Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:440

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2017
Datum publicatie
22-02-2017
Zaaknummer
201609486/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 mei 2016 heeft het college [verzoeker] onder oplegging van een dwangsom van € 1.500,- ineens gelast de opslag van onder andere stalen korven, stenen en hout op een perceel, nabij de [locatie] in Nijkerk, te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609486/2/A1.

Datum uitspraak: 16 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te Nijkerk,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 december 2016 in de zaken nrs. 16/5087, 16/6515, 16/6517 en 16/6529 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijkerk.

Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2016 heeft het college [verzoeker] onder oplegging van een dwangsom van € 1.500,- ineens gelast de opslag van onder andere stalen korven, stenen en hout op een perceel, nabij de [locatie] in Nijkerk, te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 21 oktober 2016 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 december 2016 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 februari 2017, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. M.A. Jansen, advocaat te Heerenveen, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.I. Liesdek, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. [verzoeker] woont aan de [locatie] in Nijkerk en gebruikt een houtkachel om zijn woning en leidingwater te verwarmen. Het perceel aan de overzijde van zijn woonperceel gebruikt hij voor het drogen van hout om te stoken. Op het perceel staan stapels hout, stalen korven waarin het hout anderhalf tot twee jaar wordt gedroogd en lege stalen korven. Ter zitting heeft [verzoeker] toegelicht dat de stenen, waar de last onder dwangsom mede betrekking op had, daar slechts tijdelijk lagen en inmiddels zijn verwijderd.

Bij besluit van 25 mei 2016 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de opslag in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1975" en dat legalisatie niet mogelijk is, omdat geen omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan kan worden verleend. Volgens het college zijn in het bestemmingsplan geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheden gegeven, valt de opslag niet onder een categorie vermeld in artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) en is de opslag in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

3. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht de opgelegde last onder dwangsom te schorsen, totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep, teneinde te voorkomen dat hij de opgelegde dwangsom verbeurt. Het college heeft de begunstigingstermijn van de opgelegde dwangsom verlengd tot twee weken na deze uitspraak.

4. [verzoeker] betoogt dat het college niet bevoegd was om tot handhaving over te gaan, omdat hij op 2 mei 2016, in zijn reactie op het voornemen van het college hem een last onder dwangsom op te leggen, heeft gevraagd een omgevingsvergunning voor de opslag te verlenen op grond van artikel 4 van bijlage II bij het Bor. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat die vergunning van rechtswege is verleend omdat het college niet tijdig op de aanvraag heeft besloten.

Volgens het college ziet de aanvraag niet op een activiteit die valt onder een categorie vermeld in artikel 4 van bijlage II bij het Bor, zodat de gevraagde vergunning slechts met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° van de Wabo kon worden verleend. Dat betekent dat geen vergunning van rechtswege is ontstaan.

4.1. Deze procedure leent zich niet voor de beantwoording van de vraag of al dan niet een vergunning van rechtswege is ontstaan. Die vraag zal in de bodemprocedure beantwoord moeten worden.

De voorzieningenrechter ziet bij afweging van de betrokken belangen geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat niet in geschil is dat de opslag op het perceel in strijd met het bestemmingsplan is. Hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om op voorhand aan te nemen dat van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend voor de opslag. Het belang van [verzoeker] bij het opslaan en laten drogen van een zodanig grote hoeveelheid hout op het perceel, is erin gelegen dat dit financieel voordelig is. Niet is gebleken dat [verzoeker], anders dan om financiële redenen, voor het stoken van de houtkachel tijdelijk geen gebruik zou kunnen maken van ander hout, dan wel het hout tijdelijk elders kan opslaan. Ter zitting is gebleken dat een gedeelte van de opslag zou kunnen plaatsvinden op het woonperceel van [verzoeker]. Daarbij is van belang dat tegen het verplaatsen van de korven geen grote bezwaren bestaan, aangezien het gedroogde hout gewoonlijk met korf en al naar de woning wordt verplaatst om te worden gestookt.

Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het algemeen belang dat is gediend met handhaving in dit geval zwaarder dient te wegen dan het belang van [verzoeker] om het perceel te kunnen blijven gebruiken voor de opslag van het hout en de stalen korven.

5. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

w.g. Uylenburg w.g. Kors

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2017

687.