Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:52

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
201601891/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellant] over 2011 definitief vastgesteld op nihil en het betaalde voorschot ten bedrage van € 3.197,00 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601891/1/A2.

Datum uitspraak: 11 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 februari 2016 in zaak nr. 15/6918 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellant] over 2011 definitief vastgesteld op nihil en het betaalde voorschot ten bedrage van € 3.197,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 23 oktober 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 februari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 december 2016, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, is verschenen.

Overwegingen

1. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan het besluit van 17 juli 2015 ten grondslag gelegd dat het toetsingsinkomen te hoog is en dat [appellant] daarom geen recht heeft op huurtoeslag over 2011.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan het besluit van 23 oktober 2015 in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat voor het jaar 2011 de maximale inkomensgrens voor een eenpersoonshuishouden onder de 65 jaar is vastgesteld op € 21.625,00 en voor een meerpersoonshuishouden onder de 65 jaar op € 29.350,00. De belastinginspecteur heeft het inkomen van [appellant] over 2011 vastgesteld op € 61.035,00. [appellant] had in 2011 dus geen recht op huurtoeslag, omdat zijn inkomen over dat jaar uitkwam boven de wettelijke inkomensgrens om in aanmerking te komen voor huurtoeslag. Daarnaast is in het besluit vermeld dat [appellant] de huurtoeslag heeft aangevraagd voor hemzelf en [persoon] en het bankrekeningnummer van [persoon] heeft doorgegeven voor de betaling van het voorschot huurtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen kent een toeslag toe aan de aanvrager, die het voorschot ontvangt op het door hem opgegeven bankrekeningnummer en verantwoordelijk is voor het doorgeven van wijzigingen en het terugbetalen van teveel ontvangen voorschot, aldus het besluit.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellant] over 2011 terecht op nihil heeft vastgesteld en terecht het teveel betaalde voorschot van hem heeft teruggevorderd.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen met het definitief vaststellen van zijn huurtoeslag over 2011 niet hoefde te wachten tot definitief is beslist op het door hem ingestelde bezwaar en beroep tegen de vaststelling van zijn inkomen over 2011 door de inspecteur voor de inkomstenbelasting. Volgens [appellant] had de Belastingdienst/Toeslagen daarop moeten wachten met de definitieve vaststelling van zijn huurtoeslag over 2011 of bij die vaststelling moeten uitgaan van het door hem opgegeven inkomen over dat jaar.

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder o, van de Awir, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, verstaan onder inkomensgegeven: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, is het toetsingsinkomen het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, herziet de Belastingdienst/Toeslagen, indien na de toekenning van de tegemoetkoming uit een wijziging van een inkomensgegeven of niet in Nederland belastbaar inkomen blijkt dat de tegemoetkoming tot een te hoog of te laag bedrag is toegekend, de tegemoetkoming met inachtneming van die wijziging.

Ingevolge het tweede lid geschiedt de herziening binnen acht weken na het tijdstip waarop het gewijzigde inkomensgegeven aan de Belastingdienst/Toeslagen bekend is geworden dan wel de beschikking of uitspraak strekkende tot de in het eerste lid bedoelde wijziging onherroepelijk is geworden.

Ingevolge artikel 21, aanhef en onder e ten eerste, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr) wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen verstaan onder inkomensgegeven: indien over een kalenderjaar een aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen.

Ingevolge artikel 21g, eerste lid, gebruikt een afnemer voor zover hij een op grond van een wettelijk voorschrift verleende bevoegdheid tot gebruik van het inkomensgegeven uitoefent, het inkomensgegeven zoals dat ten tijde van het gebruik is opgenomen in de basisregistratie inkomen.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraken van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1321 en 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3534) dient de Belastingdienst/Toeslagen bij de bepaling van de draagkracht, gelet op artikel 7, eerste lid, in verbinding met artikel 8, eerste lid, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder o, van de Awir uit te gaan van het inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Awr.

Niet in geschil is dat de belastinginspecteur het inkomen van [appellant] op 8 februari 2013 op € 61.035,00 heeft vastgesteld en dat dit bedrag als inkomensgegeven op 17 juli 2015 in de basisregistratie inkomen was vermeld. Gelet op artikel 21g, eerste lid, van de Awr, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht het besluit van 17 juli 2015 op dit inkomen heeft gebaseerd. De rechtbank heeft evenzeer met juistheid overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen met het nemen van dat besluit niet hoefde te wachten totdat in de door Western gevoerde procedure tegen de vaststelling van dat inkomen door de inspecteur voor de inkomstenbelasting definitief is beslist. Een dergelijke procedure kan leiden tot aanpassing van het inkomensgegeven in de basisregistratie inkomen. De Belastingdienst/Toeslagen is op grond van artikel 20 van de Awir verplicht ambtshalve, dat wil zeggen zonder dat een aanvraag nodig is, een nieuw besluit te nemen indien een wijziging van het inkomensgegeven betekent dat bij een eerder besluit de tegemoetkoming tot een te hoog of te laag bedrag is toegekend. Indien daarvoor aanleiding bestaat, betaalt de dienst hierbij tevens rente uit. Verder kan de Belastingdienst/Toeslagen een belanghebbende die bezwaar heeft gemaakt tegen een inkomensgegeven, zoals [appellant] heeft gedaan, met toepassing van artikel 8 van de Uitvoeringsregeling Awir op verzoek uitstel van betaling van de terugvordering verlenen.

Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt tevens dat de rechtbank ten onrechte is afgegaan op de toelichting van de Belastingdienst/Toeslagen ter zitting dat het voorschot huurtoeslag over 2011 is verrekend met openstaande vorderingen op [appellant] in verband met ontvangen huurtoeslag over de jaren 2007 en 2008. Volgens [appellant] mocht de rechtbank dat niet aannemen op basis van alleen een mondelinge toelichting ter zitting. Hij voert aan dat de Belastingdienst/Toeslagen niet heeft aangetoond dat de huurtoeslag 2011 is verrekend met op zijn naam openstaande vorderingen uit eerdere jaren.

3.1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Awir is de Belastingdienst/Toeslagen bevoegd tot verrekening van een door een belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering met een aan die belanghebbende uit te betalen tegemoetkoming of voorschot. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de toelichting van de Belastingdienst/Toeslagen ter zitting bij de rechtbank dat het aan [appellant] toegekende voorschot huurtoeslag over 2011 is verrekend met op zijn naam openstaande vorderingen. De dienst heeft deze toelichting in het verweerschrift in hoger beroep herhaald. Ter zitting heeft de Belastingdienst/Toeslagen verder toegelicht dat hij de aanvrager informeert over de verrekening van een uit te betalen tegemoetkoming of voorschot met een op naam van de aanvrager openstaande vordering. De Afdeling ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze toelichting. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Awir staat geen rechtsmiddel, als daar bedoeld, open tegen de verrekening. Hetgeen [appellant] betoogt ten aanzien van de verrekening kan daarom niet inhoudelijk worden behandeld.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, griffier.

w.g. Koeman w.g. Oranje

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2017

507.