Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:621

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
201603231/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 mei 2015 heeft de raad de aan [appellant] verleende toevoeging voor rechtsbijstand ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603231/1/A2.

Datum uitspraak: 8 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 maart 2016 in zaak nr. 15/4480 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2015 heeft de raad de aan [appellant] verleende toevoeging voor rechtsbijstand ingetrokken.

Bij besluit van 2 oktober 2015 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 maart 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2017, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra en mr. M. Doets, is verschenen.

Overwegingen

1. Aan [appellant] is een toevoeging verleend voor een echtscheidingsprocedure met nevenvorderingen. De raad heeft deze toevoeging ingetrokken op grond van artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb), omdat de procedure waarvoor de toevoeging is verleend heeft geleid tot een zogeheten resultaat dat de toepasselijke norm overschrijdt. [appellant] is het hier niet mee eens, omdat zijn schuldenlast hoger is dan waar de raad van is uitgegaan.

Inleiding

2. Bij beschikking van 3 september 2014 heeft de rechtbank Noord-Holland beslist over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding van [appellant] en zijn ex-partner. Partijen konden zich niet volledig in deze beschikking vinden en zijn, ter voorkoming van een hoger beroepsprocedure, op 3 oktober 2014 een vaststellingsovereenkomst aangegaan. Niet in geschil is dat [appellant] ingevolge deze vaststellingsovereenkomst een bedrag van € 117.794,00 toekwam en dat hij onder vrijwaring van zijn ex-partner alle schulden waarvoor zij beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor zijn rekening heeft genomen.

Bij zijn bezwaarschrift heeft [appellant] te kennen gegeven dat er een groot bedrag aan achterstanden/schulden is. Hij wijst erop dat hij door drie herseninfarcten is getroffen en dat het hierdoor voor hem verwarrend is. Hij heeft bij zijn bezwaarschrift een overzicht gevoegd van de schulden die hij als gevolg van de vaststellingsovereenkomst heeft moeten voldoen en ook heeft voldaan. Het gaat om een totaal aan schulden van € 60.245,88.

De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat aldus nog steeds een bedrag ter hoogte van € 55.917,12 resteert, waarmee het normbedrag van € 10.569,50 is overschreden.

In beroep heeft [appellant] naar voren gebracht dat het totaal aan schulden hoger is uitgevallen, te weten een totaal van € 129.853,22 aan schulden.

3. De rechtbank heeft het door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bevoegdheid rechtbank

4. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt. De in het procesverloop vermelde besluiten van de raad zijn genomen op grond van de Wrb. Bevoegd om kennis te nemen van dergelijke besluiten is de rechtbank van het ressort waarin de rechtsbijstandverlener kantoor houdt (zie de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:546). In dit geval hield de rechtsbijstandverlener kantoor in het ressort Amsterdam. Dit betekent dat niet de rechtbank Noord-Nederland, maar de rechtbank Amsterdam de bevoegde rechter was.

Met het oog op een effectieve geschilbeslechting ziet de Afdeling aanleiding de aangevallen uitspraak krachtens artikel 8:117 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) als bevoegdelijk gedaan aan te merken.

Het hogerberoepschrift

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de raad er ten onrechte van is uitgegaan dat hij vrij kon beschikken over € 117.794,00. Zoals ook in de vaststellingsovereenkomst was opgenomen, moest hij dit geld gebruiken om gezamenlijke schulden te voldoen. Dat hij de totale hoogte van zijn schulden niet eerder kon aantonen, dient niet voor zijn rekening te komen, omdat het enige tijd duurde voordat hij een eindafrekening van instanties als de belastingdienst, het pensioenfonds en de ING bank ontving. Dit waren geen nieuwe schulden en deze schulden moest hij zonder meer betalen, ter voorkoming van beslaglegging.

Bij zijn nader stuk heeft [appellant] een overzicht met bijbehorende bijlages gevoegd, waarin tot een totaal van € 131.730,25 aan schulden wordt gekomen.

5.1. Artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb luidt als volgt:

"1. Tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten, wordt de toevoeging met terugwerkende kracht ingetrokken, indien:

[…]

b. op het moment van de definitieve afhandeling van de zaak waarvoor die toevoeging was verleend de rechtzoekende als resultaat van die zaak een vordering met betrekking tot een geldsom ter hoogte van tenminste 50% van het heffingvrij vermogen heeft."

De raad voert bij de toepassing van de Wrb beleid, neergelegd in onder meer de werkinstructie Resultaatbeoordeling. Hierin staat onder meer het volgende:

"Onvoldoende gegevens om het resultaat exact te bepalen

Heb je onvoldoende gegevens om de omvang van het resultaat te bepalen dan beoordeel je als volgt:

- Is het niet aannemelijk dat het resultaat tenminste 50% van het heffingvrij vermogen bedraagt, dan laat je de toevoeging in stand. Je legt de beoordeling vast in een telefoonnotitie en je stelt de vergoeding vast.

