Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:548

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
201601717/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 september 2013 heeft het college geweigerd bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen ter zake van de schapen- en rundveehouderij (hierna: de inrichting) van [vergunninghouder] op het perceel [locatie 1] te Appeltern (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/270
JOM 2017/282
JBO 2017/96 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601717/1/A1.

Datum uitspraak: 1 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]), wonend te Appeltern, gemeente West Maas en Waal,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 januari 2016 in zaak nr. 15/1416 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal.

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2013 heeft het college geweigerd bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen ter zake van de schapen- en rundveehouderij (hierna: de inrichting) van [vergunninghouder] op het perceel [locatie 1] te Appeltern (hierna: het perceel).

Bij besluit van 5 maart 2014 heeft het college geweigerd bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen ter zake van de vloer in de schapenstal op het perceel.

Bij besluit van 23 september 2014 heeft het college de voor de inrichting geldende maatwerkvoorschriften betreffende geluid ingetrokken en nieuwe maatwerkvoorschriften betreffende geluid gesteld.

Bij besluit van 20 januari 2015 heeft het college onder meer de door [appellant] gemaakte bezwaren:

- tegen het besluit van 9 september 2013 ongegrond verklaard;

- tegen het besluit van 5 maart 2014 gegrond verklaard wat betreft het in strijd handelen met een gedane melding ingevolge het Activiteitenbesluit milieubeheer en aan [vergunninghouder] een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat binnen 4 weken na verzending van het besluit de overtreding ongedaan moet worden gemaakt door een melding te doen waarbij gemeld wordt dat een klinkervloer is aangebracht en voor het overige ongegrond verklaard; en

- tegen het besluit van 23 september 2014 ongegrond verklaard met dien verstande dat is vastgesteld dat voorschrift 1.1.1 overbodig is en wordt verwijderd.

Hiertegen heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij tussenuitspraak van 9 september 2015 in zaak nr. 15/1416 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om het in overweging 4.3 van de tussenuitspraak geconstateerde gebrek betreffende de aangebrachte beplanting te herstellen met inachtneming van de overwegingen in de tussenuitspraak en iedere verdere beslissing aangehouden. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 15 oktober 2015 heeft het college een aanvullende motivering gegeven.

Bij uitspraak van 26 januari 2016 (hierna: de einduitspraak) heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 20 januari 2015 ingestelde beroep wat betreft de landschappelijke inpassing van de bedrijfsbebouwing met beplanting gegrond verklaard, het besluit van 20 januari 2015 in zoverre vernietigd en het college opgedragen om een nieuw beplantingsplan op te stellen conform het vrijstellingsbesluit van 30 september 2008 dat daartoe verplicht, en om [vergunninghouder] een termijn te geven om het beplantingsplan uit te voeren en aan nakoming van deze verplichting een dwangsom te verbinden. Voor het overige is het beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen de tussenuitspraak en de einduitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] en [vergunninghouder] hebben een nadere reactie ingediend.

Het college heeft bij besluit, verzonden op 4 mei 2016, opnieuw beslist op het bezwaar wat betreft het beplantingsplan.

[appellant] en [vergunninghouder] hebben een nadere reactie ingediend.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 januari 2017, waar namens [appellant] [gemachtigden], zijn verschenen. Het college, vertegenwoordigd door mr. J.J.A.M. Leenders-van Heck, S. van Gennep en J.G.M. Snoeijs, is verschenen. Voorts is [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], daar gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. Het college heeft op 22 september 2006 aan [vergunninghouder] een oprichtingsvergunning ingevolge de Wet milieubeheer verleend ten behoeve van de inrichting. Op 12 maart 2012 heeft het een veranderingsvergunning ingevolge die wet verleend.

