Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:639

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
201701129/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 januari 2017 is de termijn van de aan de vreemdeling opgelegde bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden (hierna: het verlengingsbesluit). Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 59b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2017/114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701129/1/V3.

Datum uitspraak: 10 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 6 februari 2017 in zaak nr. 17/1049 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2017 is de termijn van de aan de vreemdeling opgelegde bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden (hierna: het verlengingsbesluit). Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 februari 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.F. Wassenaar, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De staatssecretaris en de vreemdeling hebben een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De staatssecretaris heeft de vreemdeling, die de Marokkaanse nationaliteit heeft, na beëindiging van de strafrechtelijke detentie op 28 augustus 2015 krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in bewaring gesteld, omdat de vreemdeling tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, heeft ingediend. Bij besluit van 23 februari 2016 is deze maatregel krachtens artikel 59b, vijfde lid, van de Vw 2000 verlengd met ten hoogste negen maanden. Op 21 juli 2016 is deze maatregel opgeheven, omdat afwijzend op zijn asielaanvraag is beslist. De vreemdeling is op dezelfde dag in bewaring gesteld krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Thans is aan de orde of de motivering in het verlengingsbesluit, gelet op het arrest van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) van 5 juni 2014, C-146/14 PPU, Mahdi, ECLI:EU:C:2014:1320 (hierna: het arrest Mahdi) deugdelijk is.

2. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 14 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2345, en van 1 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1490, geoordeeld dat de staatssecretaris in het verlengingsbesluit weliswaar heeft gemotiveerd, zij het summier, dat er nog steeds een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken en/of de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert, maar dat uit het verlengingsbesluit niet kan worden afgeleid of de staatssecretaris in dit verband ook het gedrag van de vreemdeling heeft onderzocht en wat het resultaat van dit onderzoek is.

2.1. De eerste grief keert zich tegen deze overweging van de rechtbank. De staatssecretaris voert onder meer aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vreemdeling gedurende de detentieperiode niet heeft aangetoond aan de uit het besluit voortvloeiende verplichting tot terugkeer gehoor te willen geven. Voor een ander onderzoek naar uitingen of gedrag van de vreemdeling bestaat volgens de staatssecretaris geen aanleiding. Daarnaast stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat het verlengingsbesluit weliswaar in het kader van de leesbaarheid is onderverdeeld in categorieën met aparte kopjes, maar dat dit niet maakt dat de motivering niet als één geheel moet worden beschouwd. Al hetgeen is vermeld, ongeacht het kopje waaronder het is opgenomen, maakt deel uit van de motivering. Dit betekent naar het oordeel van de staatssecretaris dat de overweging dat de vreemdeling uitdrukkelijk heeft verklaard niet terug te willen keren naar Marokko, op juiste wijze deel uitmaakt van het verlengingsbesluit.

2.2. In deze zaak heeft de staatssecretaris in het verlengingsbesluit onder het kopje 'IV Voorwaarden verlenging: U werkt niet mee' vermeld dat de vreemdeling geen dan wel onvoldoende medewerking verleent aan zijn vertrek, omdat hij uitdrukkelijk heeft verklaard niet terug te willen keren naar Marokko en hij na de inbewaringstelling één of meer procedures ter verkrijging van een verblijfstitel is gaan voeren met het kennelijke doel om de uitzetting te vertragen. Gelet hierop heeft de staatssecretaris, zij het niet onder het juiste kopje, in het verlengingsbesluit deugdelijk gemotiveerd welk gedrag en uitlatingen van de vreemdeling ten tijde van het nemen van het verlengingsbesluit voor hem aanleiding vormden om aan te nemen dat nog steeds een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken of de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De motivering voldoet derhalve aan de eisen die het Hof daaraan in het arrest Mahdi heeft gesteld.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige grieven behoeven geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het verlengingsbesluit beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. In beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat de staatssecretaris hem in het verlengingsbesluit ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet meewerkt aan zijn vertrek en dat hij niet louter omwille van het voorkomen van vertrek een asielaanvraag heeft ingediend.

4.1. Nu uit de verslagen van de met de vreemdeling gevoerde vertrekgesprekken blijkt dat de vreemdeling voorafgaand aan én tijdens de inbewaringstelling bij herhaling heeft verklaard dat hij om hem moverende redenen geen medewerking wil verlenen aan terugkeer naar Marokko, heeft de staatssecretaris de weigering medewerking te verlenen terecht aan het verlengingsbesluit ten grondslag gelegd en berust het verlengingsbesluit in zoverre op een deugdelijke motivering. Deze grond kan het verlengingsbesluit, gelet op het bepaalde in artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000, zelfstandig dragen. Reeds hierom wordt niet toegekomen aan de vraag of sprake is van een asielaanvraag die is ingediend met het kennelijke doel om de uitzetting te vertragen.

De beroepsgrond faalt.

5. Voorts heeft de vreemdeling aangevoerd dat geen zicht op uitzetting bestaat. Hij is weliswaar strikt genomen uitzetbaar, maar de staatssecretaris gaat hiertoe niet over omdat een rechterlijk oordeel moet worden afgewacht inzake zijn beroep op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Gelet op de duur van de asielprocedure, kan niet meer worden gesproken van een tijdelijke belemmering, aldus de vreemdeling.

5.1. In het verlengingsbesluit heeft de staatssecretaris vermeld dat de vreemdeling in verband met een verblijfsprocedure en/of een artikel 64-procedure op dit moment tijdelijk niet verwijderbaar is. Nu niet is uitgesloten dat de vreemdeling, indien hij is uitgeprocedeerd, op basis van zijn Marokkaanse paspoort kan worden uitgezet, heeft de staatssecretaris zich terecht op dat standpunt gesteld en berust het verlengingsbesluit in zoverre eveneens op een deugdelijke motivering.

6. In beroep heeft de vreemdeling ten slotte aangevoerd dat de staatssecretaris in het verlengingsbesluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan.

6.1. De staatssecretaris heeft zich, zoals in rechtsoverweging 4.1 is overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting. Verder heeft de staatssecretaris in het verlengingsbesluit zich op het standpunt gesteld dat niet gebleken is van omstandigheden die de detentie voor de vreemdeling onredelijk bezwarend maken. Dit is door de vreemdeling niet bestreden. In beroep heeft de vreemdeling evenmin dergelijke omstandigheden aangevoerd. Gelet hierop heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat in het geval van de vreemdeling toepassing van een lichter middel niet volstond en daarin gedurende zijn bewaring geen verandering is gekomen.

De beroepsgrond faalt.

7. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond komt de Afdeling niet toe. Over die grond is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die grond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgrond

valt thans dientengevolge buiten het geding.

8. Het beroep is ongegrond. Er is geen grond voor schadevergoeding.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 6 februari 2017 in zaak nr. 17/1049;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Van Roosmalen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2017

53.