Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:586

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
201606065/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:3458, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2015 heeft het dagelijks bestuur het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de werkzaamheden die zijn verricht rond de percelen, kadastraal bekend als gemeente Helmond, sectie T, nummers 2712, 322, 847 en 848 grotendeels afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/1275
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606065/1/A1.

Datum uitspraak: 8 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 juni 2016 in zaak nr. 16/527 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het Waterschap Aa en Maas.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2015 heeft het dagelijks bestuur het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de werkzaamheden die zijn verricht rond de percelen, kadastraal bekend als gemeente Helmond, sectie T, nummers 2712, 322, 847 en 848 grotendeels afgewezen.

Bij besluit van 12 januari 2016 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 juni 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt een schriftelijke uiteenzetting te geven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2017, waar [appellant] en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. K.I.M. Lap en mr. L.M.J.C. van de Wiel, zijn verschenen. Voorts is Coöperatie Bosgroep Zuid-Nederland U.A. (hierna: Bosgroep Zuid-Nederland), vertegenwoordigd door [gemachtigde], als derdebelanghebbende gehoord.

Overwegingen

1. Bij brief van 17 maart 2015 heeft [appellant] het dagelijks bestuur verzocht om handhavend op te treden tegen het zonder watervergunning uitvoeren van werkzaamheden rond zijn percelen sectie T, nummers 2712, 322, 847 en 848 die zijn gelegen in het gebied Groot Goor te Helmond. In het besluit van 3 juli 2015 heeft het dagelijks bestuur gesteld dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd op grond van een op 25 september 2012 verleende omgevingsvergunning of zijn gelegaliseerd met de op 1 juli 2015 verleende watervergunning. Het dagelijks bestuur heeft besloten handhavend op te treden ten aanzien van een duiker ter hoogte van het perceel 2712, omdat deze duiker te hoog ligt ten opzichte van de bij besluit van 1 juli 2015 vergunde situatie.

2. De Afdeling stelt voorop dat de door [appellant] aangevoerde gronden over het bestemmingsplan Buitengebied Helmond 2010, het al dan niet nodig zijn van een vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een projectbesluit en het rapport van Hanhart Consult van juli 2012, niet aan de orde kunnen komen. In deze hogerberoepsprocedure staat de rechtmatigheid van het bij besluit van 12 januari 2016 in stand gelaten handhavingsbesluit van 3 juli 2015, ter beoordeling. De vermelde gronden hebben geen betrekking op dat besluit. Ook de rechtmatigheid van de op onderscheidenlijk 25 september 2012 en 1 juli 2015 verleende watervergunningen kunnen, gelet op het vorenstaande, niet aan de orde komen.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur een beginselplicht tot handhaven heeft en de werkzaamheden zijn uitgevoerd op het moment dat er nog geen vergunning was verleend.

3.1. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

3.2. Niet in geschil is dat de werkzaamheden deels zonder vergunning zijn uitgevoerd. Op 1 juli 2015 heeft het dagelijks bestuur een watervergunning verleend waarmee de verrichte werkzaamheden zijn gelegaliseerd. Gelet hierop heeft het dagelijks bestuur ten tijde van de besluiten van 3 juli 2015 en 12 januari 2016 terecht geen aanleiding gezien handhavend op te treden. De rechtbank heeft in het betoog van [appellant] in zoverre terecht geen aanleiding gezien om het besluit van 12 januari 2016 te vernietigen. Het betoog faalt.

Overigens is de op 1 juli 2015 verleende watervergunning door de uitspraak van de Afdeling van heden in zaak nr. 201603365/1/A1 onherroepelijk geworden.

4. [appellant] betoogt dat Bosgroep de in juli 2016 verrichte herstelwerkzaamheden niet heeft uitgevoerd overeenkomstig de watervergunning van 1 juli 2015 en deze in strijd zijn met de geldende Keur. Ook betoogt [appellant] dat hij economische schade lijdt ten gevolge van de werkzaamheden.

4.1. Het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank. De werkzaamheden waarop het betoog van [appellant] betrekking heeft, hebben plaatsgevonden in juli 2016 en derhalve na de uitspraak van de rechtbank, zodat de uitspraak daarop geen betrekking kon hebben. Bovendien zag het verzoek om handhaving dat ten grondslag ligt aan het besluit op bezwaar van 12 januari 2016, waarvan de rechtmatigheid thans ter beoordeling staat, niet op de in juli 2016 verrichte herstelwerkzaamheden.

Het betoog faalt.

5. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat de gegeven begunstigingstermijn voor het herstellen van de duiker onnodig lang is, overweegt de Afdeling dat [appellant] deze grond niet in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft dan ook geen oordeel kunnen geven over dit betoog. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank, er geen reden is waarom dit betoog niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, griffier.

w.g. Slump w.g. De Jong

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2017

628.