Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:49

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
201601090/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2015 heeft het CBR [appellant] verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn geschiktheid vereist voor het besturen van motorvoertuigen en de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/42
JGROND 2018/69 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601090/1/A1.

Datum uitspraak: 11 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 december 2015 in zaak nr. 15/5285 in het geding tussen:

[appellant]

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2015 heeft het CBR [appellant] verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn geschiktheid vereist voor het besturen van motorvoertuigen en de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst.

Bij besluit van 2 september 2015 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. T.P. Schut, advocaat te Amsterdam, en het CBR, vertegenwoordigd door J.A. Launspach, medewerker bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het CBR heeft het in bezwaar gehandhaafde besluit van 18 juni 2015 genomen naar aanleiding van een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994) van de korpschef van politie van 21 april 2015. Hierin is vermeld dat het vermoeden bestaat dat [appellant] niet langer beschikt over de rijvaardigheid, dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van motorrijtuigen van categorie B. Uit het aan de mededeling ten grondslag liggende op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van 13 maart 2015 en de daarbij behorende op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van aanrijding van 1 januari 2015 en rijden onder invloed van 21 maart 2015 en diverse op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van bevindingen van 1 januari 2015 was [appellant] op 1 januari 2015 omstreeks 3.18 uur als bestuurder van een personenauto betrokken bij een ernstig verkeersongeval. Door verbalisanten van de politie werd waargenomen dat [appellant] rooddoorlopen ogen had. Volgens het proces-verbaal aanrijding misdrijf bestond bij verbalisanten het ernstige vermoeden dat [appellant] onder invloed was van een stof die de rijvaardigheid nadelig kan beïnvloeden. [appellant] verklaarde desgevraagd dat hij de avond daarvoor rond 20.00 uur een blowtje had gerookt. Hierop is [appellant] aangehouden vanwege het vermoeden dat hij niet langer beschikt over de rijvaardigheid voor het besturen van motorrijtuigen en vervolgens is bij hem bloed afgenomen. Uit de resultaten van het door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) verrichtte bloedonderzoek, neergelegd in het rapport van 27 januari 2015, volgt dat er THC en 11-OH-THC in het bloed van [appellant] was aangetroffen alsmede een onwerkzaam omzettingsproduct van cannabis. Volgens de conclusie in het rapport was de rijvaardigheid van [appellant] ten tijde van de bloedafname waarschijnlijk nadelig beïnvloed door de aangetoonde stof THC. Uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van 2 januari 2015 staat dat [appellant] heeft verklaard dat hij zijn laatste jointje op 31 december 2014 om 23.00 á 24.00 uur heeft gerookt. Tevens heeft hij verklaard dat hij dagelijks een zakje marihuana gebruikt.

2. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR, onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) wordt een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kunnen feiten of omstandigheden, als bedoeld in artikel 2 blijken uit:

a. eigen waarneming en gegevens afkomstig van de politie;

b. gegevens afkomstig van de officier van justitie, of

c. door de politie nagetrokken gegevens uit andere bron.

Ingevolge artikel 23, derde lid, aanhef en onder a, besluit het CBR dat betrokkene zich aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid dient te onderwerpen in geval van feiten of omstandigheden, als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, anders dan die vermeld onder A, onderdeel III, Rijgedrag, of onder B, onderdeel III, Drogerende stoffen 'Alcohol'.

Ingevolge bijlage 1, aanhef en onder B, onderdeel III, Drogerende stoffen, 'Andere drogerende stoffen', onder d, is een feit dan wel omstandigheid, dat een vermoeden rechtvaardigt dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven dat betrokkene is staande gehouden of aangehouden onder invloed van drogerende stoffen.

3. De rechtbank heeft overwogen dat het CBR in beginsel voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [appellant] in strijd met de wettelijke voorschriften onder invloed van drogerende stoffen een motorvoertuig heeft bestuurd. De rechtbank is van oordeel dat [appellant] met zijn betoog er niet in geslaagd is ten aanzien van de bevindingen van het CBR voldoende twijfel te zaaien. De enkele ontkenning tegenover de politie over het tijdstip van zijn laatste joint is onvoldoende om af te wijken van een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van die verklaring.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij ten tijde van het ongeval niet onder invloed was van drogerende middelen en het CBR niet bevoegd was tot het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid en tot het schorsen van zijn rijbewijs. Hij voert hiertoe aan dat tussen het roken van het laatste jointje en de aanrijding meer dan 4 uur is gelegen. Volgens een publicatie van het Trimbosinstituut bevinden zich volgens hem na verloop van 2 á 3 uur na het roken van de laatste joint de waarden in het bloed zich onder bepaalde grenswaarden waardoor de rijvaardigheid niet wordt beïnvloed. De bevindingen van het NFI zijn volgens [appellant] niet bruikbaar omdat deze alleen zien op het THC-gehalte en niet aangeven in hoeverre hij onder invloed was van drogerende stoffen.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1386, komt de bevoegdheid tot het vorderen van een onderzoek naar de geschiktheid het CBR reeds toe indien aannemelijk is dat iemand bij zijn staandehouding of aanhouding onder invloed van drogerende stoffen was. Niet is vereist dat is vastgesteld dat betrokkene daadwerkelijk onder invloed was van drogerende middelen.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het CBR met de omstandigheden in de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal met de waarneming van verbalisanten, de eigen verklaring van [appellant] dat hij rond 23.00 of 24.00 uur een joint heeft gerookt alsmede de uitslagen van het bloedonderzoek door het NFI, in beginsel aannemelijk heeft gemaakt dat [appellant] bij zijn aanhouding onder invloed van drogerende stoffen was. [appellant] heeft geen resultaten van een tegenonderzoek overgelegd die doen twijfelen aan de onderzoeksresultaten van het NFI. De verwijzing door [appellant] naar een publicatie van het Trimbosinstituut is onvoldoende, reeds omdat hierin enkel algemene informatie staat. Dat uit de onderzoeksresultaten van het NFI niet volgt in hoeverre [appellant] onder invloed van drogerende stoffen was, wat daar van zij, doet niet af aan de conclusie van het NFI nu niet is vereist dat is vastgesteld dat [appellant] daadwerkelijk onder invloed was van drogerende middelen.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. mr. C.H.M. van Altena

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2017

414.