Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:584

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
201604466/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 april 2016 heeft het college het wijzigingsplan "Rudolphlaan I" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1183
JOM 2017/1272
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604466/1/R1.

Datum uitspraak: 8 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te De Glind, gemeente Barneveld, en anderen,

2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te De Glind, gemeente Barneveld,

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2016 heeft het college het wijzigingsplan "Rudolphlaan I" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2017, waar [appellant sub 1] en anderen, bij monde van [appellant sub 1], [drie andere appellanten sub 1], [appellant sub 2] en het college, vertegenwoordigd door ing. G.H. Landeweerd en W. Kuik, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in een uitbreiding van het agrarisch bouwvlak op het perceel [locatie 1] te De Glind, waarop een biologisch-dynamisch kippenbedrijf wordt geëxploiteerd. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] verzetten zich tegen het binnen het bouwvlak mogelijk maken van een stal voor legkippen. Zij vrezen diverse negatieve milieugevolgen voor de omgeving.

2. Artikel 3, lid 3.7, onder 1, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" luidt:

"Burgemeester en wethouders kunnen een bouwvlak vergroten, de bestemming wijzigen in Groen en voorwaardelijke verplichtingen in de regels opnemen:

[…]

c. tot maximaal 1,5 hectare ter plaatse van de aanduiding reconstructiewetzone - verwevingsgebied GV, met dien verstande dat:

- het vergrote bouwvlak niet meer bedraagt dan 130% van het op 17 maart 2005 geldende bouwvlak, als in dat bouwvlak intensieve veehouderij is toegestaan;

- het geldende bouwvlak omvat het op genoemde datum geldende bouwvlak conform het toen geldende bestemmingsplan plus 200% van de oppervlakte van de op dat moment legaal aanwezige agrarische bedrijfsbebouwing die aansluitend, doch buiten het bouwvlak was gerealiseerd;

[…]

met dien verstande dat voor alle in dit lid genoemde vergrotingen geldt dat:

- de vergroting noodzakelijk is in het kader van een doelmatige en/of duurzame bedrijfsvoering;

- er wordt gestreefd naar een compacte bouwvlakvorm, voor zover dat streven geen afbreuk doet aan een zorgvuldige landschappelijke inpassing;

- er sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing, al dan niet door het nemen van passende maatregelen;

- aannemelijk is gemaakt dat geen onacceptabele verkeersaantrekkende werking optreedt;

- geen significante aantasting plaatsvindt van ecologische waarden en is aangetoond dat het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid niet leidt tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden;

- geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie;

- voor de vergroting van de oppervlakte van het bouwvlak saldo beschikbaar is binnen de component 'oppervlakte bouwvlak' van de salderingsregistratie."

3. Voor zover [appellant sub 1] en anderen zich verzetten tegen de door de in 2006 aan [belanghebbende] verleende milieuvergunning mogelijk gemaakte toename van het aantal legkippen van 24.775 naar 39.999, richt hun betoog zich tegen die - in rechte onaantastbare - vergunning en kan dat in deze procedure niet aan de orde komen. Het betoog faalt.

4. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de door het wijzigingsplan mogelijk gemaakte vergroting van het bouwvlak zal leiden tot extra luchtverontreiniging door fijnstof. [appellant sub 2] voert aan dat door de ten opzichte van het ontwerp gewijzigde positionering van de stal, die dichter bij zijn perceel kan worden opgericht, meer overlast door fijnstof zal worden ondervonden.

4.1. In de plantoelichting staat dat de ontwikkelingen in het plangebied dermate kleinschalig zijn, dat ze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeft niet in beeld te worden gebracht.

4.2. De Afdeling overweegt dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat wat fijnstof betreft geen sprake is van een onevenredige aantasting van de milieusituatie, zodat in zoverre aan de wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Het college heeft in dit verband meetgegevens overgelegd. [appellant sub 1] en anderen hebben deze niet gemotiveerd betwist. Een verwijzing in algemene zin naar de situatie in Barneveld, onder meer wat betreft de levensduur van de inwoners, is op zichzelf onvoldoende voor een ander oordeel.

Het betoog faalt.

5. [appellant sub 1] en anderen betogen dat zij, mede afhankelijk van de windrichting, stankoverlast ondervinden van de pluimveehouderij. Door de uitbreiding van het aantal kippen wordt de stankcirkel groter waardoor omwonenden binnen de stankcirkel komen te wonen. [appellant sub 2] vreest als gevolg van de gewijzigde situering van de stal meer stankoverlast. De wind zal volgens hem meestal vanuit de nieuw op te richten stal richting zijn woning waaien.

5.1. Het college stelt dat het in of nabij agrarisch gebied normaal is dat men in zekere mate dieren ruikt. Het plan leidt er niet toe dat niet aan de geldende geurnormen kan worden voldaan. In Barneveld geldt een gemeentelijke geurverordening, waarbij voor een aantal aangegeven gebieden is afgeweken van de wettelijke normen. Voor de dichtstbij gelegen geurgevoelige objecten in de bebouwde kom en die in het buitengebied wordt aan de geurnorm gemeten in odour units voldaan. De berekende achtergrondbelasting na vergroting van het bouwvlak staat niet in de weg aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De bouw van de stal betekent een wijziging van de in 2006 vergunde inrichting en daarvoor dient een melding te worden gedaan op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het college kan maatwerkvoorschriften opleggen, bij voorbeeld ten aanzien van het afrasteren van de uitloopruimte nabij woningen van derden.

