij [vergunninghoudster] de huisvesting van arbeidsmigranten toe, terwijl de gemeenteraad bij de vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie 4], [locatie 5] en [locatie 3] te Sevenum" heeft geweigerd een woonbestemming aan zijn perceel toe te kennen, omdat zijn perceel in de spuitzone rondom het bedrijf van [vergunninghoudster] ligt.

Inhoudelijk

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat bij de beoordeling of de huisvesting van arbeidsmigranten in het bedrijfsgebouw in overeenstemming is met het bestemmingsplan niet relevant is of voor de arbeidsmigranten een goed woon- en leefklimaat is verzekerd in verband met de spuitzone rondom het fruitteeltbedrijf van [vergunninghoudster]. Volgens hem is op grond van de planregels de huisvesting van arbeidsmigranten alleen toegestaan als een goed woon- en leefklimaat is verzekerd. Hij wijst daarbij op artikel 12, aanhef en onder b, van de planregels.

2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat artikel 12, aanhef en onder b, van de planregels alleen strekt ter bescherming van de belangen van derden tegen de gevolgen van de huisvesting van arbeidsmigranten.

2.2. Artikel 12 van de planregels, dat is opgenomen in Hoofdstuk 3 "Algemene regels", luidt als volgt: "Het is mogelijk op de gronden en bouwwerken behorende bij de in artikel 11 van dit plan genoemde bestemmingsplannen en beheersverordeningen met bijbehorende artikelen te gebruiken of te laten gebruiken ten behoeve van huisvesting van arbeidsmigranten, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

[…]

b. De milieusituatie;

[…]"

2.3. De Afdeling is van oordeel dat het in artikel 12, aanhef en onder b, van de planregels opgenomen vereiste alleen betrekking heeft op de gevolgen van de huisvesting van arbeidsmigranten voor de milieusituatie op andere percelen. Deze bepaling heeft derhalve geen betrekking op de gevolgen van activiteiten op een agrarisch perceel voor het woon- en leefklimaat van de arbeidsmigranten die op dat perceel worden gehuisvest. Daarbij is van belang dat bij huisvesting op agrarische percelen, zoals bedrijfswoningen, veelal sprake is van een minder goed woon- en leefklimaat dan bij burgerwoningen vanwege de hinder van het eigen agrarische bedrijf. Het mag dan ook worden aangenomen dat de planwetgever de gevolgen van de activiteiten op het agrarische perceel voor het woon- en leefklimaat van aldaar gehuisveste arbeidsmigranten aanvaardbaar heeft geacht. In artikel 12 noch in artikel 6, waarin de bestemmingsomschrijving voor huisvesting van arbeidsmigranten bij agrarische bedrijven staat, is opgenomen dat een goed woon- en leefklimaat voor de arbeidsmigranten moet zijn verzekerd. Gelet hierop zijn voor de beantwoording van de vraag of de huisvesting van arbeidsmigranten in overeenstemming is met het bestemmingsplan de gevolgen van de activiteiten van het fruitteeltbedrijf van [vergunninghoudster] voor hun woon- en leefklimaat niet van belang. Nu dit betoog van [appellant] faalt, komt de Afdeling niet toe aan de vraag of het in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) opgenomen relativiteitsvereiste in de weg zou staan aan vernietiging van de bestreden besluiten op basis van deze beroepsgrond.

3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sprake is van rechtsongelijkheid.

De Afdeling stelt vast dat de situatie bij [vergunninghoudster] en de situatie op het perceel van [appellant] niet vergelijkbaar met elkaar zijn. In dit geval is de huisvesting van arbeidsmigranten op de percelen van [vergunninghoudster] toegestaan op grond van het geldende bestemmingsplan "Huisvesting arbeidsmigranten". Op het perceel van [appellant] is echter op grond van het geldende bestemmingsplan "[locatie 4], [locatie 5] en [locatie 3] te Sevenum" geen woonfunctie toegestaan. Voor zover [appellant] deze bestemmingsplannen betwist, overweegt de Afdeling dat deze bestemmingsplannen in deze procedure niet ter beoordeling voorliggen.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bedrijfsgebouw niet voldoet aan een aantal brandveiligheidseisen. Volgens [appellant] kan hij zich op die eisen beroepen omdat hij belanghebbende is.

4.1. Vast staat dat [appellant] belanghebbende is. Dat betekent echter niet dat hij bij de bestuursrechter met succes kan opkomen voor de belangen van anderen. Op grond van artikel 8:69a van de Awb mag de bestuursrechter een besluit niet vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met deze bepaling beoogd dat appellanten bij de bestuursrechter alleen met succes kunnen opkomen voor hun eigen belangen. De Afdeling overweegt dat de brandveiligheidseisen waarop [appellant] een beroep doet strekken ter bescherming van de belangen van eigenaren en gebruikers van de gebouwen waarvoor die eisen gelden en eigenaren en gebruikers van belendende gebouwen. [appellant] is geen gebruiker of eigenaar van het bedrijfsgebouw en de gebouwen op zijn perceel staan op ruime afstand van het bedrijfsgebouw, zodat de brandveiligheidseisen kennelijk niet strekken ter bescherming van zijn belangen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan vernietiging vanwege strijd met deze eisen. De rechtbank behoefde deze beroepsgrond van [appellant] dan ook niet inhoudelijk te bespreken.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Van Driel Kluit

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017

703.