Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:486

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
22-02-2017
Zaaknummer
201602914/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:1830, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 mei 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] toegekende kinderopvangtoeslag over 2010 definitief berekend en op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602914/1/A2.

Datum uitspraak: 22 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 maart 2016 in zaak nr. 15/3018 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] toegekende kinderopvangtoeslag over 2010 definitief berekend en op nihil gesteld.

Bij besluit van 1 april 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 maart 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2016, waar [appellante], bijgestaan door mr. D. Matadien, advocaat te Rotterdam, en [medewerker gastouderbureau], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellante] heeft van april tot en met december 2010 voor haar kinderen gebruik gemaakt van gastouderopvang door tussenkomst van [gastouderbureau]. Zij heeft daarvoor op 18 juni 2010 kinderopvangtoeslag aangevraagd als bedoeld in de Wet op de kinderopvangtoeslag (vanaf 1 augustus 2010: de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; hierna: de Wko).

Bij besluit van 25 februari 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] een voorschot kinderopvangtoeslag van € 28.897,00 toegekend. Bij besluit van 23 juli 2011 heeft de dienst dat voorschot herzien en op nihil gesteld.

2. De Belastingdienst/Toeslagen heeft vervolgens bij het besluit van 14 mei 2013 de kinderopvangtoeslag over 2010 definitief op nihil gesteld. Aan dat besluit, zoals gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 1 april 2015, heeft de dienst, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat [appellante] niet heeft aangetoond in het berekeningsjaar 2010 zelf kosten te hebben gemaakt voor kinderopvang.

Geschil en oordeel van de rechtbank

3. In geschil is of de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij de kosten van kinderopvang in 2010 volledig heeft voldaan. Voorts is in geschil of de besluitvorming onredelijk laat heeft plaatsgevonden.

4. De rechtbank is de Belastingdienst/Toeslagen gevolgd in zijn standpunt dat [appellante] niet heeft aangetoond de kosten van kinderopvang in 2010 volledig te hebben voldaan. Volgens de rechtbank heeft [appellante] niet bewezen dat zij maandelijks € 200,00 contant aan de gastouder heeft betaald. Dat zij, naar aanleiding van een brief van het gastouderbureau, de eigen bijdrage van € 2.153,00 op 28 oktober 2011 alsnog aan het gastouderbureau heeft overgemaakt, kan haar volgens de rechtbank niet baten. In dit verband wijst de rechtbank op jurisprudentie van de Afdeling waaruit blijkt dat de verschuldigde kosten voor kinderopvang ten tijde van die opvang of uiterlijk kort daarna dienen te worden voldaan. Bovendien kan, indien is geconstateerd dat niet is voldaan aan de gestelde voorwaarden, dit achteraf niet worden hersteld door alsnog aan die voorwaarden te voldoen, aldus de rechtbank. Over de termijn van besluitvorming, heeft de rechtbank overwogen dat de termijn in artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) een termijn van orde is en aan de overschrijding daarvan geen consequenties zijn verbonden.

Wettelijk kader

5. De wetsartikelen die in deze zaak van belang zijn, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling van het hoger beroep

- Bevoegdheid van de Belastingdienst/Toeslagen vaststelling

6. [appellante] wijst erop dat de Belastingdienst/Toeslagen de termijn als bedoeld in artikel 19 van de Awir heeft overschreden en derhalve de kinderopvangtoeslag niet binnen redelijke termijn heeft herzien.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1484, overweegt de Afdeling dat de Awir, noch de totstandkomingsgeschiedenis daarvan, grond biedt voor het oordeel dat de in artikel 19, eerste en tweede lid, neergelegde beslistermijnen in zoverre fataal zijn dat de Belastingdienst/Toeslagen na het verstrijken van deze termijnen niet meer bevoegd is om een voorschot, overeenkomstig artikel 16, vierde lid (thans vijfde lid), te herzien of een toeslag, overeenkomstig artikel 19 definitief vast te stellen. Uit voormelde uitspraak volgt dat, gelet op de wetssystematiek en in lijn met artikel 21, tweede lid, van de Awir, de bevoegdheid van de Belastingdienst/Toeslagen om een voorschot te herzien of een toeslag vast te stellen ten nadele van de aanvrager vijf jaar na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de toeslag betrekking heeft, vervalt. Voor zover die vaststelling toch na vijf jaar plaatsvindt, is de Belastingdienst/Toeslagen niet langer bevoegd om de toeslag definitief op een lager bedrag vast te stellen dan het bedrag van het laatste aan de aanvrager toegekende voorschot.

In het geval van [appellante] is de kinderopvangtoeslag voor 2010 binnen vijf jaar na afloop van het betreffende toeslagjaar definitief vastgesteld.