5.2. In de plantoelichting staat dat in de directe omgeving van het plangebied en de gewenste uitbreiding van het bouwperceel zich de burgerwoning [locatie 2] en het agrarisch bedrijf [locatie 3] bevinden. De afstand van de gewenste uitbreiding tot de woning bedraagt 145 m. De afstand van de emissiepunten naar de agrarische bedrijfswoning [locatie 3] dient tenminste 50 m te zijn. Hieraan wordt voldaan. Het plan maakt alleen een nieuwe stal mogelijk. Het aantal dieren neemt niet toe en de afstand naar geurgevoelige objecten wordt niet kleiner.

Gelet op artikel 5 van de Wet geurhinder en veehouderij dient een afstand van 25 m aangehouden te worden tussen de buitenste gevel van een dierenverblijf en een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. Hier wordt aan voldaan.

Het aspect geur vormt volgens de plantoelichting geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

5.3. De Afdeling overweegt dat [appellant sub 1] en anderen hun bezwaren in zoverre niet hebben onderbouwd. Zij betwisten ook de meetgegevens die het college in dit verband heeft overgelegd niet. Het betoog faalt.

6. [appellant sub 1] en anderen betogen dat in het erfinrichtingsplan staat dat de initiatiefnemer het erfinrichtingsplan inmiddels heeft uitgevoerd, maar daar is volgens hen nauwelijks sprake van. Een goede landschappelijke inpassing is zo niet verzekerd. [appellant sub 2] betoogt dat het erfinrichtingsplan waarvan bij de voorbereiding is uitgegaan, niet is aangepast aan de andere situering van de stal waar het wijzigingsplan op ziet. Ook ontbreekt volgens [appellant sub 2] een voorwaardelijke verplichting waar het betreft de uitvoering van het erfinrichtingsplan.

6.1. Het college stelt dat is geconstateerd dat de beplantingen die in het erfinrichtingsplan zijn aangegeven ten zuiden, ten westen en ten noorden van de stallen door de initiatiefnemer (nagenoeg) zijn gerealiseerd, waarna de planologische procedure verder in gang was gezet. Het oorspronkelijke beplantingsplan is door de gewijzigde situering van de te bouwen stal verouderd. Bij het verweerschrift is een nieuw beplantingsplan gevoegd. Dit beplantingsplan leidt volgens het college tot de noodzaak om aanvullende beplanting te realiseren.

6.2. De Afdeling stelt vast dat de beplanting ten zuiden, westen en noorden van de stallen reeds aanwezig is. Ter zitting heeft [belanghebbende] verklaard dat hij in het kader van het agrarisch natuurbeheer subsidie ontvangt en in dit verband de aangebrachte beplanting dient te onderhouden. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ten aanzien van de landschappelijke inpassing in het wijzigingsplan nadere eisen had moeten opnemen. Daarbij is in aanmerking genomen dat voor zover nog aanvullende beplanting nodig is, het slechts gaat om een verbetering op enige plekken van de reeds bestaande houtsingel aan de westelijke zijde van de stallen.

De betogen falen.

7. [appellant sub 2] betoogt dat omdat bij de vaststelling ten opzichte van het ontwerp het bouwvlak 20 m meer naar rechts is gepositioneerd, bezien vanuit zijn perceel, sprake is van een verslechtering van het uitzicht. Ook zullen de kippen volgens hem meer uitlopen naar zijn gronden.

7.1. Het college stelt dat de beoogde situering van de stal is ingegeven door de bedrijfsvoering van de pluimveehouderij. De nieuwe stal sluit aan op het bestaande eierlokaal in de huidige stal. Daarnaast hebben de kippen zowel aan de noordkant als aan de zuidkant van de nieuwe stal voldoende uitloopruimte. Het uitzicht vanuit de woning van [appellant sub 2] wordt volgens het college deels bepaald door bestaande bomen. Daarnaast bevindt de woning zich op ongeveer 120 m afstand van de locatie voor de nieuwe stal. De wijziging van de vorm van het agrarisch bouwvlak beïnvloedt het uitzicht niet op een onaanvaardbare wijze, aldus het college.

7.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich gelet op de afstand en de reeds aanwezige bomen in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het uitzicht van [appellant sub 2] niet onevenredig zal worden aangetast door de benutting van de bouwmogelijkheden in het wijzigingsplan. Voor zover [appellant sub 2] vreest voor overlast door op zijn gronden lopende kippen, is ter zitting gebleken dat binnenkort de afrastering ten noorden van het perceel van [belanghebbende] zal worden hersteld, waardoor deze overlast kan worden voorkomen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het wijzigingsplan hieromtrent een bepaling dient te bevatten.

Het betoog faalt.

8. De beroepen zijn ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

w.g. Slump w.g. Zwemstra

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2017

91.