Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:579

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
201606936/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Recreatieterrein De Eilanden" gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1225
JOM 2017/1278
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606936/1/R3.

Datum uitspraak: 8 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Krimpenerwaard,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Recreatieterrein De Eilanden" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.D. Bouwman-van Blarkom, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Bij uitspraak van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1220, heeft de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het op 30 september 2014 vastgestelde bestemmingsplan "Recreatieterrein De Eilanden" gegrond verklaard en dat besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb vernietigd wat betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" voor het perceel kadastraal bekend als Stolwijk sectie C, nrs. 999, 1001 en 1002. De Afdeling heeft de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb opgedragen om binnen 12 weken na de verzending van de uitspraak van 4 mei 2016 en met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3559, is overwogen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van het vernietigde plandeel. Naar aanleiding van die opdracht is het thans bestreden besluit van 5 juli 2016 genomen.

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

4. [appellant] betoogt dat het bestreden besluit niet in overeenstemming is met de genoemde uitspraken van 18 november 2015 en 4 mei 2016. Hiertoe voert [appellant] aan dat zijn recreatiewoning weliswaar wat betreft de gebruiksmogelijkheden als zodanig is bestemd, maar niet wat betreft de bouwmogelijkheden. Volgens het plan mag de recreatiewoning een oppervlakte hebben van 35 m², terwijl bouwvergunning is verleend voor een oppervlakte van 47 m², aldus [appellant].

4.1. Ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit in overeenstemming is met de eerdere uitspraken van de Afdeling. Het gebruik als recreatiewoning is thans immers toegestaan, aldus de raad. De raad heeft gekozen voor een maximale oppervlakte van de recreatiewoning van 35 m², omdat elders in het plangebied maximaal 20 m² aan bebouwing is toegestaan en de Afdeling in een zaak over het bestemmingsplan "Recreatieterrein Groeneweg" een maximale oppervlakte van 35 m² redelijk heeft geacht. Het overige deel van het gebouw valt volgens de raad onder het persoonsgebonden overgangsrecht.

4.2. In de tussenuitspraak van 18 november 2015 is onder meer het volgende overwogen:

"Bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Stolwijk van 23 februari 1973 is voor het perceel waarvan [appellant] nu eigenaar is een bouwvergunning met vrijstelling ex artikel 352, vierde lid, van de toenmalige bouwverordening verleend voor de bouw van een recreatie-woonverblijf. Deze bebouwing is niet als zodanig bestemd.

Het recreatie-woonverblijf is een legaal bouwwerk. Een bestaand legaal bouwwerk dient in beginsel bij de vaststelling van een bestemmingsplan als zodanig te worden bestemd. Een uitzondering hierop kan worden gemaakt als een dienovereenkomstige bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. De raad heeft onvoldoende duidelijk gemaakt of in dit geval, waarin bij het niet als zodanig bestemmen van het bouwwerk onteigening zou moeten volgen, van een dergelijke situatie sprake is. Gelet daarop is het plan, voor zover het desbetreffende bouwwerk niet als zodanig is bestemd, niet met de te betrachten zorgvuldigheid voorbereid.

In een verleende bouwvergunning ligt voorts het recht besloten de vergunning overeenkomstig het doel waarvoor deze is verleend, te gebruiken. Gelet op de zinsnede "bouwen van een recreatie-woonverblijf" kan de verleende vergunning naar het oordeel van de Afdeling niet anders worden begrepen dan dat deze beoogt het gebruik van het bouwwerk ten behoeve van verblijfsrecreatie toe te staan. De raad heeft dit miskend. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het aangevoerde ook daarom aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover het gebruik van het bouwwerk voor verblijfsrecreatie daarin niet als zodanig is bestemd, niet met de te betrachten zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt".

4.3. De gronden van [appellant] hebben deels de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" en een bouwvlak gekregen. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor verblijfsrecreatie en de bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en toegangswegen. Artikel 4, lid 4.2, luidt:

"Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;

b. per bouwvlak is maximaal 35 m² aan bebouwing toegestaan;

c. de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 3 meter;

d. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 4,5 meter;

e. ondergrondse bebouwing is niet toegestaan".

