Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:660

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
201603822/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 10 april 2015 heeft het college een aantal vragen van [appellant] beantwoord, aan hem medegedeeld dat zijn verzoeken geen verzoeken zijn als bedoeld in de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) en het verzoek om vaststelling van dwangsommen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603822/1/A3.

Datum uitspraak: 15 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 15 april 2016 in zaak nr. 15/3236 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Stede Broec.

Procesverloop

Bij brief van 10 april 2015 heeft het college een aantal vragen van [appellant] beantwoord, aan hem medegedeeld dat zijn verzoeken geen verzoeken zijn als bedoeld in de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) en het verzoek om vaststelling van dwangsommen afgewezen.

Bij besluit van 11 juni 2015, kenmerk 596530, heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 april 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 juni 2015 vernietigd en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 februari 2017, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door J.A. Wammes, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. In september 2008 heeft het college spoedeisende bestuursdwang toegepast vanwege een gevaarlijke situatie met de ammoniakkoelcentrale en ammoniakopslag in het voormalige bedrijf van [appellant]. Over de juridische kwalificatie en noodzaak van eventuele vervolgbesluiten na dit ingrijpen verschillen [appellant] en het college van mening. Het betreft met name het al dan niet verhalen van de bij de bestuursdwang gemaakte kosten en doorgeven van belangrijke milieu-informatie aan de politie, het niet tijdig afhandelen van verzoeken van [appellant] om informatie en in verband daarmee al dan niet verbeurde dwangsommen. Deze onderwerpen zullen hierna achtereenvolgens worden behandeld, waarna ook nog zal worden ingegaan op het betoog van [appellant] dat zijn beroep op betalingsonmacht ten onrechte is afgewezen.

Verhaal van kosten

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet bevoegd is een oordeel te geven over het afzien van kostenverhaal, nu daartoe geen besluit is genomen. Het afzien van kostenverhaal is ook een besluit waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend, aldus [appellant].

2.1. De Afdeling overweegt dat uit verschillende brieven van [appellant] volgt dat hij het college heeft verzocht alsnog te besluiten tot het overgaan van kostenverhaal. Bij brief van 10 april 2015 heeft het college hem nogmaals laten weten daarvoor geen aanleiding te zien. Vaststaat dat het besluit van 11 juni 2015 op [appellant]s tegen die mededeling ingebrachte bezwaar in ieder geval een besluit is. Tegen dit besluit kon [appellant] beroep instellen en de rechtbank was ook bevoegd daarover te oordelen. De rechtbank is dan ook ten onrechte in haar overwegingen tot het oordeel gekomen dat zij onbevoegd is over dit besluit een oordeel te geven.

Het betoog slaagt. De Afdeling stelt echter vast dat [appellant] geen belanghebbende zou zijn bij een besluit tot kostenverhaal omdat dit besluit niet tot hem zou zijn gericht en ook overigens niet is gebleken van enig rechtstreeks en eigen belang van [appellant] bij een dergelijk besluit. Hieruit volgt dat hij ook geen belanghebbende zou zijn bij een besluit om van kostenverhaal af te zien. Gelet hierop kan het verzoek van [appellant] niet worden aangemerkt als een aanvraag en de brief van 10 april 2015 in zoverre niet als een besluit. Het college heeft het tegen deze brief gerichte bezwaar dan ook ten onrechte ongegrond verklaard. Het bezwaar had in zoverre niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Doorsturen van milieu-informatie

3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het feit dat het college bepaalde informatie niet heeft doorgegeven aan de politie geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Die informatie was al bij brief van 3 juli 2012 aan de gemeente doorgegeven en hierop is de last onder bestuursdwang onder meer gebaseerd. Tegen het niet doorgeven van die informatie kan hij derhalve ook in rechte opkomen, aldus [appellant].

3.1. De rechtbank heeft overwogen dat het feit dat het college de informatie uit de brief van [appellant] van 3 juli 2012 niet heeft doorgegeven aan de politie geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Zij is dan ook niet bevoegd hierover te oordelen, aldus de rechtbank.

3.2. [appellant] heeft in zijn brief van 28 april 2015 onder meer bezwaar heeft gemaakt tegen een feitelijk handelen in dit kader. Het college heeft hierop bij brief van 11 juni 2015 geantwoord. Het feit dat het college de desbetreffende milieu-informatie niet heeft doorgegeven aan de politie, houdt een weigering tot feitelijk handelen in die niet op publiekrechtelijk rechtsgevolg is gericht. Van een besluit, als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, is dan ook geen sprake. De Afdeling stelt vast dat het besluit van 11 juni 2015 op [appellant]s tegen de mededeling van het college ingebrachte bezwaar in ieder geval ook in zoverre een besluit is. Tegen dit besluit kon [appellant] beroep instellen en de rechtbank was ook bevoegd daarover te oordelen. De rechtbank is dan ook ten onrechte in haar overwegingen tot het oordeel gekomen dat zij onbevoegd is over dit besluit een oordeel te geven.

Het betoog slaagt. De Afdeling stelt gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen echter vast dat het college het tegen deze brief gerichte bezwaar ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Het bezwaar had in zoverre niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Verzoeken om informatie en vaststellen dwangsommen

4. [appellant] betoogt dat zijn brieven ten onrechte niet als verzoeken en ingebrekestellingen als bedoeld in de Wob, zijn aangemerkt. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat hij in die brieven niet om documenten, maar om informatie heeft verzocht. Daarbij is de rechtbank ten onrechte eraan voorbij gegaan dat hij al bij brief van 3 juli 2012 om bepaalde informatie en bewijsstukken heeft verzocht. De rechtbank is gelet hierop ten onrechte tot het oordeel gekomen dat zijn bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, aldus [appellant].

