Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:605

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
201602288/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 november 2015 heeft het college aan Landbouwbedrijf Lijnden West B.V. een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) verleend voor het wijzigen van een pluimveehouderij aan de Tussenweg 10 te Middenmeer.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Natuurbeschermingswet 1998
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1228
Milieurecht Totaal 2017/6590
Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7536
JOM 2017/304
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602288/1/R2.

Datum uitspraak: 8 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Stichting De Faunabescherming, gevestigd te Amstelveen,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2015 heeft het college aan Landbouwbedrijf Lijnden West B.V. (hierna: het landbouwbedrijf) een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) verleend voor het wijzigen van een pluimveehouderij aan de Tussenweg 10 te Middenmeer.

Bij besluit van 18 februari 2016 heeft het college het door de stichting hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft de stichting beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De stichting heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2016, waar de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. H.A. Schoordijk en drs. J.A.M. Schunselaar, zijn verschenen.

Overwegingen

Toepasselijk recht

1. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) in werking getreden en is de Nbw 1998 ingetrokken. Omdat het bestreden besluit is genomen voor 1 januari 2017 volgt uit artikel 9.10 van de Wnb dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht.

Inleiding

2. Het college heeft bij het bestreden besluit een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Nbw 1998 verleend voor het wijzigen van een pluimveehouderij aan de Tussenweg 10 in Middenmeer. Op grond van deze vergunning mogen hier 75.676 vleeskuikens worden gehouden in twee stallen, met een maximaal toegestane emissie van 2.800 kilogram ammoniak per jaar. Het is mogelijk om deze emissiearme stallen te realiseren door wijziging van twee bestaande stallen. In het bestreden besluit is vermeld dat het gaat om een wijziging van de bedrijfssituatie die ten opzichte van de relevante referentiesituatie niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden, zodat is uitgesloten dat de vergunde situatie significante gevolgen heeft voor deze gebieden. Niet in geschil is dat op de locatie Tussenweg 10 feitelijk reeds enige tijd geen pluimvee wordt gehouden en dat het landbouwbedrijf voornemens om is zijn bedrijfsvoering te verplaatsen naar een andere locatie.

De stichting kan zich niet verenigen met verlening van de Nbw-vergunning. Zij stelt dat een onjuiste referentiesituatie is aangehouden bij de beoordeling of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ten gevolge van de bedrijfswijziging. De stichting stelt voorts dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de aangevraagde activiteit daadwerkelijk zal worden gerealiseerd, waarin volgens haar reden is gelegen de vergunning te weigeren.

Wettelijk kader

3. In de Nbw 1998 zijn de volgende bepalingen opgenomen.

Artikel 19d, eerste lid, luidt:

"Het is verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten of, ten aanzien van projecten of andere handelingen als bedoeld in het vijfde lid, van Onze Minister, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten."

Artikel 19e luidt:

"Gedeputeerde staten houden bij het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, rekening

a. met de gevolgen die een project of andere handeling, waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, kan hebben voor een Natura 2000-gebied;

b. met een op grond van artikel 19a of artikel 19b vastgesteld beheerplan, en

c. vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, alsmede regionale en lokale bijzonderheden."

Artikel 41, eerste lid, luidt:

"In de aanvraag van de vergunningen, bedoeld in de artikelen 16 en 19d, wordt het belang van de aanvrager bij het verlenen van de vergunning gemotiveerd."

Referentiesituatie

4. De stichting betoogt dat de Nbw-vergunning niet had mogen worden verleend omdat het college ten onrechte de bedrijfssituatie waarvoor op 22 januari 1991 een Hinderwetvergunning is verleend als referentiesituatie heeft aangehouden bij de beoordeling of sprake is van een toename van de stikstofdepositie. De stichting heeft in dit verband naar voren gebracht dat nadien op 15 september 2009 een milieuvergunning is verleend voor een gewijzigde bedrijfssituatie waarmee volgens haar ten onrechte geen rekening is gehouden.

4.1. Niet in geschil is dat het agrarisch bedrijf zorgt voor stikstofdepositie op de nabijgelegen en voor verzuring gevoelige Natura 2000-gebieden "Eilandspolder", "Duinen Den Helder - Callantsoog", "Zwanenwater en Pettemerduinen", "Schoorlse Duinen", "Noordhollands Duinreservaat" en "Waddenzee". Voorts staat vast dat voor de exploitatie van het bedrijf niet eerder een vergunning op grond van de Nbw 1998 of de Natuurbeschermingswet (oud) is verleend. In het bestreden besluit is vermeld dat het college de Hinderwetvergunning van 22 januari 1991 als referentiesituatie heeft gebruikt, omdat die Hinderwetvergunning de laatst vergunde situatie is voorafgaand aan de onderscheiden data waarop voornoemde Natura 2000-gebieden op de lijst van gebieden van communautair belang zijn geplaatst. Ten opzichte van de bedrijfssituatie die is vergund in 1991, welke bestaat uit 35.000 vleeskuikens, leidt de aangevraagde bedrijfsvoering, bestaande uit 75.676 vleeskuikens in emissiearmere stallen, niet tot een toename van stikstofdepositie en zijn significante gevolgen uit te sluiten, aldus het bestreden besluit.

