Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:634

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
201701669/1/A3 en 201701669/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 augustus 2016 heeft de burgemeester [appellante] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan de [locatie] te Meerssen voor een duur van zes maanden, vanaf 4 augustus 2016 tot 4 februari 2017, te sluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2017/330 met annotatie van Redactie, J.G. Brouwer, L.M. Bruijn
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701669/1/A3 en 201701669/2/A3.

Datum uitspraak: 10 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellante], woonplaats kiezend te [plaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 14 februari 2017 in zaken nrs. 17/34 en 17/33 in het geding tussen:

[appellante]

en

de burgemeester van Meerssen.

Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2016 heeft de burgemeester [appellante] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan de [locatie] te Meerssen voor een duur van zes maanden, vanaf 4 augustus 2016 tot 4 februari 2017, te sluiten.

Bij besluit van 7 december 2016 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 februari 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft zij de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 maart 2017, waar [appellante], bijgestaan door mr. S. Ikiz, advocaat te Vaals, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. L. Flapper, bijgestaan door I.M.L. van der Hijden, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Inleiding

2. [appellante] was huurder van de woning aan de [locatie] waar zij met haar kinderen, van wie twee minderjarig zijn, verbleef. Op 27 juni 2016 heeft de politie, eenheid Limburg, Joint Hit Team, de woning doorzocht in het kader van een onderzoek naar handel in verdovende middelen. Tijdens de doorzoeking zijn in de handtas van [appellante] 196 bolletjes aangetroffen. Op basis van een indicatieve test is vastgesteld dat die bolletjes cocaïne bevatten. Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft negen bolletjes nader onderzocht en eveneens geconcludeerd dat deze cocaïne bevatten. Bij besluit van 3 augustus 2016 heeft de burgemeester [appellante] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning voor een duur van 6 maanden, vanaf 4 augustus 2016 tot 4 februari 2016, te sluiten. De sluiting van de woning is geëffectueerd op 6 september 2016.

De aangevallen uitspraak

2.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat de burgemeester beleidsruimte toekomt bij de uitoefening van de in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid. In de woning is meer dan 0,5 gram harddrugs aangetroffen. Omdat het derhalve om een handelshoeveelheid gaat, doet zich in dit geval een ernstig geval voor en hoefde de burgemeester niet te volstaan met een minder ingrijpende maatregel, zoals een waarschuwing of een soortgelijke maatregel, dan een sluiting. Volgens de rechtbank valt niet in te zien dat de burgemeester geen rekening heeft gehouden met de belangen van [appellante] en haar minderjarige kinderen.

Hoger beroep [appellante]

3. Ter zitting heeft de burgemeester een ondertekende verklaring van loco-burgemeester G.E.H. Houben van 1 maart 2017 overgelegd waarin staat dat hij de besluiten heeft genomen en getekend. Naar aanleiding van deze verklaring heeft [appellante] de beroepsgrond dat de besluiten van 3 augustus 2016 en 7 december 2016 onbevoegd zijn genomen ingetrokken.