Lid 4.4 luidt:

"a. In afwijking van de regels bij deze bestemming, mag, bij wijze van persoonsgebonden overgangsrecht, het gebruik van gronden en opstallen voor verblijfsrecreatie tevens zien op het behouden en onderhouden van de opstallen die afwijken van de bouwregels.

b. Dit persoonsgebonden overgangsrecht ziet alleen op de bebouwing zoals deze aanwezig was ten tijde van het ter visie leggen van het ontwerpbestemmingsplan en indien en voor zover is opgenomen in bijlage 1 die behoort bij de planregels.

c. Dit persoonsgebonden overgangsrecht geldt enkel voor degene die ten tijde van het ter visie leggen van het ontwerpbestemmingsplan de eigenaar was van de bewuste grond en opstallen en indien en voor zover degene is opgenomen in bijlage 1 die behoort bij de planregels.

d. Dit persoonsgebonden overgangsrecht geldt uitdrukkelijk niet voor het geheel of gedeeltelijk vernieuwen van de bestaande bouwwerken".

In bijlage 1 bij de planregels is de naam van [appellant] genoemd en op een plattegrond zijn de ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan aanwezige bouwwerken aangeduid. Ook zijn foto’s van die bouwwerken in bijlage 1 opgenomen.

In paragraaf 2.3.1 van de plantoelichting is vermeld dat de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" ten behoeve van het recreatieverblijf op het perceel kadastraal bekend Stolwijk sectie C, perceelnummer 1002 is toegevoegd aan het plan. Volgens de plantoelichting is deze bestemming enkel opgenomen voor het gebied rondom het recreatieverblijf en primair bedoeld om het recreatieverblijf te legaliseren. Bergingen en bijgebouwen zijn op gronden met deze bestemming niet toegestaan, aldus de plantoelichting. Voorts is daarbij vermeld dat de overige gronden van [appellant] de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" hebben, waarbinnen de bergingen en bijgebouwen zijn toegestaan, gekoppeld aan het persoonsgebonden overgangsrecht voor bebouwing.

4.4. De Afdeling leidt uit de tekening behorende bij de bouwvergunning van 23 februari 1973 af dat die vergunning betrekking heeft op een recreatie-woonverblijf van ongeveer 47 m². Nu ingevolge artikel 4, lid 4.2, aanhef en onder b, van de planregels per bouwvlak maximaal 35 m² aan bebouwing is toegestaan, is het recreatie-woonverblijf niet geheel als zodanig bestemd. Zoals in de tussenuitspraak van 18 november 2015 reeds is overwogen is het recreatie-woonverblijf een legaal bouwwerk dat in beginsel bij de vaststelling van een bestemmingsplan als zodanig dient te worden bestemd. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom daarop in dit geval een uitzondering kan worden gemaakt. In de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1748) over het bestemmingsplan "Recreatieterrein Groeneweg", waar de raad ter zitting naar heeft verwezen, ging het geschil over het al dan niet als zodanig bestemmen van illegale bebouwing en niet om legaal aanwezige bebouwing. Bovendien was op het desbetreffende perceel een stacaravan aanwezig van 33 m² die door het toestaan van een maximale oppervlakte van 35 m² aan bebouwing als zodanig was bestemd. Reeds daarom kan de raad geen beroep doen op deze uitspraak als argument om het recreatie-woonverblijf van [appellant] niet volledig als zodanig te bestemmen. Dat ingevolge artikel 4, lid 4.4, van de planregels persoonsgebonden overgangsrecht van toepassing is op het deel van de bebouwing dat niet als zodanig is bestemd, acht de Afdeling onvoldoende recht doen aan de legaal bestaande situatie. Gelet daarop is het plan, voor zover het desbetreffende legaal aanwezige bouwwerk niet geheel als zodanig is bestemd, niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt.

4.5. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 4, lid 4.2, aanhef en onder b, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb de raad op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De raad dient daartoe het recreatie-woonverblijf op het perceel kadastraal bekend Stolwijk sectie C, nrs. 999, 1001 en 1002 alsnog geheel als zodanig te bestemmen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van het plan niet opnieuw te worden toegepast.

5. In de einduitspraak zal worden beslist over de vergoeding van de proceskosten van [appellant] en het door hem betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Krimpenerwaard op om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

-met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het gebrek in het besluit van 5 juli 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Recreatieterrein De Eilanden" te herstellen en een nieuw besluit te nemen;

-de Afdeling en de andere partij de uitkomst mede te delen en het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Poppelaars, griffier.

w.g. Uylenburg w.g. Poppelaars

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2017

780.