Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:662

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
201603050/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de vastgestelde zorgtoeslag van [appellant] over 2013 herzien en vastgesteld op € 493,00. Tevens is € 1.612,00 aan te veel betaalde zorgtoeslag teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603050/1/A2.

Datum uitspraak: 15 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 april 2016 in zaak nr. 15/1843 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de vastgestelde zorgtoeslag van [appellant] over 2013 herzien en vastgesteld op € 493,00. Tevens is € 1.612,00 aan te veel betaalde zorgtoeslag teruggevorderd.

Bij besluit van 27 mei 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 april 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2017, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] heeft over 2013 een voorschot zorgtoeslag ontvangen van € 2.062,00.

Bij besluit van 3 oktober 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag van [appellant] over 2013 vastgesteld op € 2.062,00. De dienst heeft dit besluit gebaseerd op een gezamenlijk toetsingsinkomen van [appellant] en zijn toeslagpartner van € 18.035,00.

Vervolgens heeft de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen (hierna: de belastinginspecteur) het verzamelinkomen van [appellant] en zijn toeslagpartner in afzonderlijke aanslagen inkomstenbelasting 2013 vastgesteld op onderscheidenlijk € 35.469,00 en € 1.576,00. Het verzamelinkomen van [appellant] omvat mede de door hem in 2013 ontvangen afkoopsommen van pensioenaanspraken.

Bij besluit van 13 maart 2015, gehandhaafd bij besluit van 27 mei 2015, heeft de Belastingdienst/Toeslagen op basis van deze door de belastinginspecteur vastgestelde verzamelinkomens de vastgestelde zorgtoeslag van [appellant] over 2013 met toepassing van artikel 20 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) herzien en vastgesteld op € 493,00. Tevens heeft de dienst € 1.612,00 aan te veel betaalde zorgtoeslag teruggevorderd.

De rechtbank heeft het beroep daartegen ongegrond verklaard.

Wettelijk kader

2. De wetsartikelen die in deze zaak van belang zijn, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Behandeling van het hoger beroep

-Verzoek behandeling van twee beroepszaken door één rechtbank

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor toewijzing van zijn verzoek om de beroepszaak over de zorgtoeslag 2013 en een beroepszaak van hem die aanhangig is bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant over de aanslag inkomstenbelasting 2013 door één rechtbank te laten behandelen.

3.1. Uit artikel 8:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) volgt dat de rechtbank een bij haar aanhangig gemaakte zaak ter verdere behandeling kan verwijzen naar de rechtbank waar een andere zaak aanhangig is gemaakt, indien naar haar oordeel behandeling van die zaken door één rechtbank gewenst is. Het is ter beoordeling van de rechtbank of zij van deze aan haar toegekende bevoegdheid gebruik maakt. [appellant] heeft geen gronden aangevoerd die leiden tot het oordeel dat de rechtbank niet tot afwijzing van zijn verzoek heeft kunnen besluiten. Dat het verzamelinkomen in de aanslag inkomstenbelasting 2013 doorwerkt naar het recht op en de hoogte van de zorgtoeslag over 2013, is daarvoor onvoldoende. Indien de procedure over de aanslag inkomstenbelasting 2013 leidt tot een wijziging van het verzamelinkomen, is de Belastingdienst/Toeslagen ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Awir gehouden de toeslag met inachtneming van die wijziging te herzien.

Het betoog faalt.

-Bepaling draagkracht en afkoopsommen pensioenaanspraken

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN0487), heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen bij het bepalen van de draagkracht het door de belastinginspecteur in de aanslag inkomstenbelasting vastgestelde verzamelinkomen moet volgen. [appellant] voert aan dat die uitspraak betrekking heeft op een geval waarin het verzamelinkomen de in een bedrag om niet omgezette leenbijstand omvat. Aangezien in zijn geval het verzamelinkomen afkoopsommen van pensioenaanspraken omvat die bestemd zijn voor een latere periode, had de dienst bij de bepaling van de draagkracht voor de zorgtoeslag over 2013 die afkoopsommen buiten beschouwing moeten laten. [appellant] verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 april 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1436), waarin is overwogen dat een afkoopsom van een ouderdomspensioen in de zin van de Pensioenwet geacht moet worden bestemd te zijn voor de periode na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, omdat een pensioen is bedoeld als aanvulling op het AOW-pensioen. Gezien deze bestemming van de afkoopsommen, is het volgens [appellant] onjuist dat die worden meegenomen in het verzamelinkomen over 2013 en aldus leiden tot een lagere zorgtoeslag over dat jaar.