7. Het betoog faalt.

- Betaling kinderopvang 2010

8. In artikel 7, eerste lid, van de Wko is bepaald dat de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk is van de draagkracht en de hoogte van de kosten van kinderopvang. De hoogte van de kosten van kinderopvang wordt per kind bepaald aan de hand van het aantal afgenomen uren opvang maal het uurtarief. De ouder die kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, moet aantonen dat het bedrag aan kosten dat blijkens de gemaakte afspraken over kinderopvang verschuldigd is, daadwerkelijk is betaald. Die kosten kunnen bijvoorbeeld blijken uit de jaaropgave van een gastouderbureau (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1610).

9. In dit geschil staat niet ter discussie dat [appellante] haar kinderen vanaf april tot en met december 2010 heeft laten opvangen bij [gastouder]. [appellante] heeft een jaaropgave 2010 overgelegd waaruit volgt dat de totale opvangkosten over 2010 € 31.050,00 bedroegen. Dit bedrag is thans niet in geschil. Het bij besluit van 25 februari 2011 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag van € 28.897,00 is overgemaakt op het rekeningnummer van [gastouderbureau]. Voor de opvang van haar kinderen was [appellante] over 2010 dan nog een bijdrage van € 2.153,00 verschuldigd.

10. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraken van 20 november 2013 en 30 maart 2016; ECLI:NL:RVS:2013:2006 en ECLI:NL:RVS:2016:827), brengen de achtergrond van de regeling voor het toekennen van kinderopvangtoeslag en het verstrekken van voorschotten daarvoor mee dat alle verschuldigde kosten voor kinderopvang daadwerkelijk ten tijde van die opvang of uiterlijk kort daarna dienen te worden voldaan.

11. Gebleken is dat in 2010 geen voorschot is uitgekeerd. [appellante] heeft verklaard dat zij als gevolg daarvan niet in staat was alle kosten van kinderopvang in dat jaar tijdig te voldoen, zodat zij afspraken heeft gemaakt over uitstel van betaling. Op advies van [medewerker] van het gastouderbureau is zij overgegaan tot contante betaling aan de gastouder. Omdat zij niet wist wat de hoogte van haar eigen bijdrage zou zijn, heeft zij in samenspraak met de gastouder, het maandelijks te betalen bedrag vastgesteld op € 200,00. De bedoeling was dat het eventueel teveel betaalde later zou worden verrekend.

[appellante] heeft kwitanties van 12 maandelijkse betalingen van € 200,00 aan de gastouder overgelegd over de periode van januari tot en met december 2010. [appellante] heeft in dat verband verklaard dat, hoewel de opvang van haar kinderen pas in april 2010 is gestart, zij de gastouder al vanaf januari 2010 contant heeft betaald om de opvang van haar kinderen door die gastouder veilig te stellen. Gelet op deze verklaring, die op zichzelf gezien niet onaannemelijk is, ziet de Afdeling, anders dan de Belastingdienst/Toeslagen, geen aanleiding om aan de bewijskracht van de overgelegde kwitanties te twijfelen. Overigens heeft [appellante] in hoger beroep rekeningafschriften met bankopnames in de periode januari tot en met december 2010 overgelegd. Gelet op de tijdstippen en de bedragen van die opnames, is niet onaannemelijk dat de opgenomen bedragen mede zijn besteed aan de contante betalingen aan de gastouder.

Uit een brief van 12 mei 2011 van het gastouderbureau aan [appellante] blijkt dat zij is verzocht om alsnog de eigen bijdrage van € 2.153,00 voor gastouderopvang in 2010 over te maken aan het gastouderbureau zodat de gastouder kan worden uitbetaald. [appellante] heeft hierover verklaard dat [gastouderbureau] een gastouderbureau is met landelijke dekking en dat de centrale administratie niet op de hoogte was van de, op advies van de regionale [medewerker], met [gastouder] totstandgekomen betalingsregeling met contante betalingen in afwachting van de uitbetaling van het voorschot kinderopvangtoeslag 2010. Blijkens een brief van 20 mei 2011 heeft [appellante] [gastouderbureau] op de betalingsregeling gewezen. Zij stelt dat zij na telefonisch contact met [gastouderbureau] heeft besloten alsnog de eigen bijdrage van € 2.153,00 giraal aan het gastouderbureau te voldoen en de verrekening van het als gevolg van de eerdere contante betalingen daarmee teveel betaalde af te handelen met de gastouder. [appellante] heeft met een bankafschrift aangetoond een bedrag van € 2.153,00 op 28 oktober 2011 aan [gastouderbureau] te hebben overgemaakt. Uit een bankafschrift van 3 november 2011 blijkt dat [gastouderbureau] dat bedrag vervolgens heeft overgemaakt naar de gastouder onder vermelding van "[appellante] eigen bijdragen 2010".

