Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:555

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
201605152/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 februari 2015 heeft de staatssecretaris het koninklijk besluit van 24 februari 2003, waarbij aan [appellant] het Nederlanderschap is verleend, ingetrokken met ingang van 1 april 2003.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 8
Rijkswet op het Nederlanderschap 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Nationaliteitsrecht 2017/861
AB 2017/165 met annotatie van M.A.K. Klaassen
JV 2017/113 met annotatie van prof. mr. G.R. de Groot
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605152/1/V6.

Datum uitspraak: 1 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Maasbracht, gemeente Maasgauw,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 2 juni 2016 in zaak nr. 15/3049 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (lees: de minister van Veiligheid en Justitie).

Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2015 heeft de staatssecretaris het koninklijk besluit van 24 februari 2003, waarbij aan [appellant] het Nederlanderschap is verleend, ingetrokken met ingang van 1 april 2003.

Bij besluit van 15 september 2015 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 juni 2016 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 september 2015 vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris (lees: de minister) een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 30 augustus 2016 heeft de minister het door [appellant] tegen het besluit van 10 februari 2015 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellant] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 30 augustus 2016. Bij brief van 17 oktober 2016 heeft de rechtbank het beroepschrift ter behandeling doorgezonden aan de Afdeling.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 december 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. E. van Kempen, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door drs. J.M. Sidler, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de minister worden tevens zijn rechtsvoorgangers verstaan.

Inleiding

2. Bij besluit van 27 februari 1997 is aan [appellant] een vergunning tot verblijf verleend onder de beperking 'toegelaten als alleenstaande minderjarige asielzoeker'. Na de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 is aan [appellant] een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd verleend. Bij koninklijk besluit van 24 februari 2003 is hem het Nederlanderschap verleend.

De minister heeft voormeld koninklijk besluit ingetrokken omdat [appellant] bij indiening van zijn naturalisatieverzoek (hierna: het verzoek) feiten heeft verzwegen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze relevant waren voor de beoordeling van het verzoek. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat bij een aanhouding van [appellant] op de luchthaven Schiphol op 23 mei 2014 bij hem een Jemenitisch paspoort (hierna: het paspoort) is aangetroffen, op 22 juli 1992 in Jemen afgegeven aan zijn moeder, waarin [appellant] als kind is bijgeschreven. Dit strookt volgens de minister niet met de door [appellant] en zijn vader in de verblijfsrechtelijke procedure afgelegde verklaringen, waaruit volgt dat de moeder van [appellant] eind 1991 is overleden bij een huisoverval in Mogadishu (Somalië). Verder blijkt volgens de minister uit het paspoort dat [appellant] de Jemenitische nationaliteit heeft of heeft gehad. De vergunning tot verblijf is echter verleend op basis van zijn gestelde Somalische nationaliteit en afkomst. Indien [appellant] in de naturalisatieprocedure hierover naar waarheid zou hebben verklaard, zouden er bedenkingen hebben bestaan tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland en zou het verzoek zijn afgewezen, aldus de minister.

In het hoger beroep van [appellant]

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd welke relevante feiten en omstandigheden hij in de naturalisatieprocedure heeft verzwegen. Hij voert daartoe aan dat de minister er niet zonder meer van uit mocht gaan dat het paspoort bevoegd en in Jemen is afgegeven aan zijn moeder. [appellant] wijst er daarbij, onder verwijzing naar een brief van de Jemenitische ambassade te Den Haag van 12 augustus 2015 (hierna: de brief van 12 augustus 2015), op dat het ten tijde van de afgifte van het paspoort voor Somaliërs mogelijk was op illegale wijze in het bezit te komen van een paspoort van een buurland, waaronder Jemen. Daarnaast valt op basis van het paspoort niet vast te stellen dat hij in 1992 in Jemen heeft verbleven. Bovendien heeft de rechtbank, door op basis van het paspoort deze conclusie te trekken, een feit aan haar oordeel ten grondslag gelegd waarover hij zich in deze procedure niet heeft kunnen uitlaten. [appellant] wijst er in dit verband op dat de minister hem in de bestuurlijke fase niet heeft tegengeworpen in Jemen te hebben verbleven, maar dat hij de Jemenitische nationaliteit heeft. Hij voert verder aan dat, zelfs indien moet worden uitgegaan van zijn verblijf in Jemen in 1992, dat geen relevant feit is waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het relevant was voor de beoordeling van het verzoek, nu zodanig verblijf onverlet zou laten dat hij afkomstig is uit Somalië.

