Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:490

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
22-02-2017
Zaaknummer
201605005/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2016 heeft het college van gedeputeerde staten een besluit hogere waarden als bedoeld in de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) genomen voor 5 woningen in verband met het wegverkeerlawaai van een nieuwe rondweg in Wanssum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/961

Uitspraak

201605005/1/R6.

Datum uitspraak: 22 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Wanssum, gemeente Venray,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2016 heeft het college van gedeputeerde staten een besluit hogere waarden als bedoeld in de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) genomen voor 5 woningen in verband met het wegverkeerlawaai van een nieuwe rondweg in Wanssum.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2017, waar het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. J. Gundelach, advocaat te Almelo, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Het besluit hogere waarden is vastgesteld ten behoeve van de aanleg van een nieuwe rondweg in Wanssum. Deze rondweg is voorzien in het inpassingsplan "Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum", vastgesteld door provinciale staten van Limburg op 13 mei 2016. Na de realisatie van de rondweg wordt het doorgaande verkeer op de N270, die door Wanssum loopt, om de kern van Wanssum geleid. Hiermee wordt een afname van de geluidsbelasting van de N270 in de kern van Wanssum beoogd.

2. [appellante] woont op het perceel [locatie] op ongeveer 23 m afstand van de gronden waar de nieuwe rondweg is voorzien en op ongeveer 18 m van het industrieterrein in Wanssum. De geluidsbelasting bij de woning van [appellante] zal vanwege het wegverkeerlawaai op de rondweg leiden tot een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde als bedoeld in de Wgh. Voor de woning heeft het college van gedeputeerde staten daarom een hogere waarde van 51 dB(A) vastgesteld.

3. Aan het besluit hogere waarden liggen het Milieueffectrapport "Deelrapport geluid en trillingen" van 5 juni 2015 (hierna: het MER-deelrapport) en het akoestisch rapport "Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum PIP, onderzoek geluid" van april 2016 (hierna: het akoestisch rapport), beide opgesteld door Royal Haskoning DHV, ten grondslag.

Bron- en overdrachtsmaatregelen

4. [appellante] betoogt dat niet deugdelijk is gemotiveerd waarom geen bron- en overdrachtsmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidsbelasting op haar woning terug te brengen.

4.1. Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat is onderzocht of maatregelen kunnen worden getroffen om de geluidsbelasting op de woningen vanwege de nieuwe rondweg terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. Voor de beoordeling of het nemen van maatregelen financieel doelmatig is, is gebruik gemaakt van het doelmatigheidscriterium zoals neergelegd in bijlage 4 bij de Beleidsregels vaststellen en wijzigen hogere waarden Wet geluidhinder, vastgesteld door het college van gedeputeerde staten en provinciale staten op 19 december 2013 (hierna: de Beleidsregels hogere waarden). In de Beleidsregels hogere waarden is vastgelegd hoe de kosten van geluidbeperkende maatregelen moeten worden afgewogen tegen de baten. Tevens zijn daarin kencijfers opgenomen voor de kosten van geluidbeperkende maatregelen.

4.2. Ingevolge artikel 110a, eerste lid, in samenhang bezien met het zevende lid, van de Wgh is het college van gedeputeerde staten bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in verband met de aanleg van een weg in beheer bij de provincie.

Het vijfde lid luidt: "Het eerste en tweede lid vinden slechts toepassing indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege [...] de weg [...] van de gevel van de betrokken woningen [...] tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de in dit lid bedoelde bevoegdheid enkel in bij die maatregel aan te geven gevallen kan worden toegepast."

4.3. In het bestreden besluit staat dat de voorkeur bij het treffen van maatregelen uitgaat naar maatregelen aan de bron. De weg zal worden aangelegd met geluidreducerend asfalt. De functie van de weg leent zich echter niet voor verkeersbeperkende of snelheidsbeperkende maatregelen. Deze maatregelen leiden namelijk tot capaciteitsverlies en hebben daardoor een negatief effect op het realiseren van de doelstellingen die met de aanleg van de weg worden nagestreefd. Verkeers- of snelheidsbeperkende maatregelen stuiten daarom op bezwaren van verkeerskundige aard. In het akoestisch rapport is verder onderzocht of plaatsing van een geluidscherm doeltreffend en financieel doelmatig is. De woningen langs de nieuwe rondweg waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld zijn ingedeeld in clusters. Per cluster is overeenkomstig de kencijfers in de Beleidsregels hogere waarden een budget toegekend. De woning van [appellante] maakt samen met één andere woning deel uit van cluster 2. Het daarvoor toegekende budget laat een geluidscherm toe met een lengte van ten hoogste 19 m en een hoogte van ten hoogste 2 m. In het akoestisch rapport staat dat een dergelijk scherm te kort is om een effectieve reductie van geluid op beide woningen in het clusteren te bewerkstelligen. Het plaatsen van een geluidscherm stuit daarom op bezwaren van financiële aard.