3.1. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester, in overeenstemming met het Damoclesbeleid, de woning voor een duur van zes maanden heeft mogen sluiten. Daartoe voert zij aan dat het onderzoek naar de aanwezigheid van verdovende middelen in de bolletjes onvolledig is en gebreken vertoont. Zo zijn niet alle 196 bolletjes onderworpen aan een MMC-test en is niet bekend of de bolletjes gezamenlijk een handelshoeveelheid cocaïne bevatten, omdat alleen het brutogewicht van de bolletjes is gewogen. [appellante] stelt dat zij niet verantwoordelijk is voor de aanwezigheid van de bolletjes met cocaïne in haar woning en dat deze van haar ex-vriend waren, die heeft verklaard ze per ongeluk in de vuilnis te hebben achtergelaten. Ook stelt zij dat er geen drugshandel vanuit haar woning plaatsvindt en dat er geen overlast is geweest voor de omgeving vanwege drugshandel. Voorts betoogt [appellante] dat de sluiting in strijd is met artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Daarnaast voert zij aan dat de gevolgen van de sluiting onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. De sluiting heeft geleid tot een buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst door de verhuurder. Zij zal niet meer in aanmerking komen voor een nieuwe sociale huurwoning, omdat zij vanwege de sluiting geen positieve verhuurdersverklaring zal kunnen overleggen. Haar financiële middelen zijn onvoldoende om een woning uit de vrije sector te huren. Zij vreest dat het leven van haar minderjarige kinderen ernstig wordt ontwricht door de ontbinding van de huurovereenkomst. Zo is denkbaar dat zij niet meer op dezelfde locatie in Meerssen kunnen blijven sporten. Tot slot wijst [appellante] erop dat de burgemeester ingevolge artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK) de belangen van de kinderen dient af te wegen.

3.2. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat de sluiting van de woning in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid ten aanzien van de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. De sluiting wordt noodzakelijk geacht om de woning zichtbaar te onttrekken aan het illegale circuit van handel in drugs. Meerssen heeft te maken met dezelfde drugsgerelateerde problemen als die in buurgemeente Maastricht en om te voorkomen dat de problemen zich naar Meerssen verplaatsen past de burgemeester voormeld beleid stringent toe. In dit geval hecht de burgemeester er een zwaarwegende betekenis aan toe dat de in de woning aangetroffen hoeveelheid harddrugs aanzienlijk was. De burgemeester benadrukt dat het bij de sluiting om een herstelsanctie gaat die tot beëindiging en voorkoming van overtredingen van de Opiumwet strekt en niet om een strafsanctie tegen [appellante] als huurder. Voorts stelt de burgemeester dat hij in zijn afweging ook rekening heeft gehouden met een ontbinding van de huurovereenkomst tussen de verhuurder en [appellante]. Dat een sluiting tot onevenredige gevolgen voor haar zal leiden in verhouding tot de met de sluiting te dienen doelen, is volgens de burgemeester niet gebleken. De burgemeester stelt dat ondersteuning van het gezin een hoge prioriteit heeft en dat de gemeente ondersteuning heeft verleend en ook zal blijven verlenen zolang dit nodig is.

3.3. Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet luidt: "De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in de woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is."

Ter uitvoering van de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft de burgemeester het "Damoclesbeleid lokalen en woningen" vastgesteld. Volgens het Damoclesbeleid wordt een woning, indien sprake is van het verkopen, afleveren, of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van harddrugs, gesloten voor de duur van 6 maanden.

3.4. De bevindingen van de doorzoeking van de woning zijn neergelegd in de op ambtseed opgemaakte sluitingsrapportage van de politie van 30 juni 2016. In de sluitingsrapportage staat dat tijdens de doorzoeking in de handtas van [appellante] 196 in plastic verpakte bolletjes zijn aangetroffen met een totaal brutogewicht van 99 gram. Op basis van een MMC-test is vastgesteld dat deze bolletjes cocaïne bevatten. Enkele bolletjes zijn vervolgens aan het NFI aangeboden voor nader onderzoek naar de aanwezigheid van een verdovend middel zoals vermeld op lijst I of II behorende bij de Opiumwet. Uit het rapport van het NFI van 1 augustus 2016 volgt dat negen bolletjes zijn onderzocht en dat daarin cocaïne is aangetroffen, een middel dat op lijst I behorende bij de Opiumwet is vermeld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het onderzoek naar de bolletjes zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de burgemeester dit niet aan de sluiting van de woning ten grondslag had mogen leggen. Voor zover het onderzoek is beperkt tot een deel van de bolletjes, valt niet in te zien dat in dit geval daarmee niet had mogen worden volstaan. Gezien het aantal bolletjes van 196 heeft de burgemeester voorts aannemelijk mogen achten dat die gezamenlijk een handelshoeveelheid drugs bevatten.