3.1. Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) luidt: 'Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, geen bedenkingen bestaan;'

Artikel 14, eerste lid, luidt: 'Onze Minister kan de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap intrekken, indien zij berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. De intrekking werkt terug tot het tijdstip van verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. De intrekking is niet mogelijk indien sedert de verkrijging of verlening een periode van twaalf jaar is verstreken. (…)'

De Handleiding voor de toepassing van de RWN (hierna: de Handleiding) luidt: '(…) Onze Minister kan de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap intrekken, indien zij berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. (…) Bij "het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit" moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd. (…) Intrekking zal slechts worden overwogen indien de betrokkene, ware de fraude, het bedrog of de verzwijging van relevante feiten tijdig bekend geweest, niet voor verkrijging of verlening van het Nederlanderschap in aanmerking zou zijn gekomen. (…)'

3.2. [appellant] betoogt tevergeefs dat de minister er niet zonder meer van uit mocht gaan dat het paspoort bevoegd en in Jemen is afgegeven. Niet in geschil is dat de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar) het paspoort echt en onvervalst heeft bevonden. De minister is derhalve terecht uitgegaan van de juistheid van de daarin vermelde plaats van afgifte, te weten Aden (Jemen). [appellant] heeft geen aanknopingspunten naar voren heeft gebracht die erop duiden dat het paspoort niet door de bevoegde autoriteiten is afgegeven. De brief van 12 augustus 2015 is niet als zodanig aan te merken, nu daarin slechts in algemene bewoordingen is neergelegd dat het mogelijk is geweest Jemenitische paspoorten te verkrijgen buiten de officiële kanalen om. De op de minister in het kader van de intrekking van het Nederlanderschap rustende bewijslast strekt niet zover, dat hij op basis hiervan nader onderzoek naar het paspoort had moeten laten verrichten.

[appellant] wordt niet gevolgd in zijn betoog dat, nu het mogelijk is een derde te machtigen ter verkrijging van een Jemenitisch paspoort, op basis van het paspoort niet is vast te stellen dat hij in 1992 in Jemen heeft verbleven. De minister heeft er in het verweerschrift terecht op gewezen dat [appellant] tijdens de hoorzitting in bezwaar op 27 januari 2015 heeft verklaard dat hij op enig moment naar Jemen is gegaan. Dit vindt steun in een verklaring van de zus van [appellant] van 4 juni 2014. Zij heeft - in antwoord op de vraag waarom [appellant] het paspoort bij zich had - verklaard dat je in Jemen moet bewijzen waar je vandaan komt. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld - en ter zitting van de Afdeling nader gemotiveerd - dat de aanwezigheid van een foto van [appellant] in het paspoort erop duidt dat hij aanwezig is geweest bij de afgifte ervan. Gelet daarop en op voormelde verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, is de minister er op basis van het paspoort terecht van uitgegaan dat [appellant] na zijn vertrek uit Somalië en voor zijn binnenkomst in Nederland in Jemen heeft verbleven.

[appellant] betoogt ook tevergeefs dat de rechtbank feiten aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd waarover partijen zich in de procedure niet hebben kunnen uitlaten. Zij heeft haar oordeel gebaseerd op de door [appellant] in de verblijfsrechtelijke procedure afgelegde verklaringen en het paspoort, waarover [appellant] zich heeft kunnen uitlaten. Dat geldt ook voor het door de rechtbank in aanmerking genomen verblijf van [appellant] in Jemen in 1992. Immers, de minister heeft zich in het besluit van 10 februari 2015 op het standpunt gesteld dat hij ervan uit gaat dat de familie van [appellant] ten tijde van de gestelde huisoverval in Mogadishu voltallig in Jemen verbleef. Voorts volgt uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar dat [appellant] in de gelegenheid is gesteld hierover te verklaren. Ook uit het besluit van 15 september 2015 valt af te leiden dat de minister [appellant] niet alleen de Jemenitische nationaliteit heeft tegengeworpen, zoals hij betoogt, maar ook zijn verblijf in Jemen.

In zoverre faalt het betoog.

3.3. [appellant] heeft in de verblijfsrechtelijke procedure verklaard dat hij afkomstig is uit Somalië en hij na de huisoverval in Mogadishu die tot het overlijden van zijn moeder heeft geleid, met zijn broer, zus en tante Mogadishu per boot heeft verlaten. De minister heeft de verklaringen van [appellant] over de daders van de huisoverval en zijn vertrek uit Mogadishu ongeloofwaardig geacht, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat aanleiding bestaat [appellant] de onder 2 vermelde vergunning tot verblijf te verlenen, nu niet is gebleken dat hij door in Somalië wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, had de minister - indien hij op de hoogte zou zijn geweest van het verblijf van [appellant] in Jemen voorafgaand aan zijn vertrek naar Nederland - kunnen onderzoeken of voor hem aldaar opvangmogelijkheden bestonden. Het verblijf van [appellant] in Jemen is dus een feit dat relevant is voor de beslissing over het verlenen van voormelde vergunning tot verblijf en daarmee een feit op basis waarvan bedenkingen bestaan tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat dit een feit is waarvan [appellant] wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het relevant was voor de beoordeling van het verzoek.