Gelet op al het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien, is de Afdeling van oordeel dat [appellante] genoegzaam heeft aangetoond dat zij de kinderopvangkosten over 2010 daadwerkelijk heeft betaald.

12. Het betoog slaagt.

Conclusie

13. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 1 april 2015 van de Belastingdienst/Toeslagen alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor vernietiging in aanmerking.

14. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door de Belastingdienst/Toeslagen te nemen nieuwe besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

15. De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 maart 2016 in zaak nr. 15/3018;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 1 april 2015, kenmerk BEZ O BT10;

V. veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.980,00 (zegge: negentienhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Pans w.g. Van Soest-Ahlers

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2017

343.

BIJLAGE

Wet kinderopvang

Artikel 1a

1. Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 5, van toepassing, met dien verstande dat met de aanwezigheid van een partner geen rekening wordt gehouden in de kalendermaand waarin het partnerschap aanvangt of eindigt.

[…]

Artikel 7

1. De hoogte van de kinderopvangtoeslag is afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3º. de soort kinderopvang.

[…]

De Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 16

1. Indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, verleent de Belastingdienst/Toeslagen de belanghebbende een voorschot tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

2. Ingeval de belanghebbende voor het gehele berekeningsjaar aanspraak heeft op een tegemoetkoming wordt het voorschot verleend:

a. indien de aanvraag ten minste acht weken vóór het berekeningsjaar is ingediend of indien de tegemoetkoming wordt toegekend met toepassing van artikel 15, vierde lid: vóór de aanvang van het berekeningsjaar;

b. in andere gevallen: binnen acht weken na de ontvangst van de aanvraag.

3. Indien de Belastingdienst/Toeslagen voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming informatie nodig heeft van buiten Nederland kunnen de in het tweede lid genoemde termijnen worden verlengd met ten hoogste zes maanden. De Belastingdienst/Toeslagen stelt de belanghebbende schriftelijk van deze verlenging in kennis.

4. De Belastingdienst/Toeslagen kan het voorschot herzien.

5. Een herziening van het voorschot kan leiden tot een terug te vorderen bedrag.

Artikel 19

1. Indien ten name van de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner over het berekeningsjaar een aanslag inkomstenbelasting wordt vastgesteld, kent de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming met betrekking tot dat berekeningsjaar toe binnen 13 weken nadat de laatste in dit kader van belang zijnde aangifte inkomstenbelasting is ingediend, of, indien dat eerder is, binnen acht weken na de vaststelling van de laatste in dit kader van belang zijnde aanslag. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt een aangifte inkomstenbelasting die is ingediend vóór 1 april van het jaar volgend op het berekeningsjaar geacht te zijn ingediend op 1 april van het jaar volgend op het berekeningsjaar. Indien ten name van de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner over het berekeningsjaar een beschikking ter zake van niet in Nederland belastbaar inkomen wordt vastgesteld, kent de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming met betrekking tot dat berekeningsjaar toe binnen acht weken na de vaststelling van de laatste in dit kader van belang zijnde beschikking. De derde volzin is uitsluitend van toepassing indien de in die volzin genoemde termijn verloopt op een datum die gelegen is na afloop van de in de eerste volzin bedoelde termijn.

2. Indien voor geen van de in het eerste lid bedoelde personen over het berekeningsjaar een aanslag inkomstenbelasting of een beschikking ter zake van niet in Nederland belastbaar inkomen wordt vastgesteld, kent de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming met betrekking tot dat berekeningsjaar toe vóór 1 december van het jaar volgend op het berekeningsjaar.

3. Indien de tegemoetkoming niet binnen de in de vorige leden genoemde termijn kan worden toegekend, stelt de Belastingdienst/Toeslagen de belanghebbende hiervan schriftelijk in kennis onder het noemen van een redelijke termijn waarbinnen toekenning zal plaatsvinden.

Artikel 21

1. De Belastingdienst/Toeslagen kan een toegekende tegemoetkoming herzien:

a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan de Belastingdienst/Toeslagen bij de toekenning redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming vermoedelijk tot een te hoog bedrag is toegekend, of

b. indien de tegemoetkoming tot een te hoog bedrag is toegekend en de belanghebbende of zijn partner dit wist of behoorde te weten.

2. Een tegemoetkoming kan met toepassing van dit artikel niet meer worden herzien indien vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft.

3. Een herziening op grond van dit artikel kan leiden tot een terug te vorderen bedrag.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 7:12

1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. […]

Artikel 8:113

1. De hogerberoepsrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak, hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

2. Indien de uitspraak van de hogerberoepsrechter ertoe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt, kan de uitspraak tevens inhouden dat beroep tegen dat besluit slechts kan worden ingesteld bij de hogerberoepsrechter.