Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:450

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2017
Datum publicatie
22-02-2017
Zaaknummer
201507830/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 september 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 30a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2017/83 met annotatie van prof. mr. H. Battjes
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507830/1/V3

Datum uitspraak: 17 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 7 oktober 2015 in zaak nr. 15/17025 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 oktober 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het bezwaar (lees: de aanvraag) neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.S.Th.H. Ruijters, advocaat te Eindhoven, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Bij brief van 17 juni 2015 hebben de Italiaanse autoriteiten verklaard dat de vreemdeling houder is van een verblijfsvergunning voor subsidiaire bescherming die is verlopen op 30 juli 2011, dat zij toestemming geven voor de terugkeer van de vreemdeling en dat de instantie die de eerdere verblijfsvergunning heeft afgegeven, de nog bestaande vereisten zal vaststellen. Gelet hierop heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in Italië internationale bescherming geniet, en heeft hij op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) de asielaanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard.

2. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit van 17 september 2015 een deugdelijke motivering ontbeert, nu uit de brief van 17 juni 2015 van de Italiaanse autoriteiten niet valt op te maken dat de vreemdeling bij terugkeer in Italië weer aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning en internationale bescherming.

3. De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank aldus niet heeft onderkend dat enige indicatie ontbreekt dat de vreemdeling, na het verlopen van de verblijfsvergunning voor subsidiaire bescherming, bij terugkeer in Italië niet weer een dergelijke bescherming kan worden geboden.

3.1. De Italiaanse autoriteiten hebben aan de vreemdeling internationale bescherming verleend. Uit de brief van 17 juni 2015 noch hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten zijn verblijfsstatus hebben ingetrokken. Verder moeten deze autoriteiten met de beoogde vaststelling van de nog bestaande vereisten geacht worden de afgifte van een nieuwe verblijfsvergunning te zullen bezien. Gelet hierop heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris zich, gelet op de brief van 17 juni 2015, terecht op het standpunt heeft gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat de vreemdeling na terugkeer in Italië over een verblijfsvergunning dan wel in ieder geval over een andere toestemming tot verblijf in Italië zal beschikken.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 17 september 2015 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5. De vreemdeling betoogt allereerst dat de staatssecretaris, in strijd met de considerans, onder 13 en 14, en artikel 6 van Verordening (EU) nr. 604/2013 (PB 2013 L180; hierna: de Dublinverordening), in het gezinsleven hier met een vriendin en minderjarig kind geen aanleiding heeft gezien voor een inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag.

5.1. In de Dublinverordening worden de criteria en instrumenten vastgesteld om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming. Aangezien Nederland zich blijkens het besluit van 17 september 2015 verantwoordelijk heeft geacht voor de behandeling van de asielaanvraag van de vreemdeling, kan van toepassing van de Dublinverordening geen sprake meer zijn. Nu de vreemdeling verder voor langdurig verblijf bij zijn vriendin en kind een daartoe strekkende aanvraag kan indienen, heeft de staatssecretaris in het gezinsleven van de vreemdeling terecht geen aanleiding gezien voor een inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag.

De beroepsgrond faalt.

6. De vreemdeling betoogt verder dat de staatssecretaris met de verwijzing naar de verlengde asielprocedure het vertrouwen heeft opgewekt dat hij de gevraagde verblijfsvergunning zou verlenen.

6.1. Artikel 30a, eerste lid, van de Vw 2000 schrijft niet voor dat gebruikmaking van de daarin neergelegde bevoegdheid om een aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren is beperkt tot aanvragen die in de algemene asielprocedure worden afgedaan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2940). Gelet hierop heeft de staatssecretaris met de verwijzing naar de verlengde asielprocedure niet het vertrouwen gewekt dat hij de aanvraag van de vreemdeling zou toewijzen.

De beroepsgrond faalt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 7 oktober 2015 in zaak nr. 15/17025;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, griffier.

w.g. Verheij w.g. Snijders

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2017

279