Op 6 september 2012 heeft [appellant] een verzoek om handhaving gedaan ter zake van het niet-naleven door [vergunninghouder] van zijn vergunningen. In het verzoek stelt [appellant] geluidhinder te ondervinden vanwege het in afwijking van de vergunningen niet realiseren van een geluidscherm en het situeren van de voedersilo’s achter de stallen alsmede geurhinder vanwege de gerealiseerde mestopslag en wijze van stalventilatie. Nadien heeft [appellant] te kennen gegeven dat de klinkervloer in de schapenstal niet voldoet, hetgeen het college heeft aangemerkt als handhavingsverzoek.

Met ingang van 1 januari 2013 valt de inrichting onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit). De inrichting is een zogenoemde type B-inrichting in de zin van het Activiteitenbesluit, zodat voor de inrichting de bij of krachtens dat besluit gestelde algemene regels van toepassing zijn. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit gelden de aan de vergunningen verbonden voorschriften voor drie jaren als maatwerkvoorschriften.

Bij besluit van 23 september 2014 heeft het college de maatwerkvoorschriften betreffende geluid ingetrokken. Bij dit besluit heeft het college voorts nieuwe maatwerkvoorschriften gesteld voor de afwijkende en incidentele bedrijfssituatie.

Bij besluit op bezwaar van 20 januari 2015 heeft het college dit besluit gedeeltelijk gehandhaafd. Voorts heeft het college daarbij gehandhaafd de besluiten van 9 september 2013 en 5 maart 2014, waarbij, voor zover hier van belang, is geweigerd handhavend op te treden ter zake van het niet realiseren van een geluidscherm, de gerealiseerde plaats van de voedersilo’s, de wijze van stalventilatie en de aangebrachte klinkervloer in de schapenstal en de daardoor veroorzaakte gevolgen voor het milieu. Volgens het college werd ten aanzien van deze aspecten voldaan aan de voorschriften van het Activiteitenbesluit.

De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, overwogen dat het college in redelijkheid de maatwerkvoorschriften heeft kunnen intrekken. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [vergunninghouder] het Activiteitenbesluit naleefde en er geen grond bestond voor handhaving.

Het hoger beroep van [appellant] ziet op de tussen- en de einduitspraak wat betreft de weigering te handhaven ter zake van een aarden wal, de aangebrachte stalventilatie, het ontbreken van een geluidscherm, de klinkervloer in de schapenstal en de daardoor veroorzaakte geluidhinder in de representatieve bedrijfssituatie, geurhinder en mogelijke ammoniakemissie en bodemverontreiniging.

Geluidhinder, geluidscherm en voedersilo’s

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte heeft geweigerd te handhaven ter zake van het ontbreken van een geluidscherm en vanwege de plaats waar de voerdersilo’s zijn opgericht. [appellant] wijst erop dat [vergunninghouder] in zoverre heeft gehandeld in strijd met de in 2006 en 2012 verleende vergunningen ingevolge de Wet milieubeheer. Daarbij wijst hij erop dat [vergunninghouder] de stallen dicht bij elkaar heeft gerealiseerd, waardoor hij zelf de situatie heeft gecreëerd dat situering van de voedersilo’s tussen de stallen niet meer mogelijk was. Hij wijst er voorts op dat [vergunninghouder] zou hebben toegezegd het geluidscherm te zullen realiseren.

Het niet oprichten van het geluidscherm en de gerealiseerde plaats van de voedersilo’s heeft tot gevolg dat meer geluidhinder wordt ondervonden dan was toegestaan ingevolge de vergunningen, hetgeen hij onjuist acht. In het door het college gehanteerde geluidrapport is volgens hem ten onrechte niet uitgegaan van de destijds vergunde situatie. De rechtbank heeft een door hem overgelegd akoestisch rapport van Parce Research van 12 september 2014 ten onrechte niet in haar overwegingen betrokken, aldus [appellant]. Uit dit rapport blijkt zijns inziens dat wat betreft geluidhinder zich een overtreding heeft voorgedaan.

