Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:66

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
201605075/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 september 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605075/1/V3.

Datum uitspraak: 12 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 9 juni 2016 in zaak nr. 15/22030 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 14 december 2015 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 juni 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.W.J. van der Meer, advocaat te Dordrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling, die de Armeense nationaliteit heeft, heeft geen rechtmatig verblijf en kan daarom worden uitgezet. De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend om te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft wegens haar gezondheidstoestand. Het geschil gaat erover of de psychiatrische thuiszorg, die de vreemdeling thans in Nederland ontvangt, in het land van herkomst aanwezig is en of het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 14 augustus 2015 (hierna: het BMA-advies) op dit punt inzichtelijk is.

2. De staatssecretaris klaagt in de eerste grief, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het BMA-advies niet inzichtelijk is en dat hij zich ervan had moeten vergewissen of psychiatrische thuiszorg daadwerkelijk in Armenië aanwezig is. Daartoe voert de staatssecretaris, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:228, aan dat bij de vraag naar de behandelmogelijkheden in het land van herkomst niet het uitgangspunt is dat die behandeling aldaar volledig moet overeenkomen met die in Nederland. Volgens de staatssecretaris dient beoordeeld te worden of de in het land van herkomst aanwezige behandelmogelijkheden toereikend zijn om een medische noodsituatie te voorkomen dan wel te behandelen.

De staatssecretaris klaagt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het BMA-advies naar wijze van totstandkoming en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat uit de aan het BMA-advies ten grondslag gelegde brongegevens (Medical Country of Origin Information) van 10 juli 2015 en weergegeven in brondocument BMA 6967 (hierna: het brondocument) nader is toegelicht dat de psychiatrische thuiszorg niet in Armenië aanwezig is, zodat geen aanleiding bestaat om op dit punt aanvullend advies in te winnen bij het BMA. Het BMA heeft, door te vermelden dat in Armenië ambulante en klinische psychiatrische behandeling, begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige en crisisbehandeling mogelijk zijn, de voor de vreemdeling noodzakelijke behandeling toereikend geacht om een medische noodsituatie te voorkomen, aldus de staatssecretaris.

2.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 13 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0794) strekt, indien en voor zover de staatssecretaris een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een daartoe strekkende beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

2.2. Het BMA heeft op 14 augustus 2015 aan de staatssecretaris een advies uitgebracht over de medische situatie van de vreemdeling. Het BMA-advies vermeldt dat, voor zover hier van belang, bij de vreemdeling sprake is van psychische klachten die voortkomen uit een depressieve stoornis van matige ernst, een psychotische stoornis NAO (niet anderszins omschreven) en een chronische posttraumatische stressstoornis. De medische behandeling van de vreemdeling bestaat uit farmacotherapie en gesprekstherapie en zorg in de thuissituatie (psychiatrische thuiszorg en huisbegeleiding). Volgens het BMA-advies is bij uitblijven van behandeling een medische noodsituatie te verwachten vanwege de toename van de klachten, waarbij het ontstaan of toename van suïcidaliteit mogelijk is. Niet kan worden uitgesloten dat de vreemdeling overgaat tot een concrete daad. Het BMA vermeldt dat uit het brondocument blijkt dat behandeling voor de psychische klachten (ambulant en klinisch) mogelijk is in diverse instellingen, bijvoorbeeld "Avan" mental health center (Yerevan city psychiatric dispensary) te Yerevan. Begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige is aldaar ook mogelijk. Verder zijn er ook mogelijkheden voor crisisbehandeling. Bij voldoende stabilisatie zijn er in Armenië ook mogelijkheden voor traumagerichte behandeling, die thans overigens (ook) nog niet plaatsvindt.

In het brondocument is het volgende vermeld:

"Psychiatric treatment: assisted living/care at home by psychiatric nurse is not available in "Avan" mental health center (Yerevan city psychiatric dispensary).

(….)

Psychiatric nurse care at home is not available. Psychiatric nurses working in psychiatric dispensaries (inpatient-outpatient regional facilities) provide mainly follow-up and counselling, and maybe some care but not on regular basis. It is partially available in Yerevan (with compact population in a compact area) where "Avan" mental health center which is functioning as a city psychiatric dispensary has in staff district psychiatrists and psychiatric nurses. In regions where many administrative units are localized far from regional psychiatric dispensaries (in Gumri, Vanadzor, Kapan cities) such service is practically impossible".

2.3. Uit het aan het BMA-advies ten grondslag gelegde brondocument volgt dat thuiszorg door psychiatrisch verpleegkundigen, zoals de vreemdeling die thans in Nederland ontvangt, voor haar in Armenië niet aanwezig is. Hoewel in het BMA-advies niet expliciet is ingegaan op de mogelijkheid tot voortzetting van de huidige behandeling van de vreemdeling, is het BMA wel ingegaan op de aanwezigheid van - alternatieve - behandeling in Armenië. De staatssecretaris voert terecht aan dat de enkele omstandigheid dat de vreemdeling in Armenië andere zorg zal ontvangen, niet betekent dat de medische behandeling aldaar niet voorhanden is.

De in Armenië aanwezige psychiatrische zorg, te weten ambulante en klinische behandeling, begeleiding door een psychiatrische verpleegkundige en een mogelijke crisisbehandeling, is volgens het BMA-advies toereikend om te voorkomen dat de vreemdeling op korte termijn in een medische noodsituatie komt te verkeren. De vreemdeling heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft, gezien het vorenstaande, niet onderkend dat het BMA-advies voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is, zodat de staatssecretaris dat terecht aan het besluit van 14 december 2015 ten grondslag heeft gelegd.

De grief slaagt.

3. De staatssecretaris klaagt in de tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de door de vreemdeling in beroep overgelegde brief van de behandelaars van 9 november 2015, welke volgens de rechtbank kan worden gezien als een nadere onderbouwing van de in bezwaar genoemde tentamen suïcide op 14 oktober 2015, aan het BMA had moeten voorleggen voor een nader advies.

3.1. De rechtbank heeft in de brief van 9 november 2015 ten onrechte aanleiding gezien voor het oordeel dat de staatssecretaris deze brief aan het BMA had moeten voorleggen. Uit het BMA-advies blijkt dat het BMA de ernst van de psychische klachten en de suïcidaliteit van de vreemdeling reeds heeft beoordeeld in relatie tot de medische noodsituatie. Dat de thuisbegeleiding is geïntensiveerd na de in de nadere gronden van bezwaar genoemde tentamen suïcide van 14 oktober 2015, doet niet af aan de inhoud van de conclusie van het BMA over de medische noodsituatie en de aanwezigheid van de voor de vreemdeling benodigde behandeling in Armenië, zoals hiervoor onder 2.3. is overwogen.

Ook deze grief slaagt.

4. Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Ten aanzien van het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 14 december 2015 overweegt de Afdeling dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, wordt aan deze beroepsgronden niet toegekomen. Over die beroepsgronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die beroepsgronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop deze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geschil.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 9 juni 2016 in zaak nr. 15/22030;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Van Roosmalen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2017

53.