Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:642

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
201601577/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 6 februari 2016 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601577/1/V2.

Datum uitspraak: 13 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 24 februari 2016 in zaken nrs. 16/2154, 16/2158 en 16/2161 in het geding tussen:

[vreemdeling 1], [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3] (tezamen hierna: de vreemdelingen),

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 6 februari 2016 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 24 februari 2016 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. I.M. van Kuilenburg, advocaat te 's-Hertogenbosch, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. De vreemdelingen hebben de nationaliteit van Bosnië en Herzegovina en behoren tot de Roma-bevolkingsgroep. Aan hun aanvragen hebben zij, samengevat weergegeven, ten grondslag gelegd dat zij in het verleden wegens hun Roma-afkomst stelselmatig zijn lastiggevallen en uitgescholden. Op 20 oktober 2015 zijn vreemdelingen 1 en 2 door vijf personen, onder wie [persoon] met wie zij problemen hebben, aangevallen. Hierbij is vreemdeling 1 met een mes gestoken en bewusteloos geslagen. Vreemdeling 2 is toen in elkaar geslagen en verkracht. Bij deze aanval heeft de Roma-afkomst van de vreemdelingen een rol gespeeld.

De gebeurtenissen die de vreemdelingen in zoverre hebben gesteld heeft de staatssecretaris geloofwaardig geacht. Hij heeft de aanvragen desondanks afgewezen. Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris, gelet op de informatie over de positie van Roma die is opgenomen in de door de staatssecretaris en de vreemdeling aangehaalde stukken, ondeugdelijk gemotiveerd dat de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina in het algemeen doeltreffende bescherming bieden tegen de door hem geloofwaardig geachte problemen van de vreemdelingen.

Hoger beroep

2. In zijn grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vreemdelingen niet hebben bestreden dat Bosnië en Herzegovina in het algemeen als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. Voorts heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris niet onderkend dat hij aan zijn standpunt dat Bosnië en Herzegovina ook voor de vreemdelingen als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt niet alleen heeft gewezen op de lijst van veilige landen van herkomst. Hij heeft deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdelingen tegen hun geloofwaardig geachte problemen de bescherming van de autoriteiten kunnen inroepen. De vreemdelingen hebben niet onderbouwd dat zij als Roma dusdanig worden gediscrimineerd dat zij op grond daarvan als vluchteling moeten worden aangemerkt. Voorts hebben zij nagelaten bescherming van de autoriteiten tegen de geloofwaardig geachte problemen in te roepen, aldus de staatssecretaris.

2.1. Uit de zienswijze en het beroepschrift van de vreemdelingen blijkt dat het geschil zich, zoals de staatssecretaris terecht heeft aangevoerd, heeft toegespitst op de vraag of de vreemdelingen aannemelijk hebben gemaakt dat Bosnië en Herzegovina in hun geval, wegens de door hen ondervonden problemen die te maken hebben met hun Roma-afkomst, niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd.

2.2. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat in hun geval geen bescherming kan worden geboden tegen hun geloofwaardig geachte problemen die verband houden met hun Roma-afkomst, reeds omdat zij zich niet tot de autoriteiten hebben gewend om daartegen bescherming te vragen, terwijl dit wel van hen verwacht mocht worden. Anders dan de vreemdelingen hebben aangevoerd, volgt uit de door hen en door de staatssecretaris aangehaalde stukken, waaronder het rapport van Human Rights Watch, 'World Report 2016 - Bosnia and Herzegovina' van 27 januari 2016 en het rapport van de Europese Commissie van 10 november 2015 niet dat Roma, hoewel zij wel de meest kwetsbare groep vormen, stelselmatig gediscrimineerd worden. Dat in het rapport van de Europese Commissie wordt gesproken over het gemis van effectieve kosteloze rechtsbijstand, impliceert bovendien niet dat bepaalde groepen, waaronder Roma, geen toegang hebben tot betaalde rechtsbijstand. Uit die stukken kan dus niet worden afgeleid dat de vreemdelingen bij eventuele problemen geen bescherming kunnen vragen van de autoriteiten. De vreemdelingen hebben niet aannemelijk gemaakt dat in hun geval die bescherming niet wordt geboden. De staatssecretaris heeft aan zijn standpunt voorts terecht ten grondslag gelegd dat uit rapport van Human Rights Watch blijkt dat de problemen die Roma kunnen hebben bij toegang tot publieke diensten, zoals gezondheidszorg, samenhangen met de omstandigheid dat veel Roma niet ingeschreven zijn in het nationale bevolkingsregister. De autoriteiten hebben echter aan de vreemdelingen officiële documenten verstrekt, waaruit kan worden afgeleid dat zij toegang hadden tot publieke diensten en waaruit kan worden afgeleid dat niet aannemelijk is dat zij niet zijn ingeschreven in het bevolkingsregister. Ook overigens volgt uit de verklaringen van de vreemdelingen niet dat zij als Roma in die mate gediscrimineerd zijn dat zij voor asielrechtelijke bescherming in Nederland in aanmerking komen. De grieven slagen.

Conclusie

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van de vreemdelingen tegen de besluiten van 6 februari 2016 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 24 februari 2016 in zaken nrs. 16/2154, 16/2158 en 16/2161;

III. verklaart de in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.

w.g. Verheij w.g. Yildiz

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2017

594.