Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:514

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
201604518/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:2830, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd buiten behandeling gesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2017/86

Uitspraak

201604518/1/V1.

Datum uitspraak: 27 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 mei 2016 in zaak nr. 16/4786 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (hierna: de aanvraag) buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 8 maart 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 mei 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Bakker, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling heeft op 28 oktober 2015 de aanvraag ingediend. Bij brief van 10 november 2015 (hierna: de brief) heeft de staatssecretaris de vreemdeling meegedeeld dat zij € 230,00 aan leges moet betalen voordat de staatssecretaris de aanvraag in behandeling kan nemen, op welk rekeningnummer zij de leges kan betalen, dat de leges binnen twee weken na de datum van de brief moeten zijn ontvangen en dat hij de aanvraag niet in behandeling neemt als zij niet betaalt. Niet in geschil is dat de vreemdeling de brief heeft ontvangen.

De staatssecretaris heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat de vreemdeling de leges niet binnen de gestelde termijn heeft betaald.

2. De vreemdeling klaagt in de grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de brief een herstelverzuimbrief is. Zij voert daartoe onder meer aan dat zij pas na het verstrijken van de in de brief gestelde betalingstermijn in verzuim was, omdat de staatssecretaris haar pas met de brief voor het eerst de mogelijkheid heeft geboden om de leges te betalen.

2.1. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb luidt: 'Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.'

Artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover thans van belang, luidt: 'De vreemdeling is, in door Onze Minister te bepalen gevallen en volgens door Onze Minister te geven regels, leges verschuldigd terzake van de afdoening van een aanvraag. Daarbij kan Onze Minister tevens bepalen dat de vreemdeling voor de afgifte van een document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt leges verschuldigd is. Als betaling achterwege blijft, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen dan wel het document niet afgegeven.'

2.2. De vreemdeling heeft bij de rechtbank en in hoger beroep onweersproken gesteld dat zij bij het indienen van de aanvraag aan het loket wilde betalen, dit niet kon en de brief de eerste mogelijkheid bood om de verschuldigde leges te voldoen.

Omdat de staatssecretaris de vreemdeling met de brief voor het eerst op de hoogte heeft gesteld welk bedrag aan leges zij op welke manier en vóór welke datum diende te voldoen, bestaat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen grond voor het oordeel dat zij op het moment van het indienen van de aanvraag al in verzuim was omdat zij op dat moment niet voldeed aan het wettelijk voorschrift van het betalen van leges. Haar was immers nog niet de mogelijkheid geboden aan dat voorschrift te voldoen. Pas nadat zij de in de brief vermelde betalingstermijn ongebruikt had laten verstrijken, was zij in verzuim. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan de brief daarom niet worden aangemerkt als een herstelverzuimbrief.

Door de aanvraag aldus buiten behandeling te stellen zonder de vreemdeling een herstelmogelijkheid te bieden de leges te voldoen, heeft de staatssecretaris in strijd met artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb gehandeld. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 8 maart 2016 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 mei 2016 in zaak nr. 16/4786;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 8 maart 2016, V-nummer [...];

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdenvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. verstaat dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 419,00 (zegge: vierhonderdennegentien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

w.g. Verheij w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2017

488-827.