Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:618

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
201600502/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2015 heeft de RDW de aan [wederpartij] verleende erkenning bedrijfsvoorraad ingetrokken voor een periode van 6 weken.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 62
Wegenverkeerswet 1994 64
Wegenverkeerswet 1994 65
Kentekenreglement
Kentekenreglement 58c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2017/83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600502/1/A1.

Datum uitspraak: 8 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de directie van de Dienst Wegverkeer,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 11 december 2015 in zaak nrs. 15/7091 en 15/7149

in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te [plaats]

en

de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW).

Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2015 heeft de RDW de aan [wederpartij] verleende erkenning bedrijfsvoorraad ingetrokken voor een periode van 6 weken.

Bij besluit van 23 oktober 2015 heeft de RDW het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 december 2015 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 oktober 2015 vernietigd, het besluit van 24 juni 2015 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de RDW hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting en nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2016, waar de RDW, vertegenwoordigd door E.C. Niemeijer, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. W.A. de Vroom, advocaat te 's-Hertogenbosch, en ing. H.J.E. Nix, als deskundige, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [wederpartij] handelt in gebruikte auto’s en exploiteert een autosloopbedrijf op het adres [locatie] te [plaats]. Blijkens de gedingstukken heeft [wederpartij] op 8 april 2015 een Volkswagen Polo (hierna: de Polo) met kenteken [..-..-..] van [metaalhandel] te [plaats] gekocht. De RDW heeft op die datum, om 15:12 uur, op verzoek van [wederpartij] voor de Polo demontagecode 0080852242 afgegeven.

[wederpartij] heeft daarop op dezelfde dag om 15:16 uur een vrijwaringsbewijs voor de Polo afgegeven. [wederpartij] stelt verder op diezelfde dag, omdat de auto voor de sloop bestemd was, deze bij de RDW te hebben gemeld via Online Registratie Auto Demontage (ORAD). Zij heeft daarbij de naar zij stelt daartoe door de RDW aan haar toegekende ORAD transactiecode ND/K7 gebruikt.

Op 11 mei 2015 is [wederpartij] telefonisch benaderd door de vorige eigenaar van de Polo, met de mededeling dat was gebleken dat de auto met kenteken [..-..-..] nog altijd op zijn naam stond geregistreerd. [wederpartij] heeft daarop naar zij stelt haar systemen gecontroleerd en toen daaruit geen onregelmatigheden bleken, contact opgenomen met de RDW. Daar kreeg [wederpartij] te horen dat het voertuig bij de RDW niet ORAD geregistreerd stond. Direct na dit telefoongesprek heeft [wederpartij] het voertuig, naar zij stelt wederom, ORAD gemeld.

Omdat de vorige eigenaar van de Polo zich om dezelfde reden ook tot de RDW had gewend, heeft op 28 mei 2015 een bedrijvencontroleur van de RDW een bezoek gebracht aan het bedrijf van [wederpartij]. Deze heeft in zijn controlerapport van 28 mei 2015 vermeld dat de Polo, waarvoor op 8 april 2015 door [wederpartij] een vrijwaringsbewijs is afgegeven, niet op die datum is aangemeld in haar bedrijfsvoorraad.

Dit heeft de RDW geleid tot het in bezwaar gehandhaafde besluit van 24 juni 2015.

De rechtbank heeft het beroep van [wederpartij] gegrond verklaard, omdat zij samengevat van oordeel is dat uit de voorhanden gegevens niet is komen vast te staan dat [wederpartij] de overtreding van artikel 58c, derde lid, van het Kentekenreglement, die de RDW aan de opgelegde sanctie ten grondslag heeft gelegd, heeft begaan. Zij heeft daarbij overwogen dat mede omdat het intrekken van de erkenning bedrijfsvoorraad een punitieve sanctie is, buiten twijfel moet zijn dat [wederpartij] deze overtreding heeft begaan.

Wettelijk kader

2. Wegenverkeerswet 1994

Artikel 62

1. De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvan hij de eigendom heeft verkregen, in zijn bedrijfsvoorraad op te nemen.

4. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld die aan een erkenning worden verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden vastgesteld.