4.4. [appellante] heeft niet onderbouwd waarom de hiervoor weergegeven motivering van het college van gedeputeerde staten onjuist is. Er bestaat gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het treffen van geluidbeperkende maatregelen, anders dan de uitvoering van de weg met geluidreducerend asfalt, onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Het betoog faalt.

Cumulatie

5. [appellante] betoogt dat het college van gedeputeerde staten zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de gecumuleerde geluidsbelasting van de nieuwe rondweg en het industrieterrein bij haar woning. Zij acht de gecumuleerde geluidsbelasting van 61 dB(A) bij haar woning niet aanvaardbaar, te meer omdat de geluidhinder ook ’s avonds en ‘s nachts optreedt.

5.1. Artikel 110a, derde lid, van de Wgh luidt: "De in het eerste en tweede lid bedoelde waarde kan ambtshalve of op verzoek van degenen die daartoe bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, worden vastgesteld."

Het zesde lid luidt: "Indien artikel 110f van toepassing is geven burgemeester en wethouders slechts toepassing aan het derde en vierde lid voorzover de gecumuleerde geluidsbelastingen na de correctie op grond van artikel 110f, derde lid, niet leiden tot een naar hun oordeel onaanvaardbare geluidsbelasting."

Artikel 110f, eerste lid, luidt: "Indien een van de volgende onderdelen van deze wet of van het krachtens deze onderdelen bepaalde:

a. Afdeling 1 en afdeling 2 van hoofdstuk V,

b. Afdeling 2, 3 en 4 van hoofdstuk VI,

c. hoofdstuk VII, en

d. hoofdstuk VIII,

van toepassing is op woningen [...] gelegen in twee of meer aanwezige of toekomstige geluidszones als bedoeld in de artikelen 40, 52, 74 en 108, of als vastgesteld krachtens artikel 107, dan wel in één of meer hiervoor genoemde geluidszones [...] dient degene, die bij of krachtens deze wet verplicht is tot het verrichten van een akoestisch onderzoek, ter plaatse van die woningen, [...] overeenkomstig de door Onze Minister gestelde regels, tevens onderzoek te doen naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidsbronnen. Aangegeven dient te worden op welke wijze met de samenloop rekening is gehouden bij de te treffen maatregelen."

Het derde lid luidt: "Het eerste en tweede lid zijn uitsluitend van toepassing indien voor een woning [...]:

a. een hogere waarde zal worden vastgesteld, en

b. voor dezelfde woning [...] de geluidsbelasting, vanwege tenminste een andere geluidsbron als bedoeld in het eerste lid, in de toekomstige situatie de voorkeurswaarde overschrijdt."

5.2. In het kader van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum zal het industrieterrein in Wanssum worden uitgebreid. Vanwege het industrielawaai heeft het college van burgemeesters en wethouders van Venray bij besluit van 12 mei 2016 voor de woning van [appellante] een hogere waarde van 58 dB(A) vastgesteld.

5.3. Uit artikel 110a, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 110f, eerste lid, van de Wgh, volgt dat indien een geluidgevoelige bestemming waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld in de zones van meerdere geluidbronnen, zoals wegverkeer, railverkeer of industrie komt te liggen, inzichtelijk dient te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidsbelasting is en het bevoegd gezag een afweging moet maken over de aanvaardbaarheid van de gecumuleerde geluidsbelasting. De woning van [appellante] staat binnen de geluidzone van het industrieterrein en in de geluidzone van de nieuwe rondweg, zodat in zoverre op grond van de Wgh de verplichting bestaat de gecumuleerde geluidsbelasting te bepalen en af te wegen.

5.4. Uit het akoestisch rapport volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting van de rondweg en het industrieterrein bij de woning van [appellante] ten hoogste 61 dB(A) zal bedragen. Het college van gedeputeerde staten heeft deze geluidsbelasting niet onaanvaardbaar geacht. Daarbij heeft het college van gedeputeerde staten in aanmerking mogen nemen dat, zoals volgt uit het MER-deelrapport, de gecumuleerde geluidsbelasting in de autonome situatie 63 dB(A) bedraagt. De gecumuleerde geluidsbelasting op de woning neemt door de rondweg dus af. In het akoestisch rapport wordt hiervoor de verklaring gegeven dat als gevolg van de aanleg van de rondweg en de afwaardering van de bestaande N270 het verkeer op de Geijsterseweg dat van en naar het industrieterrein rijdt, sterk zal afnemen. Dit verkeer zal in de nieuwe situatie via de rondweg het industrieterrein bereiken en verlaten. Het college van gedeputeerde staten heeft voorts in aanmerking mogen nemen dat de gecumuleerde geluidsbelasting van de rondweg en het industrieterrein niet hoger is dan de wettelijk ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB(A) vanwege de rondweg voor de woning van [appellante] ingevolge artikel 83, derde lid, onder a, van de Wgh. Verder heeft het college van gedeputeerde staten toegelicht dat in de woning van [appellante] een maximale binnenwaarde van 33 dB(A) kan worden verzekerd. Bij een eventuele overschrijding van deze waarde kunnen gevelisolatiemaatregelen worden getroffen. Het college van gedeputeerde staten heeft tot slot in de afweging mogen betrekken dat de nieuwe rondweg in combinatie met de afwaardering van de bestaande N270 bij een groot aantal woningen in de kern van Wanssum tot een afname van de gecumuleerde geluidsbelasting zal leiden.

