Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:596

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
201606335/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:5080, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 april 2015 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606335/1/V6.

Datum uitspraak: 8 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2016 in zaak nr. 16/142 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister).

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2015 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 17 december 2015 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juli 2016 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2017, waar [appellante], bijgestaan door drs. F.W. King, rechtshulpverlener te Leiden, en de minister, vertegenwoordigd door drs. J.M. Sidler, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2. Onder de minister wordt tevens zijn rechtsvoorganger verstaan.

3. Bij besluit van 17 december 2015 heeft de minister de afwijzing van het verzoek gehandhaafd, omdat [appellante] bij de indiening ervan geen gelegaliseerde geboorteakte en geen geldig buitenlands reisdocument heeft overgelegd zodat haar identiteit en nationaliteit niet zijn komen vast te staan. Voorts heeft [appellante] volgens de minister niet aangetoond in bewijsnood te verkeren.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat haar identiteit niet is komen vast te staan. Haar identiteit blijkt immers uit het feit dat zij volgens DNA-onderzoek de biologische dochter is van de tot Nederlander genaturaliseerde [persoon].

[appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet in bewijsnood verkeert. De rechtbank heeft hier ten onrechte aan ten grondslag gelegd dat de Azerbeidzjaanse autoriteiten blijkens de brief van de Azerbeidzjaanse ambassade van 28 december 2015 bij hun onderzoek naar de registratie van de geboorte van [appellante] in de relevante archieven van Azerbeidzjan op de naam [naam] hebben gezocht en dat niet is uitgesloten dat een onderzoek op basis van een andere schrijfwijze wel succesvol kan zijn. Immers, uit voormelde brief en een e-mail van de consul bij de Azerbeidzjaanse ambassade blijkt dat zij hebben gezocht op de schrijfwijze van haar naam die tot 2007 werd gehanteerd en naar aanleiding daarvan hebben geconcludeerd dat aan haar geen geboorteakte en paspoort kunnen worden verstrekt. [appellante] betoogt dat, nu zij niet in de nationale registers van Azerbeidzjan voorkomt, aan haar geen geldige geboorteakte kan worden verstrekt. Verder betoogt zij dat blijkens de verklaring van de Azerbeidzjaanse ambassade van 5 januari 2016 voor de afgifte van een paspoort een identiteitskaart is vereist. Nu voor de afgifte van een identiteitskaart echter een geboorteakte is vereist, kan zij evenmin een paspoort verkrijgen. Daar komt bij dat een identiteitskaart in persoon in Azerbeidzjan moet worden aangevraagd en, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet van haar kan worden gevergd naar Azerbeidzjan af te reizen. Haar toegang en toelating aldaar zijn immers niet gewaarborgd, nu haar vreemdelingenreisdocument geen toegang biedt tot Azerbeidzjan, aldus [appellante]. Het inschakelen van een - professionele - derde kan volgens [appellante] nergens toe leiden, nu er geen begin van bewijs is, zoals een registratie in de Azerbeidzjaanse archieven. Daar komt bij dat haar moeder naar Azerbeidzjan is gereisd, maar haar inspanningen voor [appellante] tot niets hebben geleid.

Verder wijst [appellante] erop dat etnische Armeniërs uit Azerbeidzjan en Syrische vreemdelingen die het Nederlanderschap willen verkrijgen via naturalisatie worden vrijgesteld van het overleggen van een geboorteakte en een paspoort. Dit doet een situatie van rechtsongelijkheid ontstaan, aldus [appellante].

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT6673) is de verlening van het Nederlanderschap, gelet op de daaraan verbonden gevolgen, een zaak van groot gewicht en is de minister dan ook bevoegd om te eisen dat de desbetreffende verzoeker op de in de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap neergelegde wijze zijn identiteit en nationaliteit aantoont.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 1 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV2474) volgt dat de verzoeker die betoogt dat hij in bewijsnood verkeert, moet aantonen dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van de gevraagde documenten.