4.1. Uit artikel 1, tweede lid, van de Wet op de zorgtoeslag (hierna: Wzt) volgt dat het recht op en de hoogte van de zorgtoeslag afhankelijk is van de draagkracht. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3498, en 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1321 en voormelde uitspraak van 7 juli 2010) is de Belastingdienst/Toeslagen op grond van artikel 7, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8, eerste lid, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder o, van de Awir, bij de bepaling van de draagkracht gehouden het verzamelinkomen zoals door de belastinginspecteur in de aanslag inkomstenbelasting is vastgesteld, tot uitgangspunt te nemen. De toepasselijke regelgeving voor de zorgtoeslag biedt geen grondslag om een inkomensbestanddeel buiten beschouwing te laten. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 25 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX2566) en 14 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3324). Voorts bevat de Awir geen hardheidsclausule die deze mogelijkheid biedt. Dit betekent dat de Belastingdienst/Toeslagen niet de mogelijkheid heeft om de door [appellant] in 2013 ontvangen afkoopsommen van pensioenaanspraken bij de bepaling van de draagkracht voor de zorgtoeslag over 2013 buiten beschouwing te laten. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen bij de bepaling van de draagkracht het verzamelinkomen zoals dat door de belastinginspecteur in de aanslag inkomstenbelasting is vastgesteld, moet volgen.

De door [appellant] aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 april 2016 leidt niet tot een ander oordeel. Die uitspraak heeft betrekking op een uitkering van [appellant] op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Anders dan de regelgeving voor die uitkering, kent de regelgeving voor de zorgtoeslag niet een kennelijke onredelijkheidstoets op basis waarvan zou kunnen worden beoordeeld of het in aanmerking nemen van de afkoopsommen van pensioenaanspraken bij de bepaling van de draagkracht voor de zorgtoeslag tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt. Uit die uitspraak van de Centrale Raad van Beroep kan dan ook niet worden afgeleid dat de dienst bij de bepaling van de draagkracht voor de zorgtoeslag, in afwijking van de voor die toeslag geldende regelgeving, de afkoopsommen van pensioenaanspraken buiten beschouwing had moeten laten.

Het voorgaande laat onverlet dat indien het door [appellant] ingezette rechtsmiddel tegen de aanslag inkomstenbelasting 2013 slaagt en het verzamelinkomen wordt verminderd met de afkoopsommen, de Belastingdienst/Toeslagen op grond van artikel 20, eerste lid, van de Awir de zorgtoeslag over 2013 dient te herzien met inachtneming van het aldus gewijzigde verzamelinkomen. Daarbij betaalt de dienst ook rente uit, indien daarvoor aanleiding is. Vergelijk de uitspraak van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3498.

4.2. Het betoog faalt.

-Beroep op artikel 6, eerste lid, van het EVRM en artikel 8:66 van de Awb

5. [appellant] betoogt dat in deze zaak geen met behoorlijke waarborgen omklede rechtsgang openstaat als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Hij voert daartoe aan dat hij na bezwaar en beroep ook in hoger beroep het in aanmerking nemen van de afkoopsommen van pensioenaanspraken bij het verzamelinkomen niet ter beoordeling aan de rechter kan voorleggen.

5.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. Tegen de aanslag inkomstenbelasting 2013 en het daarin vastgestelde verzamelinkomen staat voor [appellant] een andere rechtsgang open dan de onderhavige en daarvan maakt hij ook gebruik. Die rechtsgang voldoet aan de eisen die artikel 6, eerste lid, van het EVRM daaraan stelt. Blijkens de door hem overgelegde stukken heeft hij in die andere procedure het in aanmerking nemen van de afkoopsommen van pensioenaanspraken bij het verzamelinkomen ter beoordeling aan de rechter voorgelegd. Dat hij dat niet in deze procedure kan, levert daarom geen strijd met artikel 6, eerste lid, van het EVRM op.

Het betoog faalt.

6. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank artikel 8:66 van de Awb heeft geschonden door na zitting een half jaar te laten verstrijken tot het doen van een uitspraak, kan niet tot het oordeel leiden dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. De in dat artikel gestelde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak door de rechtbank is een termijn van orde, zodat aan het overschrijden daarvan geen gevolgen zijn verbonden.