2.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college bij het besluit op bezwaar met juistheid heeft onderzocht in hoeverre de inrichting wat betreft het daardoor veroorzaakte geluid voldoet aan het Activiteitenbesluit. Het college heeft terecht niet getoetst aan de in 2006 en 2012 verleende vergunningen ingevolge de Wet milieubeheer, aangezien deze ten tijde van het besluit op bezwaar van rechtswege waren vervallen. Voorts waren de als maatwerkvoorschriften geldende vergunningvoorschriften bij besluit van 23 september 2014 ingetrokken.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het Activiteitenbesluit geen bepaling bevat die verplicht tot oprichting van een geluidscherm dan wel de plaats bepaalt waar voedersilo’s moeten worden opgericht. In zoverre heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat een overtreding zich niet heeft voorgedaan. De omstandigheid dat [vergunninghouder] op enig moment zou hebben toegezegd een geluidscherm op te richten, maakt dit niet anders.

Het betoog faalt in zoverre.

2.2. Wat betreft de door [appellant] gestelde geluidhinder overweegt de Afdeling het volgende.

Vanaf de inwerkingtreding van het besluit tot intrekking van de maatwerkvoorschriften gelden in de reguliere bedrijfssituatie de in artikel 2.17, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit opgenomen maximale waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en maximale geluidniveau. Ingevolge dit artikellid, onder a, mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan 45 dB(A) in de dagperiode, 40 dB(A) in de avondperiode en 35 dB(A) in de nachtperiode. Ingevolge het bepaalde onder b mag het maximale geluidniveau op de gevel van geluidgevoelige gebouwen niet meer bedragen 70 dB(A) in de dagperiode, 65 dB(A) in de avondperiode en 60 dB(A) in de nachtperiode. Genoemde waarden maken meer geluid mogelijk dan ingevolge de aan [vergunninghouder] verleende vergunningen mogelijk was.

Het college heeft aan zijn besluit op bezwaar een akoestisch rapport van 21 augustus 2014, opgesteld door G&O Consult in opdracht van [vergunninghouder], ten grondslag gelegd. In dit rapport zijn de resultaten van een onderzoek naar geluidhinder vanwege de inrichting neergelegd. In het rapport staat vermeld dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevel van de woning [locatie 2], de woning die de hoogste geluidbelasting ondervindt, in de dagperiode 35 B(A), in de avondperiode 35 dB(A) en in de nachtperiode 30 dB(A) bedraagt. Het maximaal geluidniveau op deze woning is volgens het rapport in de dagperiode 53 dB(A), in de avondperiode 56 dB(A) en in de nachtperiode 58 dB(A).

Wat betreft de woning [locatie 3] heeft het college zich bij het besluit op bezwaar van 20 januari 2015 op het standpunt gesteld dat in het rapport van G&O Consult ten onrechte van een op de zijgevel gelegen immissiepunt is uitgegaan. Het college heeft aanvullende berekeningen laten verrichten, waarvan de resultaten zijn opgenomen in het advies van de Commissie Bezwaarschriften van 13 januari 2015, dat onderdeel uitmaakt van het besluit op bezwaar. Volgens de resultaten van de aanvullende berekeningen bedraagt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de woning [locatie 3] in de dagperiode 42 dB(A), in de avondperiode 36 dB(A) en in de nachtperiode 30 dB(A). Het maximaal geluidniveau op de woning [locatie 3] is in de dagperiode 54 dB(A), in de avondperiode 53 dB(A) en in de nachtperiode 54 dB(A).