Artikel 64

1. Met het toezicht op de naleving van de uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen zijn belast de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. (…) Het toezicht omvat in ieder geval het periodiek controleren van de bedrijfsvoorraad van degene aan wie de erkenning is verleend en van de ter zake van die bedrijfsvoorraad door deze gevoerde administratie.

Artikel 65

2. De Dienst Wegverkeer kan een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend:

c. handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

Kentekenreglement

Artikel 58c

3. Het erkende bedrijf bedrijfsvoorraad is verplicht binnen een week, nadat hij het deel II of I B en het overschrijvingsbewijs heeft ontvangen, bij de Dienst Wegverkeer om opname in bedrijfsvoorraad te verzoeken onder overlegging van deel II of I B, het overschrijvingsbewijs en de bedrijfsvoorraadpas.

5. Het erkende bedrijf bedrijfsvoorraad is verplicht:

a. een vrijwaringsbewijs met de middels datacommunicatie ter beschikking gestelde gegevens die verband houden met de opname in bedrijfsvoorraad aan te maken, en

b. aan degene van wie hij het deel II of I B en het overschrijvingsbewijs heeft ontvangen, het vrijwaringsbewijs alsmede het oude deel II of I B terstond ter hand te stellen.

Paragraaf 4.5.3, versie 1 januari 2015, van de Bijlage Bedrijfsvoorraad en Handelaarskentekenbewijzen van het Algemeen Deel Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW (Toezichtbeleidsbrief) bevat voorbeelden van categorie III overtredingen. Volgens paragraaf 4.5.3 wordt als categorie III-overtreding aangemerkt: "Een voertuig ten onrechte niet aanmelden in de bedrijfsvoorraad terwijl het eigendom is verkregen. De vorige eigenaar/houder zijnde een natuurlijk of rechtspersoon is ten onrechte aansprakelijk gebleven voor alle voertuigverplichtingen".

Volgens het van het Algemeen Deel uitmakende stroomschema sancties overtreding erkenning/bevoegdheid wordt bij een eerste overtreding binnen 30 maanden bij een categorie III overtreding de erkenning bedrijfsvoorraad voor zes weken ingetrokken.

Beoordeling van het hoger beroep

3. De RDW betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet buiten twijfel is dat [wederpartij] de overtreding heeft begaan. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank het feit dat de RDW [wederpartij] op 8 april 2015 een demontagecode heeft verstrekt, ten onrechte tot het oordeel heeft geleid dat [wederpartij] de auto mogelijk wel heeft aangemeld in de bedrijfsvoorraad. Het verstrekken van een demontagecode verplicht namelijk niet tot het feitelijk gebruiken daarvan. Volgens de RDW heeft [wederpartij] de Polo ten onrechte niet aangemeld in haar bedrijfsvoorraad en is dat de reden dat de auto niet ORAD geregistreerd stond bij hem. De RDW heeft dit betoog onderbouwd door gemotiveerd te stellen dat de transactiecode ND/K7, die [wederpartij] stelt te hebben gebruikt bij het ORAD melden van de auto, niet door de RDW kan zijn afgegeven voor deze auto. Bovendien wordt een dergelijke transactiecode pas afgegeven als het voertuig eerst in de bedrijfsvoorraad is geregistreerd, hetgeen in dit geval niet is gebeurd, aldus de RDW.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2937 en ECLI:NL:RVS:2015:2936) kan het besluit tot tijdelijke intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad niet als overwegend reparatoir worden gekenschetst, maar is dit mede gericht op het bewerkstelligen van normconform gedrag door leedtoevoeging. De rechtbank heeft gelet daarop, terecht geoordeeld dat voor het bestaan van de bevoegdheid om de bedoelde sanctie op te leggen, buiten redelijke twijfel dient vast te staan dat de overtreding die daaraan ten grondslag wordt gelegd, is begaan. Het is aan het bestuursorgaan om de overtreding aannemelijk te maken. In dit verband wijst de Afdeling op de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1671.

De aan het besluit ten grondslag gelegde overtreding betreft het door [wederpartij] niet voldoen aan haar verplichting om de Polo, nadat zij de eigendom daarvan had verkregen, aan te melden in haar bedrijfsvoorraad. Ingevolge artikel 58c, derde lid, van het Kentekenreglement, diende [wederpartij] binnen een week nadat zij het deel II of I B en het overschrijvingsbewijs had ontvangen, daartoe bij de Dienst Wegverkeer een verzoek te doen.

