Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:576

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
201604972/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:4317, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2015 heeft de korpschef de op 22 december 2014 aan Ebm Security verleende toestemming om door [appellant] beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604972/1/A3.

Datum uitspraak: 8 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 mei 2016 in zaak nr. 15/2131 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2015 heeft de korpschef de op 22 december 2014 aan Ebm Security verleende toestemming om door [appellant] beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten ingetrokken.

Bij besluit van 18 juni 2015 heeft de korpschef het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 mei 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. L.M.E. Embregts, advocaat te Heerlen, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. I.M. Haagmans, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] volgt een opleiding tot beveiliger. Door de intrekking van de toestemming mag Ebm Security hem geen werkzaamheden voor het bedrijf laten uitvoeren. Hierdoor kan [appellant] niet voldoen aan de eis van zijn opleiding om stage te lopen voor zijn praktijkexamen, waardoor hij zijn opleiding niet kan afronden.

2. De korpschef heeft de op 22 december 2014 verleende toestemming ingetrokken, omdat [appellant] op 3 februari 2015 door de politie is aangehouden in het bezit van een handelshoeveelheid harddrugs. Voor dit feit is [appellant] op 29 april 2015 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar. Met het plegen van dit delict heeft [appellant] er volgens de korpschef blijk van gegeven de rechtsregels naast zich neer te leggen, zodat niet langer wordt voldaan aan de voor werken in de beveiligingsbranche geldende eis van betrouwbaarheid. De korpschef is tot intrekking overgegaan, omdat hij het persoonlijke belang van [appellant] niet zwaarder vindt wegen dan het belang dat is gediend bij een veilige en betrouwbare beveiligingssector. Hierbij heeft de korpschef tevens betrokken dat [appellant] al eerder blijk ervan heeft gegeven de geldende rechtsregels naast zich neer te leggen.

Oordeel rechtbank

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de betrouwbaarheid van [appellant] niet boven elke twijfel is verheven. Volgens de rechtbank is voor een belangenafweging of toepassing van de hardheidsclausule in zo’n geval geen plaats.

Hoger beroep

4. [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de korpschef ten onrechte de enkele veroordeling voor het bezitten van harddrugs voldoende heeft geacht om te twijfelen aan zijn betrouwbaarheid. Hij heeft tijdens zijn opleiding en bij een eerdere stage alleen maar goede beoordelingen gekregen en hoeft nooit te worden aangesproken op wangedrag. Het delict heeft zich afgespeeld in de privésfeer en is drugsgerelateerd zodat het geen verband houdt met zijn werkzaamheden als beveiliger. Volgens [appellant] hadden eerst minder vergaande maatregelen moeten worden getroffen. De intrekking beïnvloedt zijn toekomst zeer negatief, nu hij zijn opleiding niet kan afmaken, hij zijn studiefinanciering zal moeten terugbetalen en hij geen inkomen zal kunnen verkrijgen, hetgeen ook financiële gevolgen voor zijn moeder heeft. De rechtbank heeft volgens [appellant] ten onrechte geoordeeld dat de korpschef terecht geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule en ook geen belangenafweging hoefde te maken. Volgens [appellant] is de kans op recidive niet aanwezig, omdat er vanuit kan worden gegaan dat hij betrouwbaar en integer in zijn werk is.

Oordeel van de Afdeling

5. Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

6. Bij de beoordeling of een persoon beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is voor het te verrichten werk, komt de korpschef beoordelingsruimte toe die door de korpschef is ingevuld met de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2014.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (vergelijk de uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2544), mogen aan medewerkers in de beveiligingsbranche hogere eisen worden gesteld dan aan medewerkers in andere betrekkingen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de korpschef als maatstaf mag hanteren dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven moet zijn. De rechtbank heeft eveneens met juistheid overwogen dat ook incidenten in de privésfeer bij de beoordeling worden betrokken als deze zich naar hun aard niet verdragen met beveiligingswerkzaamheden. Het functioneren in de privésfeer mag voor de korpschef een indicatie zijn voor het algehele functioneren. [appellant] heeft er met het bezit van een handelshoeveelheid harddrugs blijk van gegevens dat hij onder omstandigheden rechtsregels naast zich neerlegt, waarvan de overtreding een ernstige aantasting van de rechtsorde oplevert. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de korpschef in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat het [appellant] aan de benodigde betrouwbaarheid ontbreekt.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (vergelijk de uitspraak van 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:865), heeft artikel 7, vijfde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2014, gezien de bewoordingen ervan, geen imperatief karakter en verplicht dit de korpschef daarom niet om, indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, de toestemming voor tewerkstelling bij een beveiligingsorganistatie in te trekken. Gelet hierop moet worden aangenomen dat bij die beoordeling ruimte is voor een belangenafweging. Hoewel de rechtbank dit niet heeft onderkend, leidt dit niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ligt geen grond voor het oordeel dat de korpschef, die deze belangenafweging wel heeft gemaakt, het persoonlijke belang van [appellant] in dit geval zwaarder had moeten laten wegen dan het belang van een veilige en betrouwbare beveiligingssector. De korpschef heeft bij deze afweging erkend en meegewogen dat de intrekking het gevolg kan hebben dat [appellant] de stage niet kan lopen en dat dit gevolgen kan hebben voor het afronden van zijn opleiding. De korpschef heeft er blijk van gegeven dat hij bij zijn afweging het doel van de beleidsregels, de aard van de betrokken strafbare feiten en de daaraan verbonden risico’s in samenhang met de stage heeft afgewogen.

De afweging van de burgemeester om geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule is evenmin onredelijk.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Borman w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2017

317.

BIJLAGE

Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2014

artikel 7

lid 2 Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid stelt geen personen te werk […] dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. […]

lid 4 De toestemming […] wordt onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. [..]

lid 5 De toestemming […] kan worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.

Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2014

De toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk te stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de Wet wordt onthouden indien:

a. […]

b. de betrokkene binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke vrijheidsstraf of taakstraf is opgelegd, of

c. op grond van andere omtrent de betrokkene bekende of relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.

toelichting bij c

Van het bepaalde onder c zal sprake zijn indien de betrokkene er blijf van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. […]

2.3.1. hardheidsclausule

De korpschef […] kan van het hiervoor onder a en b bepaalde afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang.