Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:550

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
201600718/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2014 heeft het college aan [appellant sub 1] een persoonlijke gedoogbeschikking verleend inhoudend dat tot 1 januari 2016 niet handhavend zal worden opgetreden tegen het bedrijfsmatig houden van koeien en schapen op het perceel aan de [locatie A] te Naarden (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/278
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600718/1/A1.

Datum uitspraak: 1 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te Naarden, gemeente Gooise Meren,

2. het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren

3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], wonend te Naarden, gemeente Gooise Meren, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3A]),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 december 2015 in zaak nr. 15/158 in het geding tussen:

[appellant sub 3A],

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2014 heeft het college aan [appellant sub 1] een persoonlijke gedoogbeschikking verleend inhoudend dat tot 1 januari 2016 niet handhavend zal worden opgetreden tegen het bedrijfsmatig houden van koeien en schapen op het perceel aan de [locatie A] te Naarden (hierna: het perceel).

Bij besluiten van 28 november 2014 en 12 januari 2015 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, het door [appellant sub 3A] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 27 maart 2014 herroepen (het besluit van 28 november 2014) en [appellant sub 1] gelast om de agrarische bedrijfsvoering op het perceel uiterlijk 1 januari 2016 te beëindigen en beëindigd te houden onder het opleggen van een dwangsom van € 1.000,00 per week, met een maximum van € 10.000,00 (het besluit van 12 januari 2015).

Bij uitspraak van 18 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellant sub 3A] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 januari 2015 vernietigd en aan [appellant sub 1] een last onder dwangsom opgelegd op de wijze zoals neergelegd in rechtsoverweging 14 van die uitspraak en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 12 januari 2015, het besluit van 28 november 2014 in stand gelaten en zich onbevoegd verklaard ten aanzien van het verzoek van [appellant sub 3A] om schadevergoeding. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en het college hoger beroep ingesteld. [appellant sub 3A] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 1], [appellant sub 3A] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2016, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. L.J. van Pelt, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. van Kordelaar, en [appellant sub 3A], bijgestaan door [appellant sub 3B], zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant sub 3A] is eigenaar van de woning op het adres [locatie B]. Deze woning maakt deel uit van een twee-onder-een-kap woning met de woning van [appellant sub 1]. Op het perceel houdt [appellant sub 1] koeien en schapen.

Volgens [appellant sub 3A] tast het houden van koeien en schapen op het perceel zijn woon- en leefklimaat aan.

2. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een bestuursrechter als regel niet op de voet van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) behoort over te gaan tot het opleggen van een last onder dwangsom. Hij verwijst bij dit betoog naar de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7783.

2.1. De rechtbank heeft [appellant sub 1] gelast, overeenkomstig het vernietigde besluit van 12 januari 2015, om de agrarische bedrijfsvoering op het perceel uiterlijk 1 januari 2016 te beëindigen en beëindigd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per week, met een maximum van € 10.000,- . Omdat in de last niet duidelijk is vermeld op welke activiteiten wordt gedoeld, heeft de rechtbank deze last als volgt nader geconcretiseerd:

"Onder de door [appellant sub 1] uitgeoefende bedrijfsmatige agrarische activiteiten op het perceel dienen te worden verstaan alle activiteiten die verband houden met de (ver)koop van dieren en de daarmee verwante activiteiten. Dat betekent dat door [appellant sub 1] geen dieren op het perceel mogen worden gehouden die een relatie hebben met de door hem in het kader van zijn bedrijf uitgeoefende activiteiten. Dit leidt er toe dat op het perceel ook geen daarmee verwante activiteiten mogen plaatsvinden, zoals het opslaan van veevoer en diesel alsmede het af- en aanrijden met een tractor."

2.2. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb geen last onder dwangsom opgelegd, maar de bij besluit van 12 januari 2015 opgelegde last nader geconcretiseerd. Het betoog faalt.

3. [appellant sub 1] en het college betogen dat de rechtbank de aan [appellant sub 1] opgelegde last ten onrechte nader heeft geconcretiseerd zoals hiervoor vermeld.

