Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:551

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
201600880/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 3 november 2013 heeft [appellante] een melding bij het college ingediend voor het maken van een uitweg van de [locatie A] te Dirkshorn naar de Apollostraat te Dirkshorn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2017/70
JOM 2017/271
JOM 2017/709
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600880/1/A1.

Datum uitspraak: 1 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Dirkshorn, gemeente Schagen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 22 december 2015 in zaak nr. 15/2358 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Schagen.

Procesverloop

Op 3 november 2013 heeft [appellante] een melding bij het college ingediend voor het maken van een uitweg van de [locatie A] te Dirkshorn naar de Apollostraat te Dirkshorn.

Bij besluit van 28 april 2015 heeft het college het door [bezwaarmakers] gemaakte bezwaar tegen de met een besluit gelijk te stellen fictieve instemming om de uitweg te maken, gegrond verklaard, dat besluit herroepen en het maken van de uitweg alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 22 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 april 2015 vernietigd, voor zover het college daarbij het bezwaar van [bezwaarmakers] tegen de gemaakte uitweg ontvankelijk heeft geacht, het bezwaar van [bezwaarmakers] tegen de gemaakte uitweg niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van voormeld besluit voor zover dat is vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [bezwaarmaker] een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2016, waar [appellante], bijgestaan door mr. S.N. Peijnenburg, advocaat te Noord-Scharwoude, is verschenen. Voorts is [bezwaarmaker], vertegenwoordigd door mr. S.D. van Reenen, als partij gehoord.

Overwegingen

1. [bezwaarmaker] woont tegenover de gerealiseerde uitweg. Hij vreest dat deze uitweg zijn woon- en leefomgeving zal aantasten.

2. In beroep heeft de rechtbank geoordeeld dat het college [bezwaarmaker] terecht heeft ontvangen in zijn bezwaren.

3. Op 3 november 2013 heeft [appellante] een melding bij het college gedaan voor het maken van een uitweg van de [locatie] te Dirkshorn naar de Apollostraat te Dirkshorn. Vervolgens heeft het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding besloten dat de uitweg wordt verboden als bedoeld in artikel 2.12, derde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van Schagen (hierna: de APV).

Hierop heeft de partner van [appellante], [partner], op 19 februari 2014 de uitweg aangelegd. Op 20 februari 2014 heeft [bezwaarmaker] een digitaal bericht over de uitweg aan het college verstuurd via een website van de gemeente. Bij brieven van 6 april 2014, 23 april 2014 en 28 oktober 2014 hebben [bezwaarmakers] tegenover het college hun ongenoegen geuit over onder meer de gemaakte uitweg.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in het besluit van 28 april 2015 niet is besloten op het digitale bericht van [bezwaarmaker], maar op het door de [bezwaarmakers] bij brieven van 6 april 2014, 23 april 2014 en 28 oktober 2014 gemaakte bezwaar.

4.1. Dit betoog faalt. Aan het besluit van 28 april 2015 is het advies van de commissie bezwaar van de gemeente Schagen ten grondslag gelegd. In dit advies wordt het digitale bericht van [bezwaarmaker] aangemerkt als een bezwaarschrift en wordt geadviseerd het daarin neergelegde bezwaar gegrond te verklaren.

5. Verder betoogt [appellante] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het digitale bericht van [bezwaarmaker] aan het college niet is aan te merken als een bezwaarschrift.

Zij voert daartoe aan dat dit bericht geen element van een bezwaarschrift bevat. Verder voert zij aan dat niet uit het bericht blijkt dat hij het oneens is met de werkzaamheden aan de tweede uitweg. Voorts voert zij aan dat de website van het college destijds niet de mogelijkheid bood om digitaal bezwaar te maken tegen een besluit. Volgens [appellante] kon uitsluitend digitaal een melding worden gemaakt bij het onderdeel "meldingen en klachten".

5.1. Op 20 februari 2014 heeft [bezwaarmaker] een digitaal bericht verstuurd aan het college. In dit bericht staat onder meer dat de partner van [appellante], op 19 februari eigenhandig uit een deel van het gemeenteperk tegenover het huis van [bezwaarmaker] de planten heeft verwijderd en daar rijen tegels op heeft geplaatst. Wat zijn bedoeling is, is [bezwaarmaker] onbekend. Er bestaat geen noodzaak voor het aanleggen van de uitweg, aldus het bericht.

Gelet op de strekking en de bewoordingen van het digitale bericht, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat dit moet worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de met een besluit gelijk te stellen fictieve instemming voor het aanleggen van een uitweg als bedoeld in artikel 2.12, derde lid, van de APV. Voor zover het digitale bericht niet aan de op grond van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) aan een bezwaarschrift te stellen eisen voldoet, is [bezwaarmaker] niet op grond van artikel 6:6 van de Awb in de gelegenheid gesteld deze verzuimen te herstellen. De rechtbank heeft daarom met juistheid geoordeeld dat aan [bezwaarmaker] in de beroepsfase niet meer kan worden tegengeworpen dat het bericht niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet.

Het betoog faalt derhalve.

6. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er geen sprake is van een aanleg van een tweede uitweg, maar een verbreding van een bestaande tweede uitweg en gaat de aanleg van de uitweg niet ten koste van openbaar groen, nu uit de openbare registers, voorheen deel uitmakende van de kadastrale registers, blijkt dat het stukje waar het geding over gaat niet als groenstrook is aangemerkt.

6.1. [appellante] heeft deze gronden en de daaraan ten grondslag liggende feiten voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom dit betoog niet reeds bij de rechtbank konden worden aangevoerd, en [appellante] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van Leeuwen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2017

543.