Bij de aanvullende berekeningen is wat betreft de woning [locatie 3] uitgegaan van een op de achtergevel gelegen immissiepunt. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat bij deze berekeningen voor het overige niet is uitgegaan van dezelfde uitgangspunten als in het onderzoek van G&O Consult. In het rapport van G&O Consult staat dat in het onderzoek is uitgegaan van de situatie zoals die op dat moment aanwezig was op het terrein van de inrichting. Uitgangspunt vormden onder meer de aanwezigheid van voedersilo’s die ten opzichte van de straat achter de stallen lagen en voertuigbewegingen tussen de stallen. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat in het onderzoek niet de representatieve bedrijfssituatie tot uitgangspunt is genomen.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, bestaat ook verder geen aanleiding voor het oordeel dat de resultaten van de berekeningen niet juist zijn. Wat betreft het in opdracht van [appellant] opgestelde geluidrapport van Parce Research van 12 september 2014 wordt allereerst overwogen dat [appellant] in beroep dit geluidrapport heeft overgelegd ter ondersteuning van zijn betoog. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het aangevoerde leidt echter niet tot het daarmee beoogde doel. Het college heeft ter zitting kanttekeningen geplaatst bij de wijze van meten door Parce Research. Het college heeft toegelicht dat de verrichte meting een zogenoemde continue-meting betreft, waarbij eens in de 5 min geluidregistratie plaatsvindt. Wat betreft piekgeluiden wordt dan de hoogste piek per 5 min geregistreerd. Volgens het college staat echter niet vast dat de door Parce Research geregistreerde piekgeluiden afkomstig zijn van de inrichting. Het college acht het onaannemelijk dat sommige geregistreerde pieken afkomstig zijn van de daarbij in het geluidrapport van Parce Research vermelde bron. Volgens het college is bijvoorbeeld een bronvermogen van 130 tot 136 B(A) voor een tractor of shovel, waarvan Parce Research is uitgegaan, onmogelijk. Vanwege het ontbreken van audio-opnamen heeft het college de juistheid van de geluidregistraties door Parce Research niet kunnen nagaan. [appellant] heeft hetgeen het college naar voren heeft gebracht betwist, maar dat niet nader onderbouwd. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat vanwege de resultaten van het door Parce Research verrichte onderzoek moet worden getwijfeld aan de juistheid van de resultaten, opgenomen in het rapport van G&O Consult.

Gelet op de resultaten van het onderzoek van G&O Consult en de aanvullende berekeningen, moet worden vastgesteld dat in de representatieve bedrijfssituatie het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau op de gevel van woningen in de omgeving van de inrichting niet hoger is dan de ingevolge artikel 2.17, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit geldende waarden. Het college heeft zich, gezien het vorenoverwogene, terecht op het standpunt gesteld dat de in de representatieve geluidsituatie geldende waarden werden nageleefd. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt in zoverre.

Geurbelasting en stalventilatie

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren handhavend op te treden ter zake van door de inrichting veroorzaakte geurhinder, mede veroorzaakt door de wijze van ventilatie van de stal. Hij stelt dat de rechtbank ten onrechte een geurrapport van november 2010 niet heeft betrokken bij zijn oordeel.

3.1. Ingevolge artikel 3.118, eerste lid, van het Activiteitenbesluit zijn de artikelen 3.115 tot en met 3.117 niet van toepassing, voor zover bij verordening op grond van artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij andere waarden of afstanden zijn vastgesteld. De raad van de gemeente West Maas en Waal heeft op 2 december 2010 ingevolge dat artikel de Verordening Geurhinder en veehouderij Gemeente West Maas en Waal vastgesteld. Vast staat dat ingevolge artikel 6 van genoemde wet in verbinding met de Verordening en gezien de gebieden waartoe de woningen behoren, voor de woningen [locatie 2] en [locatie 4] en [locatie 5] en [locatie 6] een toetswaarde voor de geurbelasting van 8,0 odour units per m3 als 98-percentiel (hierna: OU/m3) geldt. Voor de woning [locatie 3], [locatie 7] en [locatie 8] geldt een toetswaarde van 4,5 OU/m3.