Zij voeren daartoe aan dat de rechtbank heeft nagelaten te beoordelen of, gelet op de aard, omvang en intensiteit van de activiteiten welke [appellant sub 1] als hobby wenst te behouden, sprake is van een zodanige ruimtelijke uitstraling dat deze niet valt te rijmen met de op het perceel rustende woonbestemming. Het hobbymatig houden van zeven schapen, inclusief lammeren, en twee koeien op het perceel is volgens [appellant sub 1] niet in strijd met de op het perceel rustende woonbestemming. Verder zal het houden van deze dieren volgens [appellant sub 1] vooral plaatsvinden op momenten dat zij extra zorg nodig hebben, bijvoorbeeld in het kader van het lammeren of het kalveren. Volgens het college en [appellant sub 1] heeft het perceel een grote omvang en kunnen afspraken worden gemaakt met het gemeentebestuur over het aantal tractorbewegingen per dag en het maximaal aantal te houden dieren.

3.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Stedelijk gebied" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden".

Artikel 1, lid 35, van de planvoorschriften luidt als volgt.

Onder kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten moet worden verstaan het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer geldt, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

Artikel 4, eerste lid, luidt als volgt.

De gronden op de kaart aangewezen voor Woondoeleinden (W) zijn bestemd voor het wonen met bijbehorende erven en in samenhang daarmee voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.

3.2. Niet in geschil is dat het houden van zeven schapen, inclusief lammeren, en twee koeien op het perceel geen kleinschalige bedrijfsmatige activiteit is als bedoeld in artikel 4, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 1 van de planvoorschriften. Het geschil spitst zich derhalve uitsluitend toe op de vraag of het houden van zeven schapen, inclusief lammeren, en twee koeien en de opslag van veevoer en diesel op het perceel in strijd is met de daarop rustende woonbestemming.

3.3. De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5089, overwogen dat de vraag of het bestreden gebruik van het perceel in strijd is met de woonbestemming moet worden beantwoord aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, intensiteit en omvang heeft.

3.4. Blijkens de gedingstukken ontplooit [appellant sub 1] zowel op het perceel als op een ander perceel aan de Overscheenseweg agrarische activiteiten. Deze agrarische activiteiten bestaan uit het kopen en verkopen van koeien of kalveren en schapen of lammeren, waarbij de betreffende dieren afwisselend op beide percelen worden gehouden. In de maanden oktober tot en met de eerste week van mei staan er dieren op het perceel om te lammeren en te kalveren. De andere dieren worden het gehele jaar door gehouden op het perceel aan de Overscheenseweg. Ten behoeve van deze activiteiten maakt [appellant sub 1] gebruik van een tractor van het perceel naar de Overscheenseweg en weer terug, vindt bevoorrading plaats van veevoer en diesel voor de tractor door een vrachtauto op het perceel en wordt veevoer en diesel op het perceel opgeslagen. Het houden van dieren op het perceel maakt dan ook, hetgeen door [appellant sub 1] niet wordt weersproken, onderdeel uit van zijn bedrijfsvoering. Deze bedrijfsactiviteiten vinden hoofdzakelijk op het andere perceel aan de Overscheenseweg plaats maar met vaste regelmaat ook op het perceel. Gezien de aard, omvang en intensiteit van die activiteiten alsmede de onlosmakelijke verbondenheid met de activiteiten op het perceel aan de Overscheenseweg zoals dagelijkse tractorbewegingen van en naar dat perceel en de opslag van veevoer en olie, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat sprake is van activiteiten op het perceel die niet passen bij een woonbestemming, maar gezien de ruimtelijke uitstraling een bedrijfsmatig karakter hebben. Naar aanleiding van het ter zitting van de rechtbank door het college ingenomen standpunt dat in ieder geval als hobbymatig op het perceel zeven schapen inclusief lammeren en twee koeien kunnen worden gehouden, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat in dit geval gelet op de activiteiten die op het perceel plaatsvinden het enkel verlagen van het aantal dieren op het perceel niet tot het oordeel leidt dat de ruimtelijke uitstraling dan zodanig is dat die te rijmen is met de woonfunctie van het perceel.

Het betoog faalt.

4. [appellant sub 3A] heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij incidenteel hoger beroep heeft ingesteld onder de voorwaarde dat de hoger beroepen van [appellant sub 1] en het college gegrond zijn. Nu die hoger beroepen, gelet op het voorgaande, ongegrond zullen worden verklaard, is deze voorwaarde niet vervuld en is het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 3A] vervallen. Aan een inhoudelijke bespreking ervan wordt daarom niet toegekomen.

5. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van Leeuwen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2017

543.