4.2. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] haar identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond. Het door haar overgelegde rapport van het DNA Diagnostics Center, waaruit blijkt dat zij een dochter is van [persoon], kan niet worden gebruikt ter staving van haar identiteit, nu hieruit niet haar voornaam, geslachtsnaam, geboortedatum, geboorteplaats, geboorteland en nationaliteit blijken. De minister is, gelet op hetgeen in 4.1 is overwogen, bevoegd op de daartoe geëigende wijze bewijs van de gestelde identiteit te verlangen.

Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij van de Azerbeidzjaanse autoriteiten geen gelegaliseerde geboorteakte en geldig buitenlands reisdocument kan verkrijgen. Hierbij heeft de minister terecht de hiervoor vermelde e-mail van de consul bij de Azerbeidzjaanse ambassade in aanmerking genomen, waarin de consul schrijft dat hij de procedure ter verkrijging van de geboorteakte van [appellante] wil starten als zij naar het consulaat komt en € 40,00 overmaakt. Verder heeft de minister in dit verband terecht gewezen op de e-mail van de Azerbeidzjaanse autoriteiten van 11 november 2015, waarin staat op welke wijze [appellante] een geboorteakte en een paspoort kan aanvragen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de brief van de Azerbeidzjaanse ambassade van 28 december 2015, waarin staat dat de registratie van de geboorte van [appellante] niet in de relevante archieven in Azerbeidzjan is gevonden en dat haar daarom geen geboorteakte kan worden verstrekt, niet volgt dat zij van de Azerbeidzjaanse autoriteiten geen geboorteakte kan verkrijgen. Haar naam werd immers tot 2007 op een andere manier geschreven en uit de brief van 28 december 2015 en de e-mail van de consul bij de Azerbeidzjaanse ambassade volgt niet dat de Azerbeidzjaanse autoriteiten daadwerkelijk op basis van alle varianten van haar naam onderzoek in de relevante registers hebben verricht. Derhalve heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet onmogelijk is dat onderzoek op basis van een andere schrijfwijze wel succesvol kan zijn. Daarbij is tevens van belang dat niet in geschil is dat er naar aanleiding van de geboorte van [appellante] een geboorteakte is opgemaakt, hetgeen aanleiding geeft te veronderstellen dat de gegevens van [appellante] in de registers van de burgerlijke stand van Azerbeidzjan terug te vinden moeten zijn.

Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geboorteakte en een paspoort en de hiervoor vereiste identiteitskaart, reeds omdat zij niet heeft getracht de gevraagde documenten door tussenkomst van een professionele derde te verkrijgen. De enkele, niet gestaafde stelling dat dit nergens toe kan leiden, is onvoldoende om te oordelen dat zij reeds daarmee bewijsnood heeft aangetoond. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat [appellante] niet heeft aangetoond dat de vereiste documenten in persoon moeten worden aangevraagd.

Nu de civiele registers in Syrië zijn vernietigd dan wel niet meer volledig functioneren wegens de politieke situatie aldaar, is een in Syrië geboren vreemdeling tijdelijk vrijgesteld van de eis van het overleggen van een geboorteakte en een paspoort. Etnische Armeniërs uit Azerbeidzjan zijn evenzeer vrijgesteld van die eis, nu de Azerbeidzjaanse autoriteiten het (juridische) bezit van de Azerbeidzjaanse nationaliteit in het algemeen niet erkennen als het een etnische Armeniër betreft. Reeds omdat de situatie van [appellante] niet vergelijkbaar is met die van etnische Armeniërs uit Azerbeidzjan en personen afkomstig uit Syrië, faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Elburg, griffier.

w.g. Verheij w.g. Elburg

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2017

800.

BIJLAGE

Rijkswet op het Nederlanderschap

Artikel 7

1. Met inachtneming van de bepalingen van dit Hoofdstuk verlenen Wij op voordracht van Onze Minister het Nederlanderschap aan vreemdelingen die daarom verzoeken.

(…)

Artikel 23

1. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van deze Rijkswet.

