Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:575

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
201606578/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Middelblok 20-24 Gouderak" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1272
JOM 2017/1277
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606578/1/R3.

Datum uitspraak: 8 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Gouderak, gemeente Krimpenerwaard,

en

de raad van de gemeente Krimpenerwaard,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Middelblok 20-24 Gouderak" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2017, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. A.D. Bouwman-van Blarkom en M. de Graaf, is verschenen. Voorts is als partij gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigden].

Overwegingen

Inleiding

1. Het plangebied ligt aan de noordkant van de bebouwde kom van Gouderak in een buitendijks gebied op de oostoever van de Hollandsche IJssel. Het plan maakt hier de bouw van maximaal zeven woningen mogelijk. Daarnaast maakt het plan een gemeenschappelijke aanlegsteiger bij de woningen en een recreatieplek mogelijk. Ter plaatse van de bestemming "Wonen" zal, voor zover het plangebied daar nu uit water bestaat, nieuw land worden aangelegd ten behoeve van de woningbouw.

[belanghebbende] is de initiatiefnemer van het woningbouwproject en eigenaar van de gronden in het plangebied met de bestemmingen "Wonen" en "Groen".

2. [appellant] woont aan het [locatie] te Gouderak. Zijn perceel grenst aan het plangebied.

[appellant] voert in de eerste plaats aan dat het plan te weinig waarborgen bevat voor het uitvoeren van periodiek onderhoud, zoals baggeren, om de diepgang van het water ter hoogte van de nieuwe aanlegsteiger te behouden. Daarnaast vreest [appellant] wateroverlast en overstromingen als gevolg van de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt. Hij betoogt dat de raad te weinig onderzoek naar deze effecten heeft gedaan. Verder is het plan volgens [appellant] in strijd met de Verordening Ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland (hierna: de Verordening), omdat ontwikkelingen binnen de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) mogelijk worden gemaakt.

Toetsingskader

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Onderhoud

4. [appellant] voert aan dat de planregels ten onrechte geen verplichting bevatten tot het periodiek uitvoeren van onderhoud, waaronder baggeren, om de diepgang van het water te behouden ter hoogte van de nieuwe aanlegsteiger. Hij betoogt dat uit de beantwoording van de zienswijzen blijkt dat de raad belang hecht aan voldoende diepgang bij lage waterstanden en aan periodiek onderhoud om die diepgang te behouden. Volgens hem had de raad daarom niet mogen volstaan met het opnemen van een aanvulling in paragraaf 5.2 van de plantoelichting, maar had hij een voorwaardelijke verplichting in de planregels moeten opnemen. [appellant] stelt in dit verband dat achterstallig onderhoud gevolgen kan hebben voor zijn damwand en het achtergelegen perceel.

4.1. De raad heeft in zijn reactie op de zienswijze over het ontwerpplan gesteld dat het peil inderdaad fluctueert en dat er bij de realisatie voor zal worden gezorgd dat er voldoende diepgang is bij lage waterstanden. Na oplevering is het onderhoud, waaronder periodiek baggeren, aan de gebruikers van de steiger. De raad heeft deze aanvulling opgenomen in paragraaf 5.2 van de plantoelichting.

De raad stelt zich op het standpunt dat het onderhoud van de watergang en het behoud van voldoende diepgang bij de steiger uitvoeringsaspecten zijn die niet ruimtelijk relevant zijn. Deze maatregelen zijn volgens de raad niet noodzakelijk in het belang van een goede ruimtelijke ordening. Daarom kan hiervoor volgens de raad geen voorwaardelijke verplichting in de planregels worden opgenomen.

4.2. De aanlegsteiger mag worden gebouwd op de gronden met de bestemming "Natuur" en de aanduiding "steiger" in het zuiden van het plangebied. Uit de stukken blijkt dat de steiger in eerste instantie is bedoeld voor de bewoners van de nieuwe woningen in het plangebied. Het onderhoud aan de watergang ter hoogte van de aanlegsteiger dient er uitsluitend toe de steiger toegankelijk te houden door behoud van voldoende diepgang. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich nadelige gevolgen voor zijn perceel zullen voordoen als te weinig onderhoud wordt gepleegd om de diepgang van het water bij de steiger te behouden. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door [appellant] bedoelde onderhoudsmaatregelen niet noodzakelijk zijn in het belang van een goede ruimtelijke ordening. De raad hoefde daarom geen voorwaardelijke verplichting in de planregels op te nemen om de uitvoering van die maatregelen te verzekeren.