3.5. Voor het ontstaan van de bevoegdheid tot sluiting van de woning is niet relevant of [appellante] wetenschap had van de aanwezigheid van drugs in de woning of dat haar geen verwijt kan worden gemaakt. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet brengt reeds de aanwezigheid van voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemde verdovende middelen in een woning de bevoegdheid met zich om tot sluiting over te gaan. Voorts is zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:185), voor het ontstaan van de bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen niet vereist dat daadwerkelijk harddrugs in de woning zijn verhandeld. Uit het woord "daartoe" in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet volgt dat de burgemeester bevoegd is een woning op grond van die bepaling te sluiten indien daarin een handelshoeveelheid drugs, die geacht wordt te zijn bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking, wordt aangetroffen. Gelet op de omvang van de aangetroffen hoeveelheid harddrugs heeft de rechtbank terecht in navolging van de burgemeester een ernstig geval mogen aannemen op grond waarvan sluiting van de woning in beginsel aan de orde was. Gelet op de tekst van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is voor het ontstaan van de hierin neergelegde bevoegdheid ook niet noodzakelijk dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de aanwezigheid van harddrugs overlast heeft veroorzaakt. Verder heeft de rechtbank terecht geen grond voor het oordeel gezien dat de sluiting in strijd is met artikel 8 van het EVRM, nu de bevoegdheid tot het gelasten van de sluiting bij de wet is voorzien en de burgemeester, gezien het grote aantal aangetroffen bolletjes en het gezamenlijke gewicht daarvan, sluiting van de woning noodzakelijk heeft mogen achten ter voorkoming van strafbare feiten en ter bescherming van de rechten van anderen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2365.

3.6. De rechtbank is terecht de burgemeester in zijn standpunt gevolgd dat de gevolgen van een sluiting overeenkomstig het Damoclesbeleid zijn meegewogen en dat niet is gebleken dat die voor [appellante] en haar minderjarige kinderen onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Daarbij is van belang dat [appellante] en haar kinderen direct na de sluiting begin september 2016 zijn gaan inwonen bij een kennis in Maastricht. Uit het bij de schriftelijke uiteenzetting gevoegde overzicht van contactmomenten volgt dat het Sociaal Team van de gemeente Meerssen tijdens een huisbezoek en in diverse gesprekken heeft vastgesteld dat het dagelijks leven van [appellante] en haar kinderen na de sluiting niet relevant is veranderd en dat zij voorlopig in hun nieuwe onderkomen in Maastricht kunnen verblijven. De kinderen verblijven daar onder normale omstandigheden. Zij gaan nog steeds naar dezelfde scholen die goed bereikbaar zijn vanuit Maastricht en voetballen bij dezelfde voetbalclub in Meerssen. Voorts heeft de burgemeester in zijn afweging voldoende rekening gehouden met een ontbinding van de huurovereenkomst tussen de verhuurder en [appellante]. Daarbij is van belang dat de burgemeester heeft gesteld dat het Sociaal Team ondersteuning kan bieden bij het zoeken naar een nieuwe woning in Meerssen. Voor het oordeel dat de burgemeester adequate steun zal nalaten, omdat volgens [appellante] de steun tot op heden te wensen overlaat, ziet de voorzieningenrechter geen grond. Ook stelt de burgemeester terecht dat [appellante] haar betoog dat zij vanwege onvoldoende financiële middelen niet in aanmerking kan komen voor een woning uit de vrije sector in Meerssen of Maastricht niet met enig stuk heeft toegelicht.

3.7. Voor zover [appellante] betoogt dat de sluiting in strijd is met artikel 3 van het IVRK, ingevolge welke bepaling bij alle maatregelen betreffende kinderen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen, heeft zij dit betoog niet onderbouwd, zodat het om die reden niet kan leiden tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak.

3.8. Het betoog faalt.

Slotsom

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Man

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2017

629.