Ten aanzien van de stelling van [appellante] dat de gecumuleerde geluidsbelasting van 61 dB(A) op haar woning met name in de avond- en nachtperiode onaanvaardbaar zal zijn, heeft het college van gedeputeerde staten ter zitting toegelicht dat de vastgestelde hogere waarde van 51 dB(A) een etmaalwaarde betreft. De geluidnormen zijn in de avondperiode 5 dB(A) en in de nachtperiode 10 dB(A) lager dan in de dagperiode. Voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten de gecumuleerde geluidsbelasting in de avond- en nachtperiode niet onaanvaardbaar heeft mogen achten bestaat gelet op het aangevoerde geen aanleiding.

Gelet op het voorgaande heeft het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gecumuleerde geluidsbelasting op de woning van [appellante] niet onaanvaardbaar is. Het betoog faalt.

Provinciaal beleid

6. [appellante] betoogt dat het besluit hogere waarden is vastgesteld in strijd met provinciaal beleid zoals neergelegd in de Beleidsregels hogere waarden. Daartoe voert zij aan dat haar woning na realisering van de rondweg niet over ten minste één geluidluwe gevel zal beschikken. Door aanleg van de rondweg in combinatie met de uitbreiding van het nabijgelegen industrieterrein zullen de voorkeursgrenswaarden zowel op de voor- als de achtergevel worden overschreden. [appellante] voert voorts aan dat het college van gedeputeerde staten zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de rondweg niet tot een wezenlijke verslechtering van het akoestische klimaat bij haar woning leidt.

6.1. Het college van gedeputeerde staten heeft zich op het standpunt gesteld dat aan het uitgangspunt van ten minste één geluidluwe gevel in het voorliggend geval niet hoefde te worden vastgehouden omdat zich geen wezenlijke verslechtering van het akoestische klimaat bij de woning voordoet.

6.2. De Beleidsregels hogere waarden geven invulling aan de wijze waarop het college van gedeputeerde staten de geluidsbelasting bij vaststelling of wijziging van hogere waarden beoordeelt. In artikel 3 van de Beleidsregels hogere waarden staat dat een procedure voor de vaststelling van hogere waarden voor een geluidsgevoelige bestemming alleen mag worden gestart indien de geluidsgevoelige bestemming ten minste één geluidluwe gevel heeft. Het geluidsniveau op deze gevel is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde voor elk van de te onderscheiden geluidsbronnen. Indien er sprake is van een dynamische omgeving met hoge geluidsbelastingen en de woning niet beschikt over een geluidsluwe gevel, wordt de hogere waarde slechts verleend indien deze geen wezenlijke verslechtering van het akoestisch klimaat ter plaatse veroorzaakt.

6.3. De Afdeling overweegt dat het college van gedeputeerde staten terecht stelt dat de Beleidsregels hogere waarden afwijking van het uitgangspunt van ten minste één geluidluwe gevel toelaten wanneer de woning waarvoor een hogere waarde wordt vastgesteld is gelegen in een dynamische omgeving met hoge geluidsbelastingen en de vaststelling van de hogere waarde niet leidt tot een wezenlijke verslechtering van het akoestische klimaat ter plaatse.

Het college van gedeputeerde staten heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de woning van [appellante] wat het akoestisch klimaat betreft in een dynamische omgeving is gelegen met hoge geluidsbelastingen. Daarbij heeft het college van gedeputeerde staten in aanmerking mogen nemen dat de woning van [appellante] in de huidige situatie al op korte afstand van het reeds bestaande deel van het industrieterrein staat. Voorts is de woning aan de Geijsterseweg gelegen die in de huidige situatie een belangrijke ontsluitingsweg is voor verkeer van en naar het industrieterrein. Het college van gedeputeerde staten heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de rondweg niet leidt tot een wezenlijke verslechtering van het akoestisch klimaat bij haar woning. Weliswaar zal de woning van [appellante] niet over tenminste één geluidluwe gevel beschikken, maar de gecumuleerde geluidsbelasting op de woning neemt als gevolg van de aanleg van de rondweg af zodat in zoverre sprake zal zijn van een verbeterde situatie. Het college van gedeputeerde staten heeft in redelijkheid die omstandigheid doorslaggevend mogen achten.

Er bestaat gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is vastgesteld in strijd met de Beleidsregels hogere waarden. Het betoog faalt.

Conclusie

7. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blankenstein, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Blankenstein

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2017

821.