Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:641

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
201608479/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, de vreemdeling opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2017/213 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608479/1/V2.

Datum uitspraak: 10 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 4 november 2016 in zaak nr. NL16.2598 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, de vreemdeling opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 november 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd voor zover daarin is bepaald dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten en tegen de vreemdeling een inreisverbod is uitgevaardigd, en het besluit voor het overige in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.R. Nohar, advocaat te Lemmer, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. De staatssecretaris heeft de asielaanvraag met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 als kennelijk ongegrond afgewezen. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de vreemdeling afkomstig is uit India, dat door hem bij ministeriële regeling van 10 februari 2016, nummer 732095 (Stcrt. 2016, 8083; hierna: de regeling van 10 februari 2016) is aangewezen als veilig land van herkomst, en niet aannemelijk heeft gemaakt dat India voor hem geen veilig land van herkomst is.

De rechtbank heeft de regeling van 10 februari 2016 onverbindend verklaard voor zover India daarbij door middel van een wijziging van bijlage 13 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 is aangemerkt als veilig land van herkomst en heeft daarom het besluit vernietigd voor zover daarin is bepaald dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten en een inreisverbod tegen hem is uitgevaardigd. Hierover gaat het geschil in hoger beroep.

De vreemdeling heeft geen hoger beroep ingesteld en daarom niet het oordeel bestreden dat hij zijn problemen niet aannemelijk heeft gemaakt.

1.1. Bij uitspraak van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2474 (onder 3.1. tot en met 3.5.), is de Afdeling op het rechtskarakter en de toetsing van de regeling ingegaan en heeft zij de vereisten voor het aanwijzen van een land als veilig land van herkomst uiteengezet. De Afdeling heeft overwogen dat voor een dergelijke aanwijzing als norm geldt dat in het desbetreffende land algemeen gezien en op duurzame wijze geen vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en de Kwalificatierichtlijn (Richtlijn 2011/95/EU; PB 2011 L 337), of behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) plaatsvindt. De staatssecretaris moet aan de hand van informatiebronnen onderzoeken en beoordelen of in dat land wet- en regelgeving bestaat die vorenbedoelde vervolging en behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM verbiedt en het voor de autoriteiten mogelijk maakt hiertegen bescherming te bieden (de juridische situatie), en of die wet- en regelgeving in de praktijk wordt toegepast en bescherming dus ook feitelijk wordt geboden (de feitelijke situatie). Bij uitspraak van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:209 (onder 5.3. en 5.4.), is de Afdeling nader ingegaan op het onderzoek naar en de beoordeling van een land als veilig land van herkomst. De Afdeling verwijst hier kortheidshalve naar.

Grief

2. De staatssecretaris klaagt in zijn grief dat de rechtbank ten onrechte de regeling van 10 februari 2016 wat betreft India onverbindend heeft verklaard. Hij betoogt hiertoe dat de rechtbank, nu zij alleen acht heeft geslagen op de door hem in zijn motivering weergegeven misstanden in de feitelijke situatie in India, ten onrechte de overige motivering voor de aanmerking van India als veilig land van herkomst buiten beschouwing heeft gelaten. Uit die motivering kan worden afgeleid dat de wet- en regelgeving in India in de praktijk wordt toegepast en bescherming feitelijk wordt geboden, waardoor India algemeen gezien een veilig land van herkomst is, aldus de staatssecretaris.

2.1. De staatssecretaris heeft de aanmerking van India als veilig land van herkomst gemotiveerd in de eerste bijlage van zijn brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 9 februari 2016 (Kamerstukken II, 2015/16, 19 637, nr. 2123). Die motivering heeft hij in zijn verweerschrift in beroep aangevuld, door de feitelijke en juridische situatie in India naar aanleiding van de beroepsgronden nader toe te lichten onder verwijzing naar onder meer de rapporten 'Country information and guidance: India: Background information, including actors of protection, and internal relocation' van het UK Home Office van februari 2016 en 'India 2014 Human Rights Report' van het US State Department. De vreemdeling heeft hierop gereageerd.

2.2. De Afdeling ziet in de totstandkoming van de regeling en de motivering over de juridische situatie in India geen aanleiding de regeling van 10 februari 2016 onverbindend te verklaren.