4.2. In het geval dat niet eerder een vergunning op grond van de Nbw 1998 dan wel de Natuurbeschermingswet (oud) is verleend, is van belang dat de Afdeling in de uitspraak van 31 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL9656, heeft overwogen dat significante gevolgen kunnen worden uitgesloten, voor zover het gaat om de stikstofdepositie op een betrokken gebied, als de wijziging of uitbreiding van de veehouderij niet leidt tot een verhoging van de stikstofdepositie ten opzichte van de vergunde situatie op de referentiedatum. De vergunde situatie op de referentiedatum kan worden ontleend aan hetgeen is vergund krachtens de Wet milieubeheer of is vergund krachtens de daaraan voorafgaande Hinderwet. Voor Habitatrichtlijngebieden is de referentiedatum de datum waarop het gebied op de lijst van gebieden van communautair belang is geplaatst.

In de uitspraak van 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891, heeft de Afdeling onder andere overwogen dat als een op de referentiedatum geldende vergunning nadien is vervangen door een milieuvergunning kan daarin een activiteit zijn vergund die meer dan wel minder ammoniakemissie tot gevolg heeft dan de op de referentiedatum vergunde activiteit. Indien na de referentiedatum een vergunning is verleend voor een activiteit die meer ammoniakemissie tot gevolg heeft en voor de exploitatie niet eerder een vergunning op grond van de Nbw 1998 of de Natuurbeschermingswet (oud) is verleend, blijft de vergunde situatie op de referentiedatum het uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of de aangevraagde situatie leidt tot een toename van stikstofdepositie.

4.3. De bedrijfssituatie waarvoor in 2009 een milieuvergunning is verleend ziet op het houden van 474.506 vleeskuikens. Vaststaat dat die vergunde bedrijfssituatie in 2009 meer ammoniakemissie tot gevolg heeft dan de op grond van de Hinderwet vergunde bedrijfssituatie in 1991. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen, heeft het college terecht de vergunde bedrijfssituatie voorafgaand aan de referentiedata, te weten de Hinderwetvergunning van 22 januari 1991, als referentiesituatie gebruikt voor de beoordeling of sprake is van een toename van de stikstofdepositie.

Het betoog faalt.

Belang aanvrager

5. De stichting betoogt voorts dat de Nbw-vergunning niet had mogen worden verleend omdat het landbouwbedrijf onvoldoende belang heeft bij de aangevraagde activiteit. Volgens de stichting is het immers zeer onwaarschijnlijk dat het aangevraagde project zal worden gerealiseerd. Zij wijst in dit kader erop dat het landbouwbedrijf de bedrijfsvoering wenst te verplaatsen naar een andere locatie, dat het landbouwbedrijf het perceel Tussenweg 10 heeft verkocht, ter plaatse al langer geen kippen worden gehouden en de bestemming van het perceel is gewijzigd.

5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het landbouwbedrijf heeft gesteld belang te hebben bij de aangevraagde activiteit en dat voor het college geen aanleiding bestaat om niet aan te nemen dat dit belang aanwezig is. Hoewel het landbouwbedrijf voornemens is de bedrijfsvoering te verplaatsen, kan zij vooralsnog geen gebruik maken van de beoogde bedrijfslocatie, nu zij voor de bedrijfsvoering aldaar niet beschikt over een Nbw-vergunning. Daarnaast is het perceel Tussenweg 10 weliswaar verkocht, maar het landbouwbedrijf heeft te kennen gegeven nog steeds te beschikken over het recht om dit perceel te gebruiken. Het college heeft voorts gesteld dat hij gezien de aan de orde zijnde situatie, en gelet op het bepaalde in artikel 41 van de Nbw 1998, nadat bezwaar is gemaakt het landbouwbedrijf nogmaals heeft verzocht haar belang bij het verlenen van de Nbw-vergunning te motiveren. Desgevraagd heeft het landbouwbedrijf nog een keer aangegeven voornemens te zijn het aangevraagde project te realiseren - met inbegrip van het aanbrengen van de vereiste technische installaties - en vleeskuikens te gaan houden op het perceel Tussenweg 10. Zolang de nieuwe locatie waar zij haar gewijzigde bedrijfsvoering wenst uit te voeren niet is gerealiseerd, kan het perceel Tussenweg 10 uitkomst bieden voor de bedrijfsvoering, aldus het college.

5.2. De Afdeling overweegt dat het college bij de verlening van een vergunning krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 ingevolge artikel 19e ook dient te beoordelen of de aangevraagde vergunning bij afweging van de betrokken belangen kan worden verleend. Anders dan de stichting lijkt te veronderstellen, vergt de hiervoor geschetste belangenafweging in het kader van artikel 19e van de Nbw 1998 niet dat het college bij verlening van een Nbw-vergunning dient te beoordelen of vaststaat dat de aangevraagde activiteit zal worden gerealiseerd. Het college moet bezien of het door de aanvrager gestelde belang bij de aangevraagde activiteit aannemelijk is, welk belang vervolgens wordt afgewogen tegen de daartegenover staande natuurbelangen. Gelet op hetgeen de aanvrager heeft gesteld, heeft het college in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om hoewel het gegeven dat de aanvrager geen eigenaar meer is van het perceel eraan te twijfelen dat het belang van het landbouwbedrijf bij de Nbw-vergunning is gelegen in het kunnen realiseren van de aangevraagde bedrijfssituatie. In hetgeen de stichting heeft aangevoerd over de planologische situatie heeft het college naar het oordeel van de Afdeling geen grond behoeven te zien om ervan uit te gaan dat realisatie van die aangevraagde bedrijfssituatie illusoir is.

Het betoog faalt.

Conclusie en proceskostenveroordeling

6. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.J.M. Schoonbrood, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Schoonbrood

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2017

694.