7. Voor zover [appellant] bedoelt te betogen dat de rechtbank de in artikel 6, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde redelijke termijn heeft overschreden, faalt dat betoog evenzeer. In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, heeft voor de berechting van een zaak in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechter in eerste aanleg niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van een eventuele bezwaarschriftprocedure inbegrepen. In dit geval zijn sinds de ontvangst door de Belastingdienst/Toeslagen van het bezwaarschrift van [appellant] tegen het besluit van 13 maart 2015 op 16 maart 2015 tot de uitspraak van de uitspraak van de rechtbank op 1 april 2016 nog geen twee jaar verstreken. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat de rechtbank de ordetermijn van artikel 8:66 van de Awb heeft overschreden. Aan die omstandigheid kan niet de gevolgtrekking worden verbonden dat de eerdergenoemde redelijke termijn is overschreden. Het verzoek van [appellant] om een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt daarom afgewezen.

-Beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM

8. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van 13 maart 2015 geen inbreuk op het door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM beschermde eigendomsrecht oplevert. Door de afkoopsommen van pensioenaanspraken in aanmerking te nemen bij de bepaling van de draagkracht, heeft hij aanspraak op een lagere zorgtoeslag. Op die manier worden zijn afkoopsommen opgesoupeerd door de overheid, terwijl die zijn bedoeld als een inkomensvoorziening voor later, aldus [appellant].

8.1. In artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM is bepaald dat, voor zover hier van belang, iedere natuurlijke of rechtspersoon recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom.

Bij besluit van 13 maart 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de vastgestelde zorgtoeslag van [appellant] over 2013 herzien en lager vastgesteld en te veel betaalde zorgtoeslag teruggevorderd. De herziening heeft aldus geleid tot een terugbetalingsverplichting en daarmee vindt inmenging in het eigendomsrecht plaats, bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Een dergelijke inmenging kan in het algemeen belang gerechtvaardigd zijn, mits zij tevens bij de wet is voorzien en evenredig is aan het gestelde doel. In dit geval is het algemeen belang gelegen in een juiste besteding van gemeenschapsgelden. De inmenging is voorts bij wet voorzien. Zij gaat niet verder dan het doel vereist. Niet kan worden ontkend dat de afkoopsommen de draagkracht van [appellant] in het onderhavige jaar hebben vergroot. Hij kon immers vrij over die afkoopsommen beschikken. Daarmee is de terugbetalingsverplichting een rechtstreeks gevolg van de door de afkoopsommen vergrote draagkracht van [appellant]. Aan de omstandigheid dat [appellant] een met de afkoopsommen corresponderend deel van zijn inkomen wenste te reserveren als een inkomensvoorziening voor later komt in dit verband geen betekenis toe. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX3915. Gelet op het voorgaande is er geen grond voor het oordeel dat de dienst met zijn besluitvorming in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM heeft gehandeld. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen.

Het betoog faalt.

-Afzien van horen in bezwaar

9. [appellant] betoogt tot slot tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen ten onrechte van het horen in bezwaar heeft afgezien. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 28 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH1142), vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure. Van horen mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb slechts worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. De beslissing om die bepaling toe te passen dient te worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd. Gelet op wat [appellant] in het bezwaarschrift, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, naar voren heeft gebracht over het buiten beschouwing laten van afkoopsommen van pensioenaanspraken bij de toepassing van andere regelgeving dan de Wtz en de gestelde strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, was er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk dat die gronden niet tot de conclusie zouden leiden dat de Belastingdienst/Toeslagen de afkoopsommen bij de bepaling van de draagkracht voor de zorgtoeslag buiten beschouwing had moeten laten. Gelet daarop heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen van het horen van [appellant] mocht afzien.

-Slotoverwegingen

10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. R.J. Koopman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Jansen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017

609.

BIJLAGE

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 6

1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. (…).

(…).

Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 1

Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

Wet op de zorgtoeslag

Artikel 1

1. (…)

2. De hoogte van de zorgtoeslag is afhankelijk van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen.

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 2

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, wordt verstaan onder:

(…)

o. inkomensgegeven: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

(…).

Artikel 7

1. Ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

(…).

Artikel 8

1. Toetsingsinkomen is: het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.

(…).

Artikel 20

1. Indien na de toekenning van de tegemoetkoming uit een eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging van een inkomensgegeven of niet in Nederland belastbaar inkomen blijkt dat de tegemoetkoming tot een te hoog of te laag bedrag is toegekend, herziet de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming met inachtneming van die eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging.

(…).