4.1. De rechtbank heeft overwogen dat de brief van 21 juni 2014 niet kan worden aangemerkt als een Wob-verzoek, dat gelet daarop ook geen beslistermijnen zijn verstreken en dat dus ook geen dwangsommen zijn verbeurd.

4.2. Artikel 3, eerste lid, van de Wob, luidt:

"Een ieder kan een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan […]."

4.3. De brief van 21 juni 2014 heeft als onderwerp "voorgestelde bespreking met wethouder N. Slagter" en begint met een beschrijving van een eerder gevoerd telefoongesprek met die wethouder waarbij onder meer de volgende zin is vermeld:

"We spraken af dat u het bewijsstuk dat de vordering van de gemeente bij de curator is ingediend aan mij opstuurt".

Vervolgens wordt in die brief vermeld dat [appellant] in verband met de beoordeling of een klacht tegen de milieupolitie noodzakelijk is, nog enige vragen heeft. Als vraag is daarbij het volgende vermeld:

"Mijn vraag is dan ook of de gemeente de milieupolitie op de hoogte heeft gesteld van de navolgende correspondentie betreffende de brand, gifgaswolken en sloopgevaren rond de leegsloop zoals benoemd in mijn verzoek 2 van 3 juli 2012?"

In de brief wordt nog uiteengezet hoe belangrijk het voor [appellant] is om te kunnen beschikken over complete informatie in verband met diverse procedures in de nasleep van het faillissement van zijn bedrijf en eindigt vervolgens met het voorstel de geplande bespreking uit te stellen.

4.4. [appellant] refereert in zijn brief niet aan de Wob, noch aan openbaarmaking in de zin van die wet van de gevraagde gegevens. Gelet op de omschrijving van de vragen en de omstandigheid dat de vragen zijn gesteld met het oog op andere procedures, heeft de rechtbank zich terecht op het standpunt gesteld dat in de brief van [appellant] geen verzoek op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wob en evenmin een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is vervat. Het feit dat [appellant] vervolgens in zijn brief van 24 november 2014 heeft vermeld dat hij van mening is dat op grond van de Wob dwangsommen zijn verbeurd, maakt niet dat de brief van 21 juni 2014 alsnog als een Wob-verzoek moet worden aangemerkt. De reactie van het college op deze brief is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en daarop zijn dan ook niet de beslistermijnen van de Awb en de Wob van toepassing. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college het bezwaar van [appellant] in zoverre niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

Het betoog van [appellant] dat zijn brief als een Wob-verzoek moet worden aangemerkt, faalt.

4.5. Uit de vorige overweging volgt dat de brief van 21 juni 2014 geen Wob-verzoek is. De brief van 24 november 2014 is dan ook geen ingebrekestelling. Dit laat echter onverlet dat de beslissing van het college op het verzoek van [appellant] om vast te stellen hoeveel dwangsommen zijn verbeurd, wel een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. Gelet hierop heeft de rechtbank in zoverre ten onrechte zelf voorziend het bezwaar van [appellant] op dit punt niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog slaagt.

Beroep op betalingsonmacht

5. [appellant] betoogt voorts dat zijn beroep op betalingsonmacht ten onrechte is afgewezen.

5.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 7 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3343) kan in gevallen waarin heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang, worden aangenomen dat de betrokkene met het achterwege laten van betaling van griffierecht niet in verzuim is.

5.2. De in 5.1 bedoelde situatie is aan de orde bij een rechtzoekende, zijnde een natuurlijk persoon, van wie aannemelijk is dat hij - op de datum waarop het griffierecht uiterlijk op de rekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven, dan wel ter griffie moet zijn gestort - beschikt over een netto-inkomen dat minder bedraagt dan 90 procent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, en voorts geen vermogen heeft waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Per 1 januari 2016 lag dit bedrag op € 875,43 per maand. Uit de door [appellant] overgelegde stukken blijkt dat hij maandelijks, inclusief vakantiegeld, een uitkering ontvangt die dat bedrag te boven gaat. Dit heeft [appellant] ter zitting niet weersproken. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het beroep op betalingsonmacht ten onrechte is afgewezen.

Het betoog faalt.

Conclusie

6. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bezwaar van [appellant] voor zover gericht tegen het niet verhalen van kosten, het niet doorsturen van milieu-informatie en het niet aanmerken van zijn brief als Wob-verzoek niet-ontvankelijk verklaren en het bezwaar van [appellant] voor zover gericht tegen de beslissing van het college dat geen dwangsommen zijn verbeurd ongegrond verklaren. Dit betekent dat de gegrondverklaring van het beroep van [appellant] en de vernietiging van het bestreden besluit door de rechtbank en de door de rechtbank opgedragen vergoeding van het door [appellant] betaalde griffierecht in stand blijven.

Proceskostenveroordeling

7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 15 april 2016 in zaak nr. 15/3236, voor zover daarbij het bezwaar van [appellant] geheel niet-ontvankelijk is verklaard;

III. verklaart het bezwaar van [appellant] voor zover gericht tegen het niet verhalen van kosten, het niet doorsturen van milieu-informatie en het niet aanmerken van zijn brief als Wob-verzoek niet-ontvankelijk;

IV. verklaart het bezwaar van [appellant] voor zover gericht tegen het besluit van 10 april 2015 waarbij het college heeft geweigerd dwangsommen vast te stellen ongegrond;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Stede Broec aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 251,00 (zegge: tweehonderdeenenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, griffier.

w.g. Kramer w.g. Kuggeleijn-Jansen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017

545.