Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:635

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
201700290/1/A1 en 201700290/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 januari 2016 heeft het college aan OVI een last onder dwangsom opgelegd wegens het gebruiken van het perceel Ekkersrijt 3102 te Son als parkeerlocatie voor auto's van derden, in strijd met het bestemmingsplan "Ekkersrijt".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700290/1/A1 en 201700290/2/A1.

Datum uitspraak: 10 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

OVI Service B.V. (hierna: OVI), gevestigd te Eindhoven,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 december 2016 in zaak nr. 16/2240 in het geding tussen:

OVI

en

het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel.

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2016 heeft het college aan OVI een last onder dwangsom opgelegd wegens het gebruiken van het perceel Ekkersrijt 3102 te Son als parkeerlocatie voor auto's van derden, in strijd met het bestemmingsplan "Ekkersrijt".

Bij besluit van 19 juli 2016 heeft het college besloten op het door OVI daartegen gemaakte bezwaar en daarbij de opgelegde last gehandhaafd en de begunstigingstermijn en de aan de last verbonden dwangsom gewijzigd.

Bij uitspraak van 30 december 2016 heeft de rechtbank het door OVI daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft OVI hoger beroep ingesteld.

OVI heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 februari 2017, waar OVI, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Schreijenberg, advocaat te Middelburg, en ing. J. Koopman, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Het perceel Ekkersrijt 3102 is een onbebouwd perceel waar door OVI auto's van derden worden gestald, naar OVI stelt in het kader van de uitoefening van haar autoservicebedrijf.

Bij het besluit van 25 januari 2016 heeft het college OVI gelast het gebruik van het perceel als parkeerterrein, anders dan ten behoeve van medewerkers van en bezoekers aan de bedrijven op het bedrijventerrein Ekkersrijt, te beëindigen en beëindigd te houden. In het besluit staat dat uit controles is gebleken dat op het perceel slechts incidenteel servicewerkzaamheden plaatsvinden, zoals het bijvullen van ruitensproeiersvloeistof en het meten van het bandenprofiel. Volgens het college staan deze werkzaamheden niet in verhouding tot de duur van het parkeren van de auto’s. Het college stelt zich daarom op het standpunt dat de hoofdactiviteit van OVI op het perceel niet het exploiteren van een autoservicebedrijf is, maar het (lang) parkeren van auto's van derden.

Bij het besluit van 19 juli 2016 heeft het college de opgelegde last gehandhaafd, de begunstigingstermijn vastgesteld op twee weken en de hoogte van de dwangsom vastgesteld op € 15.000,00 per week met een maximale hoogte van € 90.000,00.

De rechtbank heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat OVI op het perceel geen autoservicebedrijf exploiteert. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door het college waargenomen activiteiten in strijd met het bestemmingsplan, zodat het college bevoegd was om daartegen handhavend op te treden.

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Ekkersrijt" rust op het perceel de bestemming 'Bedrijventerrein - 1' met de functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2'.

Artikel 4.1 van de planregels luidt: "De voor 'Bedrijventerrein - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a bedrijven met inbegrip van geluidzoneringsplichtige bedrijven, waarbij geldt dat: […]

2 ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2' bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in de categorie 2, 3.1 en 3.2 van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten; […]

s (on)gebouwde parkeervoorzieningen, al dan niet voor gezamenlijk gebruik; […]"

In categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten staat vermeld: 'Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven'.

3. OVI betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen autoservicebedrijf exploiteert. Volgens haar moeten de werkzaamheden op het perceel worden aangemerkt als de uitoefening van een autoservicebedrijf, wat ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan. OVI betoogt dat zij een autoservicebedrijf 'nieuwe stijl' exploiteert waarbij niet alle werkzaamheden op het perceel plaatsvinden, maar gebruik wordt gemaakt van diensten van specialistische bedrijven elders. Verder worden volgens OVI de werkzaamheden zoveel mogelijk in de daluren tegen een lager tarief verricht. Volgens OVI worden alle auto's op het perceel gestald met het doel te worden gerepareerd of onderhouden, wat niet alleen bestaat uit het bijvullen van ruitensproeiersvloeistof en het meten van het bandenprofiel, maar ook het reinigen van het interieur, het wassen en polijsten van de auto, het vervangen van beschadigde ruiten en het herstellen van uiteenlopende schades. OVI stelt dat de auto’s slechts op het perceel aanwezig zijn zolang daar iets aan gedaan moet worden en dat de gemiddelde verblijfstijd in 2016 slechts 8 dagen bedroeg, wat volgens OVI passend is binnen een normale bedrijfsvoering van een autoservicebedrijf.