[wederpartij] heeft gesteld dat zij het bedoelde verzoek om opname in de bedrijfsvoorraad bij de RDW wel heeft gedaan. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de RDW haar op 8 april 2015 op haar verzoek een demontagecode met nummer ‘0080852242’ heeft verstrekt voor de Polo, alsmede de transactiecode ND/K7. Verder heeft [wederpartij] een print screen van het door haar gehanteerde ‘Promasy-systeem’ in het geding gebracht, ten bewijze van haar stelling dat de Polo op 8 april 2015 om 15:16 uur ORAD is gemeld bij de RDW, onder vermelding van de naar zij stelt van de RDW verkregen transactiecode ND/K7. De print screen heeft [wederpartij] op 28 mei 2015 tevens aan de bedrijvencontroleur van de RDW getoond. [wederpartij] heeft na het ORAD melden van de Polo op 8 april 2015 een vrijwaringsbewijs voor de auto afgegeven, omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat zij aan haar verplichtingen had voldaan en daaraan derhalve niets meer in de weg stond.

De rechtbank heeft, de vorengenoemde omstandigheden in aanmerking genomen, terecht geoordeeld dat de RDW niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bedoelde overtreding door [wederpartij] is begaan. De Afdeling is gelet op het voorgaande met de rechtbank van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat [wederpartij] het verzoek aan de RDW als bedoeld in artikel 58c, derde lid, van het Kentekenreglement, niet heeft gedaan. Dat de RDW zich in het besluit op het standpunt heeft gesteld dat zich op het moment van de gestelde ORAD melding door [wederpartij] geen storingen in haar systeem hebben voorgedaan, leidt niet tot een ander oordeel. Dit geldt ook voor de stelling van de RDW dat de genoemde transactiecode niet voor deze auto kan zijn afgegeven. Nu de overtreding door de RDW aannemelijk moet worden gemaakt, heeft de rechtbank gelet op hetgeen door [wederpartij] is aangevoerd, terecht geoordeeld dat de omstandigheid dat het kenteken van de Polo op 8 april 2015 niet bij de RDW is geregistreerd, niet voor rekening van [wederpartij] dient te komen.

De uitspraken van de rechtbank Leeuwarden van 3 april 2000 (zaak nr. 2000/187) en van de Afdeling van 25 mei 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ5938), waarin de RDW steun vindt voor zijn betoog, leiden evenmin tot een ander oordeel. Ten tijde van het tot stand komen van die uitspraken waren de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling van 16 september 2015 nog niet gedaan. De omstandigheid dat in laatstgenoemde uitspraken het besluit tot tijdelijke intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad is aangemerkt als niet overwegend reparatoir, maar mede gericht op het bewerkstelligen van normconform gedrag door leedtoevoeging, betreft een relevante wijziging van het recht, die gevolgen heeft voor de bewijslast die rust op de RDW en die deze bewijslast heeft verzwaard.

Het betoog faalt.

4. [wederpartij] heeft in haar schriftelijke uiteenzetting van 2 maart 2016 ongemotiveerd verzocht om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (thans artikel 8:88 van de Awb). Ter zitting van de Afdeling heeft [wederpartij] toegelicht dat met dit verzoek uitsluitend is bedoeld aanspraak te maken op een veroordeling van de RDW in de proceskosten van [wederpartij].

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De RDW dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

De reis- en verletkosten voor het bijwonen van het hoger beroep door [gemachtigde] worden vastgesteld op een forfaitair bedrag van € 92,40. De reis- en verletkosten voor het bijwonen van het hoger beroep door H.J.E. Nix worden vastgesteld op een eveneens forfaitair bedrag van € 113,66.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de directie van de Dienst Wegverkeer tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.196,06 (zegge: elfhonderdzesennegentig euro en zes cent), waarvan € 990,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat van de directie van de Dienst Wegverkeer een griffierecht van € 503,00 (zegge: vijfhonderddrie euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. van Leeuwen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2017

641.