- Is het wel aannemelijk dat het resultaat tenminste 50% van het heffingvrij vermogen bedraagt, dan maak je de aanvraag onvolledig en vraag je de benodigde stukken op bij de advocaat.

Uitgesteld resultaat

Het is mogelijk dat het resultaat nog niet definitief is. Denk aan echtscheiding c.q. boedelscheiding en de woning is nog niet verkocht. Je beoordeelt als volgt:

- Is niet aannemelijk dat het te ontvangen bedrag lager is dan 50% van het heffingvrij vermogen, dan trek je de toevoeging in. Bijvoorbeeld in het geval dat er een overwaarde is van € 100.000. Het is dan niet aannemelijk dat met een eventuele prijsdaling van de woning het resultaat minder zal zijn dan 50% van het heffingvrij vermogen.

- Is het aannemelijk dat het te ontvangen bedrag op de grens ligt van 50% van het heffingvrije vermogen. Je stuurt een brief aan rechtzoekende en de advocaat dat het besluit wordt uitgesteld in afwachting van bericht van rechtzoekende over financiële uitkomst van de verkoop van de woning."

5.2. Niet in geschil is dat de helft van het heffingvrij vermogen € 10.569,50 bedraagt.

5.3. De raad heeft naar voren gebracht dat eerst in beroep zodanig veel schulden zijn gesteld dat het op basis van de verleende rechtsbijstand behaalde financiële resultaat de van toepassing zijnde grens niet meer zou overschrijden, als van de juistheid van die schulden zou worden uitgegaan. De raad stelt zich op het standpunt dat hij dient uit te gaan van het moment waarop de zaak is afgehandeld, zijnde het moment van de vaststellingsovereenkomst. Gedurende de besluitvorming en de bezwaarprocedure is [appellant] de gelegenheid gegeven om argumenten en stukken naar voren te brengen. Met hetgeen nadien naar voren is gebracht, wordt geen rekening gehouden.

Ter zitting van de Afdeling heeft de raad te kennen gegeven dat [appellant] tot in bezwaar kon onderbouwen welke schulden ingevolge de vaststellingsovereenkomst voor zijn rekening komen. Voor uitstel van de resultaatbeoordeling is geen aanleiding gezien, omdat niet aannemelijk werd geacht dat het resultaat lager zou uitkomen dan de helft van het heffingvrij vermogen.

5.4. [appellant] heeft, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, tijdens de hoorzitting in bezwaar te kennen gegeven dat hij nog steeds aan het afbetalen is op verplichtingen uit het verleden en dat er nog steeds nieuwe betalingsverplichtingen bijkomen.

De raad heeft desgevraagd te kennen gegeven dat, hoewel de schuldenlast tot in bezwaar kon worden onderbouwd, voor zover bekend niet op deze mededeling is gereageerd. Ook heeft de raad te kennen gegeven dat het niet ongebruikelijk is dat de raad in gevallen als deze betrokkene om nadere informatie vraagt. De raad kon ter zitting niet verklaren waarom dat in dit geval niet is gebeurd en waarom hij [appellant] - bijvoorbeeld - geen termijn heeft gegeven teneinde meer duidelijkheid te verschaffen omtrent deze schuldenlast.

Nu de hoogte van de schulden van [appellant] en zijn ex-vrouw ten tijde van de vaststellingsovereenkomst bepalend was voor het resultaat van de zaak, verdraagt het zich onder de gegeven omstandigheden niet met de ingevolge artikel 3:2 van de Awb van de raad verlangde zorgvuldigheid dat de raad tot een resultaatbeoordeling is overgegaan zonder [appellant] de gelegenheid te geven zijn mededeling over de almaar oplopende schuldenlast nader toe te lichten. Onder de gegeven omstandigheden mocht de raad er niet van uitgaan dat hoe dan ook niet aannemelijk was dat het resultaat lager zou uitvallen dan 50% van het heffingvrij vermogen.

Het betoog slaagt.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 2 oktober 2015 van de raad alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De raad dient een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door de raad te nemen nieuwe besluit op het bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 maart 2016 in zaak nr. 15/4480;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand van 2 oktober 2015;

V. bepaalt dat tegen het door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand te nemen besluit slechts beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling;

VI. gelast dat de raad voor rechtsbijstand aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 169,00 (zegge: honderdnegenenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Koeman w.g. Van Dokkum

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2017

480.