Ook in zoverre faalt het betoog.

Conclusie

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

In het beroep tegen het besluit van 30 augustus 2016

5. De rechtbank heeft het besluit van 15 september 2015 vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt op het tegen het besluit van 10 februari 2015 gemaakte bezwaar, omdat de minister ten onrechte niet heeft beoordeeld of de intrekking van het Nederlanderschap van [appellant] in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, wat de gevolgen ervan voor de situatie van [appellant] uit het oogpunt van het Unierecht betreft. Bij het besluit van 30 augustus 2016 heeft de minister opnieuw op het bezwaar beslist. Dit besluit wordt ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van die wet, in de beoordeling betrokken.

6. Het betoog van [appellant] dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij feiten heeft verzwegen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze relevant waren voor de beoordeling van het verzoek, faalt gelet op het onder 3.3 overwogene.

Het betoog van [appellant], onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) van 2 maart 2010, C-135/08, Rottmann, (ECLI:EU:C:2010:104; hierna: het arrest Rottmann), dat intrekking van zijn Nederlanderschap alleen mogelijk is indien hij opzettelijk relevante feiten heeft verzwegen en dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat zodanig opzet zich in dit geval voordoet, faalt ook, reeds gelet op het volgende. Door bij het indienen van het verzoek zijn verblijf in Jemen niet te melden, heeft [appellant] naar het oordeel van de Afdeling in elk geval bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een voor de verlening van het Nederlanderschap relevant feit zou verzwijgen als bedoeld in artikel 14 van de RWN. Dat geldt ook voor het door [appellant] bij het verzoek niet overleggen van zijn Jemenitische paspoort. De Afdeling betrekt bij dit laatste dat, zoals volgt uit de toelichting in de Handleiding op de artikelen 7 en 9 van de RWN, degene die in aanmerking wenst te komen voor verlening van het Nederlanderschap, bij de indiening van het naturalisatieverzoek wordt gewezen op de verplichting afstand te doen van zijn huidige nationaliteit en op de verplichting om een geldig paspoort over te leggen uit het land van herkomst.

7. [appellant] betoogt voorts dat de minister het besluit van 30 augustus 2016 onzorgvuldig heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Hij voert daartoe aan dat de minister geen volledige en zelfstandige Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling heeft verricht en er ten onrechte van is uitgegaan dat hij bij deze beoordeling een ruime discretionaire bevoegdheid heeft. Voort heeft de minister ten onrechte niet meegewogen dat hij niet opzettelijk relevante feiten heeft verzwegen. Verder heeft hij niet deugdelijk gemotiveerd waarom het Nederlanderschap van de broer en zus van [appellant] niet wordt ingetrokken, terwijl ook zij in het paspoort staan bijgeschreven. De minister heeft hem voorts ten onrechte tegengeworpen geen moeite te hebben gedaan helderheid te verschaffen over zijn vermeende Jemenitische nationaliteit en heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom de intrekking van zijn Nederlanderschap niet tot staatloosheid leidt. [appellant] wijst er in dit verband op dat uit de brief van 12 augustus 2015 volgt dat hij niet in het bezit is van de Jemenitische nationaliteit. [appellant] voert verder aan dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij, ondanks dat de verjaringstermijn van twaalf jaar bijna is verlopen en zijn broer en zus in Nederland verblijven, toch zijn Nederlanderschap intrekt. Ten slotte voert [appellant] aan dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij niet in Nederland is ingeburgerd.

7.1. Gelet op hetgeen het Hof in het Rottmann arrest heeft overwogen, heeft de minister moeten nagaan of het verlies van de rechten die elke burger van de Unie geniet, gerechtvaardigd is in het licht van de ernst van de gepleegde inbreuk en het tijdsverloop tussen het naturalisatiebesluit en het intrekkingsbesluit. De mogelijkheid om de vroegere nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie terug te krijgen, die volgens voormeld arrest ook bij de afweging moet worden betrokken, speelt in deze zaak geen rol. [appellant] heeft, voordat hij de Nederlandse nationaliteit verkreeg, niet de nationaliteit van een andere lidstaat bezeten.