Het betoog faalt.

Wateroverlast

5. [appellant] vreest wateroverlast en overstromingen als gevolg van de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt. De raad heeft hier volgens hem te weinig onderzoek naar gedaan. Hij betoogt dat ten onrechte is verwezen naar een in 2007 verleende vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (hierna: Wbr). [appellant] betoogt dat een actuele en volledige watertoets had moeten worden uitgevoerd. Het gaat in dit geval om een nieuw bestemmingsplan voor een locatie aan het water, waarbij een groot vlak water wordt gedempt. Bovendien is er sinds 2015 herhaaldelijk wateroverlast geweest bij naastgelegen percelen, aldus [appellant].

5.1. Bij de voorbereiding van het plan heeft de raad onderzoek gedaan naar de waterhuishoudkundige gevolgen van het plan. De resultaten van deze watertoets zijn beschreven in paragraaf 4.5 van de plantoelichting. In paragraaf 4.5.1 van de plantoelichting staat dat de Beleidslijn Grote Rivieren in dit geval niet van toepassing is als afwegingskader, omdat voor de locatie Middelblok 20-24 al een vergunning op grond van de Wbr was verleend. Anders dan [appellant] stelt, heeft de raad echter niet volstaan met een verwijzing naar die vergunning. Uit de plantoelichting blijkt namelijk in de eerste plaats dat de raad het plan aan de regels uit het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening heeft getoetst. Daarnaast is in paragraaf 4.5.1 van de plantoelichting beschreven hoe het watersysteem op de nieuwbouwlocatie moet worden ingericht. Daarbij is ingegaan op het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Verder is in paragraaf 4.5.4 van de plantoelichting ingegaan op de vraag of de woningbouw gevolgen heeft voor de waterkering langs de Hollandsche IJssel. Uit de stukken blijkt voorts dat Rijkswaterstaat en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard zich kunnen vinden in hetgeen in de waterparagraaf van de plantoelichting over waterhuishouding en waterberging is vermeld en dat zij geen bezwaren hebben tegen de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied.

[appellant] heeft niet nader aangeduid in welk opzicht de watertoets in de plantoelichting volgens hem onvolledig is of op onjuiste uitgangspunten is gebaseerd. Hetgeen hij heeft aangevoerd, geeft daarom geen aanleiding voor de conclusie dat de raad onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

Het betoog faalt.

Strijd met de Verordening

6. [appellant] voert aan dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 2.3.4, eerste lid, van de Verordening, zoals die bepaling ten tijde van de vaststelling van het plan luidde. Hij stelt dat een deel van het plangebied in de EHS ligt en dat het provinciebestuur ten tijde van de vaststelling van het plan nog geen besluit had genomen om de begrenzing van de EHS op deze plaats te wijzigen. De ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt, kunnen volgens [appellant] binnen de EHS niet worden toegestaan.

6.1. In artikel 2.3.4 van de Verordening, zoals die bepaling ten tijde van de vaststelling van het plan luidde, is het volgende bepaald:

"1. Bestaande en nieuwe natuur, waternatuurgebied of ecologische verbinding.

Een bestemmingsplan voor gronden binnen de ecologische hoofdstructuur, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuurgebied en ecologische verbinding, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op ‘Kaart 8 Ecologische Hoofdstructuur’, wijst geen bestemmingen aan die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden.

[…]

3. Definitieve begrenzing EHS in de Krimpenerwaard en Bodegraven-Noord De begrenzing van de ecologische hoofdstructuur bedoeld in het eerste lid, heeft een voorlopig karakter voor zover deze gronden zijn gelegen binnen de Krimpenerwaard en het voormalige landinrichtingsproject Bodegraven-Noord, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op ‘Kaart 8 Ecologische Hoofdstructuur’. Gedeputeerde staten stellen de definitieve begrenzing vast van de ecologische hoofdstructuur binnen deze gebieden.

[…]"

6.2. De raad stelt zich op het standpunt dat de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt niet in strijd is met artikel 2.3.4, eerste lid, (oud) van de Verordening. Volgens de raad is bij de vaststelling van het plan rekening gehouden met de EHS door een natuurvriendelijke inrichting van de oever met een openbaar toegankelijke zone voor extensieve recreatie. Dit is in een inrichtingsplan uitgewerkt. Ten behoeve van de natuurvriendelijke oever is bovendien de dubbelbestemming "Waarde - Natuur en landschap" in het plan opgenomen voor een deel van de gronden met de bestemming "Wonen".

