Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:446

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2017
Datum publicatie
22-02-2017
Zaaknummer
201606401/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juli 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.108c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2017/111 met annotatie van mr. dr. F.F. Larsson

Uitspraak

201606401/1/V3.

Datum uitspraak: 16 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 16 augustus 2016 in zaak nr. 16/16006 in het geding tussen:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarig kind,

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 augustus 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.B. Kleerekooper, advocaat te Hoenderloo, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. In hoger beroep is het volgende onbestreden. De vreemdeling heeft zich op 18 augustus 2015 in Ter Apel gemeld en op 18/19 augustus 2015 te kennen gegeven dat zij een asielaanvraag wenst in te dienen. Op 7 april 2016 heeft de vreemdeling zich opnieuw in Ter Apel gemeld en een asielaanvraag ingediend door middel van ondertekening van een daartoe bestemd formulier.

Op basis van de resultaten uit het op 7 april 2016 verrichtte onderzoek in Eurodac heeft de staatssecretaris de Franse autoriteiten op 3 mei 2016 verzocht de vreemdeling terug te nemen. De Franse autoriteiten hebben dat verzoek krachtens artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van Verordening (EU) 604/2013 (Pb 2013 L 180; hierna: de Dublinverordening) op 9 mei 2016 geaccepteerd.

In hoger beroep is aan de orde of de staatssecretaris zijn terugnameverzoek te laat aan de Franse autoriteiten heeft toegezonden en derhalve verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag.

Aangevallen uitspraak

2. De rechtbank heeft het besluit vernietigd omdat de staatssecretaris naar haar oordeel het terugnameverzoek te laat heeft ingediend. Derhalve is Nederland volgens de rechtbank krachtens artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de aanvraag van de vreemdeling. De rechtbank heeft daartoe redengevend geacht dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat zij op 18/19 augustus 2015 mondeling asiel heeft aangevraagd. De staatssecretaris heeft de vreemdeling, nadat zij zich op 18 augustus 2015 in Ter Apel had gemeld, niet onverwijld in de gelegenheid gesteld om haar aanvraag door middel van een formulier schriftelijk in te dienen of om zelf een proces-verbaal op te maken waarin haar asielwens werd vastgelegd. Gebleken is van een zodanig tijdsverloop tussen de door de vreemdeling kenbaar gemaakte wens om haar internationale bescherming te verlenen en de uiteindelijke gelegenheid tot het indienen van het asielverzoek dat afbreuk wordt gedaan aan het uitgangspunt van de Dublinverordening dat snel moet worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, aldus de rechtbank.

Grieven en beoordeling

3. De staatssecretaris klaagt, in de kern weergegeven en voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de procedure voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat eerst is aangevangen met de formele indiening van de asielaanvraag van de vreemdeling op 7 april 2016. Het terugnameverzoek van 3 mei 2016 is, na de Eurodac-treffer op 7 april 2016, binnen de in artikel 23, tweede lid, eerste alinea, van de Dublinverordening gestelde termijn van twee maanden ingediend, aldus de staatssecretaris.

3.1. Zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 24 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1833, en 13 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:71, dient krachtens artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening te worden uitgegaan van de formele indiening van een verzoek om internationale bescherming door middel van het daartoe geƫigende formulier als handeling die de in de Dublinverordening vervatte termijnen doet aanvangen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte niet de formele asielaanvraag van 7 april 2016 als uitgangspunt genomen. Zij heeft eveneens ten onrechte niet geoordeeld dat het terugnameverzoek binnen twee maanden en dus tijdig is ingediend.

Dat de staatssecretaris de vreemdeling na 18 augustus 2015 niet onverwijld in de gelegenheid zou hebben gesteld om een formele aanvraag in te dienen, maakt dit niet anders. Voorop zij gesteld dat artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening noch artikel 3.108c, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 een concrete termijn stelt waarbinnen de staatssecretaris een vreemdeling in de gelegenheid moet stellen om een formele asielaanvraag in te dienen. Het had op de weg van de vreemdeling gelegen om de IND terstond na 18/19 augustus 2015 te benaderen voor het formaliseren van haar asielaanvraag.

De grief slaagt.

Conclusie hoger beroep

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient reeds hierom te worden vernietigd. Hetgeen de staatssecretaris overigens heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking meer. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 19 juli 2016 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze na hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven.

Beroepsgronden en beoordeling

5. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 16 en 17 van de Dublinverordening. Zij heeft daartoe, onder verwijzing naar punt 16 van de considerans van de Dublinverordening, betoogd dat zij als gevolg van haar zwangerschap behoefte heeft aan ondersteuning van haar echtgenoot. Ook haar binding met haar minderjarige zoon, die de Nederlandse nationaliteit heeft, dient voor de staatssecretaris grond te zijn om haar asielaanvraag inhoudelijk te behandelen, aldus de vreemdeling.

5.1. De staatssecretaris heeft zich in het besluit en ter zitting bij de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat hij geen toepassing hoefde te geven aan artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening, nu de echtgenoot geen familielid is als bedoeld in dat artikel en de minderjarige zoon met de vreemdeling mee kan gaan naar Frankrijk. Voorts heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van onevenredige hardheid getuigt. De staatssecretaris heeft bij zijn standpunt kunnen betrekken dat de echtgenoot van de vreemdeling zich reeds sinds 2007 in Nederland bevindt en de vreemdeling gedurende lange tijd niet met haar echtgenoot heeft gewoond.

De beroepsgrond faalt.

6. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond, dat het beroep voor zover dat ziet op de minderjarige zoon gegrond moet worden verklaard, komt de Afdeling niet toe. Over die grond is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die grond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop deze betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgrond valt thans dientengevolge buiten het geding.

Conclusie beroep

7. Het beroep tegen het besluit van 19 juli 2016 is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 16 augustus 2016 in zaak nr. 16/16006;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent, en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.V. Leeflang, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Leeflang

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2017

775.