7.2. De minister heeft zich in het besluit van 30 augustus 2016 op het standpunt gesteld dat [appellant], hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet heeft toegelicht welke concrete Unierechtelijke belangen zijn geschaad door de intrekking van zijn Nederlanderschap. Daarnaast heeft de minister over een aantal van de door [appellant] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden het standpunt ingenomen dat deze geen verband houden met het verlies van zijn specifieke rechten als burger van de Unie. Verder heeft hij zich op het standpunt gesteld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gevolgen van het verlies van zijn rechten als burger van de Unie voor hem zodanig groot zijn dat intrekking van zijn Nederlanderschap onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Uit het vorenstaande volgt dat de minister, anders dan [appellant] betoogt, in lijn met het arrest Rottmann een Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling heeft verricht.

In zoverre faalt het betoog.

7.3. Het betoog van [appellant] dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het Nederlanderschap van de broer en zus van [appellant] niet wordt ingetrokken, houdt geen verband met het verlies van zijn rechten als burger van de Unie. Voor het betoog van [appellant] dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij niet is ingeburgerd in Nederland, geldt hetzelfde.

De minister heeft ten nadele van [appellant] meegewogen dat hij geen moeite heeft gedaan om vóór het indienen van zijn naturalisatieverzoek duidelijkheid te verschaffen over zijn identiteit en nationaliteit en er ook thans geen blijk van geeft zich daartoe in te spannen. Het betoog van [appellant] dat de minister dit hem ten onrechte heeft tegengeworpen, faalt. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat, nu de verlening van het Nederlanderschap een belangrijk besluit is met zeer vergaande gevolgen, groot belang wordt gehecht aan de vaststelling van de identiteit en nationaliteit van de betrokkene. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT6673. Nu [appellant] in het bezit was van het door de KMar als echt en onvervalst bevonden paspoort, terwijl de verlening van de onder 2 vermelde vergunning tot verblijf is gestoeld op zijn gestelde Somalische afkomst en nationaliteit, had het op zijn weg gelegen in de naturalisatieprocedure duidelijkheid te verschaffen over zijn nationaliteit. In het kader van de beoordeling van de ernst van de door [appellant] gepleegde inbreuk heeft de minister derhalve niet ten onrechte ten nadele van [appellant] meegewogen dat hij dat niet heeft gedaan. Voor zover [appellant] in het kader van de ernst van de gepleegde inbreuk heeft aangevoerd dat hij niet opzettelijk relevante feiten heeft verzwegen, wordt hij daarin, gelet op het onder 6 overwogene, niet gevolgd.

[appellant] betoogt tevergeefs dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de intrekking van zijn Nederlanderschap niet tot staatloosheid leidt. De minister heeft immers, onder verwijzing naar het paspoort, het standpunt ingenomen dat dit niet het geval is, aangezien [appellant] de Jemenitische nationaliteit heeft. De verwijzing naar de brief van 12 augustus 2015 leidt niet tot een ander oordeel, reeds gelet op hetgeen onder 3.2 daarover is overwogen. Ook afgezien van het vorenstaande heeft de minister zich naar het oordeel van de Afdeling niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat, zelfs indien [appellant] als gevolg van de intrekking van zijn Nederlanderschap staatloos wordt, het belang van de Staat prevaleert, althans dat de staatloosheid niet doorslaggevend is in de door de minister te verrichten evenredigheidsbeoordeling. Vergelijk punt 52 van het arrest Rottmann.

[appellant] betoogt ook tevergeefs dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij, ondanks dat de in artikel 14, eerste lid, van de RWN neergelegde termijn van twaalf jaar bijna is verlopen en zijn broer en zus in Nederland verblijven, toch zijn Nederlanderschap intrekt. De minister heeft immers toegelicht dat hij niet eerder tot intrekking van het Nederlanderschap van [appellant] kon overgaan, omdat de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de conclusie dat [appellant] ten onrechte het Nederlanderschap heeft verkregen, pas bekend zijn geworden na zijn aanhouding op 23 mei 2014. De minister heeft voorts deugdelijk gemotiveerd dat hij na het bekend worden van voormelde feiten en omstandigheden voortvarend heeft gehandeld. Wat betreft het verblijf van de broer en zus van [appellant] in Nederland heeft de minister het standpunt ingenomen dat daaraan weliswaar gewicht kan worden toegekend in het voordeel van [appellant], maar dat dat niet ertoe leidt dat intrekking van zijn Nederlanderschap achterwege blijft, nu het Nederlanderschap op zichzelf geen noodzakelijke voorwaarde is voor verblijf in Nederland in de nabijheid van zijn broer en zus. [appellant] heeft dat niet bestreden.

Gelet op het vorenstaande en nu [appellant] ook niet gemotiveerd heeft bestreden dat hij niet heeft geconcretiseerd in welke Unierechtelijke belangen hij door de intrekking van zijn Nederlanderschap is geschaad, heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling in het nadeel van [appellant] uitvalt.

Ook in zoverre faalt het betoog.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 30 augustus 2016, kenmerk Z1-13034855450, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Oei

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2017

670.