De raad stelt verder dat de contour van de EHS ter plaatse van het plangebied en de omgeving daarvan niet is gebaseerd op een topografische ondergrond en daardoor geen recht doet aan de feitelijke situatie. Onder meer is een aantal woningen aan de Dorpsstraat binnen de begrenzing van de EHS gebracht. Volgens de raad heeft het provinciebestuur medewerking toegezegd om de begrenzing van de EHS aan te passen aan de feitelijke situatie en deze ter hoogte van het plangebied "in te deuken". Daarnaast wijst de raad erop dat de begrenzing van de EHS voor de Krimpenerwaard op grond van artikel 2.3.4, derde lid, van de Verordening slechts een voorlopig karakter heeft.

6.3. Uit kaart 8 (oud) bij de Verordening en de ter zitting getoonde kaarten en luchtfoto’s blijkt dat een deel van het plangebied binnen de begrenzing van de EHS ligt. Dit betreft de plandelen met de bestemmingen "Natuur" en "Groen" en een deel van het plandeel met de bestemming "Wonen". Deze gronden hebben op kaart 8 (oud) bij de Verordening de aanduiding "bestaande en nieuwe natuur".

De raad heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt niet in strijd is met artikel 2.3.4, eerste lid, (oud) van de Verordening. Anders dan [appellant] betoogt, is de raad bij de vaststelling van het plan dus niet uitgegaan van de destijds voorgenomen aanpassing van de voorlopige begrenzing van de EHS, die inmiddels is vastgesteld. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

6.4. Uit artikel 2.3.4, eerste lid, (oud) van de Verordening volgt dat het plan voor gronden binnen de EHS geen ontwikkelingen mogelijk mag maken die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken of die leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. De raad heeft voor de gronden met de bestemmingen "Natuur" en "Groen" gemotiveerd waarom dat volgens hem niet het geval is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ontwikkelingen die het plan op de gronden met die bestemmingen mogelijk maakt, niet leiden tot een significante beperking van de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS of tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de EHS. Daarbij is onder meer het extensieve karakter van de recreatieplek van belang, evenals de aanleg en instandhouding van een natuurlijke oever, waarvoor in het plan de dubbelbestemming "Waarde - Natuur en landschap" is opgenomen.

Het plan maakt echter ook woningbouw mogelijk op gronden binnen de EHS, aangezien een deel van het bestemmingsvlak voor "Wonen" in de EHS ligt. Uit de stukken blijkt dat op deze plaats de bouw van drie of vier woningen wordt beoogd. Het plan staat er echter niet aan in de weg dat alle zeven woningen die het plan mogelijk maakt, binnen de EHS worden gebouwd. De raad heeft niet onderbouwd waarom de woningbouw op de gronden in de EHS volgens hem niet strijdig is met artikel 2.3.4, eerste lid, (oud) van de Verordening. Het bestreden besluit berust in zoverre, in strijd met artikel 3:46 van de Awb, niet op een deugdelijke motivering.

Herhaling zienswijze

7. [appellant] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

8. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover het de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" en de daarop rustende dubbelbestemmingen betreft.

8.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dat is vernietigd, in stand te laten. De Afdeling overweegt daartoe het volgende.

Op 12 januari 2017 is een wijziging van de Verordening in werking getreden. Daarbij is ook de begrenzing van de EHS, thans het Natuurnetwerk Nederland, gewijzigd. Uit kaart 8 bij de gewijzigde Verordening en de ter zitting getoonde kaarten blijkt dat het plangebied buiten de sinds 12 januari 2017 geldende begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland ligt. De Verordening bevat daarom in dit opzicht geen beperkingen meer voor de beoogde woningbouw in het plangebied.

Het in stand laten van de rechtsgevolgen betekent dat de in het plan toegekende bestemming "Wonen" en de dubbelbestemmingen blijven gelden.

Proceskosten

9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Krimpenerwaard van 5 juli 2016, kenmerk ZK15000113/16-0013595, voor zover het de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" en de daarop rustende dubbelbestemmingen betreft;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het onder II genoemde besluit, voor zover dat is vernietigd, in stand blijven;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Krimpenerwaard aan [appellant A] en [appellante B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. D.J.C. van den Broek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, griffier.

w.g. Van den Broek w.g. Teuben

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2017

483.