3.1. Niet in geschil is dat het bestemmingsplan de exploitatie van een autoservicebedrijf op het perceel toestaat en dat er geen andere planologisch toegestane categorie is waar de activiteiten van OVI onder zouden kunnen vallen. Evenmin is in geschil dat het bestemmingsplan het gebruik van het perceel als parkeerlocatie voor auto's van derden niet toestaat. Omdat het bestemmingsplan geen definitie of toelichting van het begrip 'autoservicebedrijf' bevat, heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het normale spraakgebruik. Volgens de rechtbank zijn bij een autoservicebedrijf slechts auto’s aanwezig die worden gerepareerd of onderhouden, of binnen afzienbare tijd worden gerepareerd of onderhouden. Volgens de rechtbank kan dat slechts bij zeer grote ingrijpende (langdurige) reparaties of onderhoudswerkzaamheden anders zijn.

3.2. Uit de processen verbaal van 24 en 29 december 2015 en zes processen verbaal uit de periode 14 tot en met 23 januari 2016, die ten grondslag liggen aan het besluit van 25 januari 2016, blijkt dat op verschillende tijdstippen op die dagen ruim 100 tot 250 auto’s op het perceel waren gestald. Uit de processen verbaal van de periode tussen het nemen van het primaire besluit en het besluit op bezwaar blijkt dat, behoudens tijdens de renovatie van Airport Eindhoven, een groter aantal auto's, tot 500 auto's, op het perceel waren gestald. Tijdens al deze controles werd waargenomen dat geen werknemers van OVI op het perceel aanwezig waren of dat slechts enkele werknemers aanwezig waren voor het verrichten van werkzaamheden die hooguit een paar minuten duurden. Door OVI is niet betwist dat op het perceel geen andere werkzaamheden plaatsvinden anders dan het bijvullen van ruitensproeiersvloeistof en meten van het bandenprofiel.

De door OVI gestelde omstandigheid dat de auto's op het perceel staan in afwachting van het bijvullen van de ruitensproeiersvloeistof of het meten van het bandenprofiel op het perceel of het verrichten van werkzaamheden bij gespecialiseerde bedrijven elders, doet er niet aan af dat geen onderhoud aan de auto's plaatsvind en de auto's in die tijd wel op het perceel staan geparkeerd. De aanwezigheid van de auto’s op het perceel heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom hoofdzakelijk het doel om de auto’s aldaar te parkeren. Daarbij is van belang het grote aantal auto's dat geparkeerd wordt en de gemiddelde duur van de stalling in verhouding tot de tijd die met onderhoud van de auto's is gemoeid. Dat gedurende de tijd dat een auto op het perceel staat geparkeerd op enig moment kortstondig onderhoud aan de auto wordt verricht of dat de auto op enig moment naar een ander bedrijf wordt gebracht voor onderhoud, maakt niet dat het hoofdzakelijke doel van de aanwezigheid van die auto op het perceel niet het parkeren van die auto, maar het verrichten van onderhoud is.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat OVI ter plaatse geen autoservicebedrijf exploiteert, zodat het college bevoegd was om handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel als parkeerterrein.

Het betoog faalt.

4. OVI betoogt dat de opgelegde last zodanig ruim is geformuleerd dat de exploitatie van een autoservicebedrijf, hetgeen ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan, ook wordt verboden.

4.1. De opgelegde last bestaat uit het beëindigen van en beëindigd houden van het gebruik van het perceel als parkeerterrein, anders dan ten behoeve van medewerkers van en bezoekers aan de bedrijven op Ekkersrijt. Anders dan OVI veronderstelt, staat de last het gebruik van het perceel als parkeerterrein ten behoeve van medewerkers van en bezoekers aan bedrijven op Ekkersrijt, waaronder ook een autoservicebedrijf moet worden begrepen, toe. De last staat dan ook niet in de weg aan de exploitatie van een autoservicebedrijf op het perceel.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

w.g. Uylenburg w.g. Kors

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2017

687.