Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:572

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
201609776/1/A1 en 201609776/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2015 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan Stichting Esdal College voor de aanleg van een bevoorradingsweg op het perceel Echtenstraat 22, ter hoogte van de Dordsedijk 19 te Klazienaveen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2017/223 met annotatie van W.S. Zorg
JOM 2017/1280
OGR-Updates.nl 2017-0053
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609776/1/A1 en 201609776/2/A1.

Datum uitspraak: 8 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Klazienaveen, gemeente Emmen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 november 2016 in zaak nr. 16/1637 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Emmen.

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2015 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan Stichting Esdal College voor de aanleg van een bevoorradingsweg op het perceel Echtenstraat 22, ter hoogte van de Dordsedijk 19 te Klazienaveen.

Bij besluit van 4 maart 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 november 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[appellante] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2017, waar [appellante], bijgestaan door mr. I.M. Hidding, advocaat te Nieuw-Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Haanstra en M.A. de Jonge, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het Esdal College, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. De omgevingsvergunning voorziet in de aanleg van een weg over het perceel Van Echtenstraat 22 ten behoeve van de bevoorrading van het Esdal College. Het doel van de aanleg van de nieuwe bevoorradingsweg is om de verkeersstromen van leerlingen en bevoorradend verkeer richting de school te scheiden. Voetgangers en fietsers kunnen gebruik blijven maken van de bestaande toegangsweg en leveranciers kunnen de school via de nieuwe bevoorradingsweg bereiken. [appellante] woont op het perceel [locatie]. Zij verzet zich tegen de verleende omgevingsvergunning omdat zij vreest voor overlast en omdat de voorziene weg zal worden aangelegd op grond die haar vader al sinds 1982 van de gemeente huurt en die zij in gebruik heeft als ponyweide.

3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Klazienaveen" rust op de gronden waarop de weg is voorzien de bestemming "Bos".

Artikel 19.1 van de planregels luidt: "De voor Bos aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bos, inclusief recreatief medegebruik;

b. water;

c. groenvoorziening;

d. voet- en fietspaden

e. houtproductie;

f. ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding ecologische verbindingszone;

met bijbehorende:

g. andere bouwwerken;

h. kunstwerken en waterwerken;

i. sport en speelgelegenheden;

j. parkeervoorzieningen;

k. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen."

4. De aanleg van de bevoorradingsweg is in strijd met het bestemmingsplan. Om de aanleg van de weg niettemin mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en achtste lid, van de bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) behorende bijlage II omgevingsvergunning verleend.

Gronden van het hoger beroep

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º van de Wabo voor de aanleg van de bevoorradingsweg een omgevingsvergunning te verlenen. Hiertoe voert zij aan dat de aanleg van de weg niet kan worden aangemerkt als een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied als bedoeld in artikel 4, aanhef en achtste lid, van bijlage II van het Bor. [appellante] wijst er op dat ten opzichte van het ingevolge het bestemmingsplan toegestane fiets- of voetpad of een parkeervoorziening veel meer asfalt zal worden aangelegd. Voorts voert zij aan dat de aanleg van de bevoorradingsweg grote gevolgen voor haar heeft nu zij afstand heeft moeten doen van de ponyweide en bovendien geconfronteerd zal worden met een toename aan verkeers- en geluidsoverlast.

5.1. Artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo luidt:

"1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, 3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

(…)."

Artikel 2.7 van het Bor luidt: "Als categorieën van gevallen, als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de wet worden aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II."

Artikel 4 van de bij het Bor behorende bijlage II luidt: "Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

(…)

8. het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied;

(…)."

5.2. Gelet op de ruimtelijke gevolgen die benutting van de in het bestemmingsplan opgenomen mogelijkheden mee zal brengen, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de aanleg van de bevoorradingsweg ten onrechte als een niet-ingrijpende herinrichting heeft aangemerkt. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat het bestemmingsplan het reeds mogelijk maakt om de gronden te verharden ten behoeve van parkeervoorzieningen en voet- of fietspaden. Voorts heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat de bevoorradingsweg niet dagelijks zal worden gebruikt. Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft het Esdal College onweersproken gesteld dat ten behoeve van de bevoorrading en onderhoudswerkzaamheden maximaal 10 auto's per week gebruik zullen maken van de bevoorradingsweg. Voorts ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te twijfelen aan de ter zitting gegeven toelichting van het Esdal College dat de weg overeenkomstig de aanvraag uitsluitend zal worden gebruikt als bevoorradingsweg en niet als toegangsweg voor docenten en leerlingen. Gelet op het geringe aantal verkeersbewegingen zijn de te verwachten gevolgen van de voorziene bevoorradingsweg voor de omwonenden en gebruikers van het desbetreffende gebied gering. Dat de gemeente de huurovereenkomst met betrekking tot een deel van de grond waarop de weg is voorzien, heeft opgezegd en [appellante] de grond niet meer kan gebruiken als ponyweide, leidt niet tot een ander oordeel. De bestuursrechter is niet bevoegd te oordelen over de opzegging van een huurovereenkomst.

De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º van de Wabo voor de aanleg van de bevoorradingsweg een omgevingsvergunning te verlenen.

Het betoog faalt.

6. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de aanleg van de bevoorradingsweg in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hiertoe voert zij aan dat ter plaatse van de voorziene bevoorradingsweg een verkeersonveilige situatie zal ontstaan. [appellante] voert verder aan dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar alternatieven voor de bevoorradingsweg die nauwelijks zal worden gebruikt. Volgens [appellante] bestaat er in het geheel geen noodzaak voor de aanleg van de weg indien met leveranciers afspraken worden gemaakt over de aflevertijden. Met dergelijke afspraken kan een gelijkwaardig resultaat worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren, aldus [appellante].

6.1. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat door de aanleg van de bevoorradingsweg ter plaatse een verkeersonveilige situatie zal ontstaan. De bevoorradingsweg heeft over de eerste 20 m vanaf de Dordsedijk een breedte van 6 m om vrachtwagens de nodige manoeuvreerruimte te geven. Er is geen reden om aan te nemen dat vrachtwagens achteruit de bevoorradingsweg moeten oprijden, zoals [appellante] ter zitting heeft gesteld. Voorts is van belang dat het betreffende deel van de Dordsedijk een erftoegangsweg is waarop woningen en bedrijven elk met een eigen inrit uitwegen, zodat afremmen voor afslaand verkeer gebruikelijk is op deze weg. Gelet op het geringe aantal auto's dat gebruik zal maken van de bevoorradingsweg heeft het college zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat er geen grond is om aan te nemen dat de aanleg van de bevoorradingsweg ter plaatse tot een verkeersonveilige situatie zal leiden.

Met de aanleg van een afzonderlijke bevoorradingsweg is uit een oogpunt van verkeersveiligheid beoogd een scheiding aan te brengen tussen het bevoorradingsverkeer en voetgangers en fietsers richting de school en bibliotheek. Gelet hierop heeft het college het belang van de aanleg van de bevoorradingsweg mogen laten prevaleren boven dat van [appellante] bij het behoud van de bestaande situatie. In dit verband is van belang dat het college niet gehouden is om aan te tonen dat de aanleg van de bevoorradingsweg weg noodzakelijk is en er geen andere oplossingen denkbaar zijn. Bij de beoordeling of een omgevingsvergunning dient te worden verleend, vormt de aanvraag zoals die is ingediend het uitgangspunt. Indien het bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat zo'n situatie zich in dit geval voordoet.

Het betoog faalt.

Conclusie

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Gelet hierop zal het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Slump w.g. Deen

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2017

604.