3.2. Aan het besluit op bezwaar heeft het college berekeningen, waarvan de resultaten zijn opgenomen in het advies van de Commissie Bezwaarschriften, ten grondslag gelegd. In die met V-stacks verrichte berekeningen is ervan uitgegaan dat een stal één emissiepunt heeft met een emissiepunthoogte van 1,5 m. Berekend is dat de woningen [locatie 2] en [locatie 3] een geurbelasting ondervinden van 3,4 respectievelijk 3,5 OU/m3 en de overige woningen waar de geurbelasting is berekend, een lagere geurbelasting. Het college heeft zich op grond van dit onderzoek op het standpunt gesteld dat de geurnormen worden nageleefd, zodat geen aanleiding bestaat handhavingsmaatregelen te treffen.

Tot de aanvraag om veranderingsvergunning behoorde een geurrapport "Onderzoek naar de geurbelasting en luchtkwaliteit in de woonomgeving van de geprojecteerde inrichting van [vergunninghouder], Appeltern" van november 2010. In genoemd rapport wordt geconcludeerd dat op woningen A, B en C een immissie 3,4 respectievelijk 5,6 en 7,0 OU/m3 optreedt. Met de woningen A, B en C worden, zo volgt uit de stukken, de woningen [locatie 7], [locatie 3] respectievelijk [locatie 2] bedoeld.

[appellant] betoogt terecht dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte geen overwegingen heeft besteed aan het geurrapport, terwijl [appellant] onder verwijzing hiernaar in beroep heeft gesteld dat de geurnormen niet worden nageleefd. Dit leidt echter gezien het hierna volgende niet tot het daarmee beoogde doel.

De door [appellant] aangevoerde omstandigheid dat uit het geurrapport van november 2010 blijkt dat de geurbelasting van woningen nabij de inrichting aanzienlijk hoger is dan waarvan het college is uitgegaan, is geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegde berekeningen. Het college heeft in het verweerschrift in beroep toegelicht dat in het onderzoek van november 2010 ten onrechte ervan is uitgegaan dat 373 dieren met een geuremissiefactor van 35,6 in een stal werden gehuisvest, aangezien destijds slechts voor 106 dieren met die geuremissiefactor in die stal vergunning is aangevraagd en verleend. Ter zitting heeft het college te kennen gegeven dat in de stal ten tijde van het besluit op bezwaar niet meer dan 106 dieren met een geuremissiefactor van 35,6 aanwezig waren. Gelet hierop heeft het college aan het rapport van november 2010 in zoverre terecht geen betekenis toegekend.

Gelet op het vorenoverwogene heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de geurnormen niet worden overtreden, zodat ter zake geen bevoegdheid tot handhaving bestond.

Het betoog faalt.

Bodemverontreiniging en klinkervloer schapenstal

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten ter zake van de klinkervloer in de schapenstal niet handhavend op te treden. Hij stelt dat deze vloer ten onrechte niet vloeistofkerend is en dat [vergunninghouder] uit financiële overwegingen heeft gekozen voor deze vloer in plaats van een vloer van gewapend beton, die het college in het kader van de vergunningverlening nodig heeft geacht. Een klinkervloer zal leiden tot bodemverontreiniging en leidt daarnaast tot een hogere ammoniakemissie dan een betonvloer, aldus [appellant].

4.1. Artikel 3.122 van het Activiteitenbesluit luidt: "Bij het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf, wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen."

Artikel 1.1, onder 1, van het Activiteitenbesluit luidt: "In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder

- vloeistofkerende voorziening: fysieke barrière die in staat is stoffen tijdelijk te keren;

- vloeistofdichte vloer of verharding: vloer of verharding direct op de bodem die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van die vloer of verharding kan komen."

Artikel 1.96 van de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: Activiteitenregeling) luidt: "1. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld in artikel 3.122 van het besluit is de vloer van een dierenverblijf of een deel daarvan waaraan geen mestkelder is verbonden, ten minste vloeistofkerend uitgevoerd. […]."

4.2. De Afdeling overweegt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de vloer van een stal geen factor is bij de beoordeling van ammoniakemissie van een dierenverblijf. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college terecht geen aanleiding heeft gezien vanwege ammoniakemissie ter zake van de vloer in de schapenstal bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen.