2.3. De rechtbank heeft de regeling van 10 februari 2016 onverbindend verklaard omdat niet duidelijk is op welke schaal de in de motivering van de aanwijzing vermelde buitengerechtelijke executies, foltering en verkrachting door politie en veiligheidsdiensten voorkomen en niet duidelijk is of daartegen in de praktijk bescherming wordt geboden. De staatssecretaris voert terecht aan dat de rechtbank bij dit oordeel de overige motivering buiten beschouwing heeft gelaten. Uit die motivering blijkt dat deze informatie afkomstig is uit het rapport van het State Department. Blijkens dat rapport vinden de meeste incidenten plaats in conflictgebieden, maar waren er ook elders in het land meldingen van gewelddadigheden. Het aantal meldingen van buitengerechtelijke executies is echter relatief gering en slachtoffers zijn met name (vermeende) criminelen en opstandelingen. De overige gewelddadigheden buiten de conflictgebieden hebben betrekking op (vermeende) criminelen. Hieruit kan niet worden afgeleid dat India door het optreden van de politie en de veiligheidsdiensten algemeen gezien niet veilig is. Uit de brief van de staatssecretaris van 9 februari 2016 blijkt overigens ook dat hij acht heeft geslagen op de situatie van personen die te maken krijgen met strafrechtelijke vervolging, nu hij voor onder meer die groep bij de beoordeling van de individuele situatie verhoogde aandacht heeft gevraagd.

2.4. De staatssecretaris heeft in de toelichting gemotiveerd dat de wet- en regelgeving in India in de praktijk wordt toegepast en bescherming ook feitelijk wordt geboden. Zo worden grondrechten gerespecteerd, kunnen inwoners van India zich bij eventuele schending van die grondrechten onder meer wenden tot een onafhankelijke rechter en zijn er meer dan drie miljoen niet-gouvernementele organisaties actief, die zonder belemmeringen kunnen opereren en kunnen rapporteren over mensenrechten en aan wier aanbevelingen de Indiase overheid in het algemeen ook gevolg geeft. Ook zijn er, zo blijkt uit het onder 2.1. vermelde rapport van het UK Home Office, mogelijkheden om mishandelingen door de politie aan de orde te stellen en compensatie te krijgen, onder meer door bij verschillende instanties te klagen of een melding te doen bij het nationale mensenrechtencomité, dat onderzoek kan instellen en aanbevelingen doet. Die aanbevelingen worden ook opgevolgd. Weliswaar blijkt uit de motivering van de staatssecretaris dat er onvolkomenheden zijn in het systeem van rechtsbescherming, maar uit de informatiebronnen kan niet worden afgeleid dat de op dit moment geboden bescherming zodanig gebrekkig is dat de bestaande rechtsmiddelen in de regel niet daadwerkelijk beschikbaar zijn. Voorts blijkt uit de motivering van de staatssecretaris dat personen die tot religieuze minderheden behoren of behoren tot groepen die te maken kunnen krijgen met discriminatie, het in individuele gevallen moeilijk kunnen hebben, maar uit de informatiebronnen blijkt niet dat tegen de problemen die zij ondervinden geen bescherming mogelijk is. Evenmin blijkt daaruit dat die problemen op een dermate grote schaal voorkomen dat geconcludeerd moet worden dat India geen veilig land van herkomst is. Ook voor die groepen heeft de staatssecretaris in zijn brief van 9 februari 2016 overigens verhoogde aandacht gevraagd.

2.5. Uit het vorenstaande volgt dat de staatssecretaris zorgvuldig heeft onderzocht en deugdelijk heeft gemotiveerd dat India een veilig land van herkomst is. De rechtbank heeft de regeling van 10 februari 2016, voor zover het de aanwijzing van India betreft, dan ook ten onrechte onverbindend verklaard en het besluit, voor zover daarin is bepaald dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten en een inreisverbod tegen hem is uitgevaardigd, ten onrechte vernietigd.

2.6. De grief slaagt.

Conclusie

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en, omdat er geen beroepsgronden meer zijn die bespreking behoeven, het beroep ongegrond verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 4 november 2016 in zaak nr. NL16.2598;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

w.g. Verheij w.g. Van Loon

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2017

802.