(…)

Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap

Artikel 31

1. Bij de indiening van een naturalisatieverzoek verstrekt de verzoeker betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot:

a. geslachtsnaam en voornaam of voornamen, onderscheidenlijk naam of namen;

b. geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland;

(…)

e. nationaliteit of nationaliteiten;

(…)

5. De autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook Onze Minister, kan verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten. (…)

Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap

Paragraaf 3.5.1. Buitenlands reisdocument/aantonen bezit vreemde nationaliteit

Algemeen

De verzoeker moet in beginsel een geldig buitenlands reisdocument overleggen, inclusief alle pagina’s met in- en uitreisstempels. Dit niet alleen in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand. (…)

(…)

Is de verzoeker houder van een regulier verblijfsrecht (dit is alles dat niet een verblijfsrecht asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd is) dan moet in beginsel een geldig buitenlands reisdocument worden overgelegd, tenzij de verzoeker met ‘staatloos’ in de BRP is ingeschreven. Dit geldt ook voor de houder van een regulier verblijfsrecht, die bij de verlening en/of verlenging van het verblijfsrecht door de IND is vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort).

(…)

Paragraaf 3.5.2. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand

De verzoeker moet in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) overleggen (…)

- geboorteakte van hemzelf (…)

Het belang van de buitenlandse geboorteakte in de naturalisatieprocedure is onder meer dat aan de hand daarvan de namen van de verzoeker om naturalisatie blijken naar diens eigen recht, en dat daarmee kan worden bepaald of betrokkene (al) een geslachtsnaam heeft of niet. (…)

(…)

Paragraaf 3.5.5. Bewijsnood of inwilliging met toepassing van art. 4:84 Awb: geldig buitenlands reisdocument (paspoort) en of geboorteakte

De houder van een reguliere verblijfsvergunning is op grond van artikel 7 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) en de lagere regelgeving, als hoofdregel verplicht om bij het indienen van een naturalisatieverzoek zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen. Dit moet hij doen met een gelegaliseerde of van een apostillestempel voorziene geboorteakte alsmede met een geldig buitenlands paspoort. Van deze hoofdregel wordt afgeweken als sprake is van bewijsnood dan wel als het in het individuele geval het onevenredig zou zijn om vast te houden aan de hoofdregel.

Bewijsnood akten van de burgerlijke stand

Inzake buitenlandse akten van de burgerlijke stand wordt bewijsnood aangenomen als:

- Het bewuste document nooit is opgemaakt omdat in het desbetreffende land nimmer geboorteakten worden/werden opgemaakt;

- Het bewuste document wel is opgemaakt, maar het register waarin het was opgenomen, is verloren gegaan;

- Op basis van een ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is besloten om vanwege de politieke situatie in een land (tijdelijk) niet te verlangen dat in dat land akten (of andere bewijsstukken) worden overgelegd.

Bewijsnood geldig buitenlands paspoort

Inzake een buitenlands paspoort wordt bewijsnood aangenomen als:

- Betrokkene staatloos is;

- Op basis van een ambtsbericht van BZ is besloten om vanwege de politieke situatie in een land (tijdelijk) niet te verlangen dat van dat land een geldig reisdocument wordt overgelegd.

De verzoeker, niet zijnde houder van een verblijfsvergunning asiel, die zich erop beroept dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is (of waar hij geboren is), niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig buitenlands reisdocument en/of geboorteakte, toont dat op volgende wijze aan. De verzoeker legt een schriftelijke verklaring over van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is (of waar hij geboren is), waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de verzoeker niet in het bezit wordt gesteld van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) en/of geboorteakte.

Als er geen verklaring is van de buitenlandse autoriteiten waarom de verzoeker niet in het bezit wordt gesteld van een geldig buitenlands reisdocument en/of geboorteakte, toont hij met andere, objectieve en verifieerbare bewijsstukken aan wat hij heeft gedaan om in het bezit te komen van deze documenten. Deze bewijsstukken worden in het naturalisatiedossier gevoegd. De IND beslist vervolgens of voldoende is aangetoond dat de verzoeker niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van het gevraagde document. De bewijsstukken mogen bij de indiening van het verzoek om naturalisatie in principe niet ouder zijn dan zes maanden.

(…)