Wat betreft de vraag of met de aangebrachte vloer de bodem in toereikende mate wordt beschermd, overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar overweging 2.1, dat het college bij het bij de rechtbank bestreden besluit terecht aan het Activiteitenbesluit en daarop gebaseerde regels heeft getoetst. Ingevolge artikel 1.96 van de Activiteitenregeling dient de vloer vloeistofkerend te zijn. In het besluit van 5 maart 2014 staat dat de schapenstal is voorzien van een klinkervloer met daaronder een laag PE-folie en daartussen een puinpakket. Op de klinkervloer wordt een laag stro aangebracht die mest en urine opvangt.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat een aaneengesloten klinkervloer vloeistofkerend is. De Afdeling ziet in hetgeen [vergunninghouder] heeft aangevoerd, geen aanleiding dit standpunt onjuist te achten. Het college heeft te kennen gegeven dat een toezichthouder de vloer in de schapenstal heeft bekeken en dat is vastgesteld dat de klinkers aaneengesloten liggen. Geen aanleiding bestaat aan de juistheid van deze waarneming te twijfelen. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 1.96 van de Activiteitenregeling werd nageleefd, zodat geen grond bestond ter zake te handhaven.

Het betoog faalt.

Aarden wal

5. [appellant] heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte de aanwezigheid van een aarden wal, die zonder vergunning zou zijn gerealiseerd, niet heeft betrokken bij zijn oordeel.

5.1. De Afdeling begrijpt dit betoog aldus dat de rechtbank volgens [appellant] heeft miskend dat het college ook wat betreft de aarden wal handhavend had moeten optreden. De handhavingsverzoeken noch de besluiten van het college hebben echter betrekking op de aarden wal, zodat de rechtbank dan ook terecht geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat vanwege de aarden wal de bij hem bestreden handhavingsbesluiten niet in stand konden blijven.

Het betoog faalt.

Overige gronden

6. [appellant] heeft voor het overige in het hogerberoepschrift delen van zijn beroepschrift integraal opgenomen. De Afdeling stelt vast dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak op de door [appellant] in beroep aangevoerde gronden is ingegaan. Uit het enkel herhalen van hetgeen in bezwaar en beroep is aangevoerd, volgt niet dat en waarom de rechtbank tot een onjuist oordeel is gekomen. Het aldus aangevoerde geeft daarom geen aanleiding om die uitspraak te vernietigen.

Het betoog faalt.

Brief [vergunninghouder]

7. Het college heeft bij besluit, verzonden op 4 mei 2016, wat betreft het beplantingsplan opnieuw op het bezwaar beslist. [vergunninghouder] heeft naar aanleiding van dit besluit bij brief van 10 juni 2016 te kennen gegeven dat hij het niet eens is met dat besluit. [vergunninghouder] vraagt de Afdeling daarin de uitspraak van de rechtbank te vernietigen op het punt van het beplantingsplan.

Zo [vergunninghouder] met deze brief al heeft beoogd hoger beroep dan wel incidenteel hoger beroep tegen de rechtbankuitspraak in te stellen, wordt overwogen dat de daarvoor geldende termijnen waren verstreken, zodat de Afdeling de inhoud van de brief reeds om die reden niet zal beschouwen als het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de uitspraak van de rechtbank.

Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit, verzonden op 4 mei 2016, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. [appellant] heeft nadrukkelijk te kennen gegeven dat hij zich kan verenigen met dit besluit.

In de brief van 10 juni 2016 heeft [vergunninghouder] geen gronden naar voren gebracht die zich richten tegen het nieuwe besluit. Derhalve wordt in de brief geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit geen stand kan houden.

Slotoverwegingen

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het beroep van [vergunninghouder] tegen het besluit, verzonden op 4 mei 2016, is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van [vergunninghouder] tegen het besluit met kenmerk 16ink00812, verzonden op 4 mei 2016, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Van Heusden

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2017

163.