Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:433

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
201604172/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:3596, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2015 heeft het college de schuldhulpverlening aan [appellante] met ingang van 28 januari 2015 beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201604172/1/A2.

Datum uitspraak: 15 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Belfeld, gemeente Venlo,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 april 2016 in zaak nr. 15/2244 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Venlo.

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2015 heeft het college de schuldhulpverlening aan [appellante] met ingang van 28 januari 2015 beëindigd.

Bij besluit van 12 juni 2015 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 april 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 12 januari 2017.

Overwegingen

Inleiding

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die aan de uitspraak is gehecht en daarvan deel uitmaakt.

2. [appellante] heeft in de periode van 13 november 2009 tot en met 30 november 2010 en van 1 februari 2011 tot en met 30 november 2011 een bijstandsuitkering ontvangen. Het bedrag dat [appellante] aan uitkering heeft ontvangen, € 39.762,43, is van haar teruggevorderd, omdat zij niet heeft gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voerde. Dat [appellante] in voormelde perioden een gezamenlijke huishouding voerde staat in rechte vast.

[appellante] heeft op 9 oktober 2012 de rechtbank verzocht om in aanmerking te worden gebracht voor de Wet schuldsanering natuurlijke personen (hierna: WSNP). De rechtbank heeft dit verzoek bij vonnis van 23 oktober 2012 afgewezen, omdat niet aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan van de omvangrijke fraudevordering bij de gemeente te goeder trouw was.

Besluitvorming

3. Het college heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat de schuldhulp die aan [appellante] werd verleend feitelijk al op 26 oktober 2012 ten einde is gekomen, naar aanleiding van de rechtbankuitspraak waarbij het verzoek om toelating tot het WSNP-traject is afgewezen. Het college erkent dat het onzorgvuldig heeft gehandeld door eerst meer dan twee jaar na de rechtbankuitspraak een besluit te nemen over de beëindiging van de schuldhulp. Dit neemt echter niet weg dat sprake is van een terechte beëindiging van de schuldhulpverlening, aldus het college.

Hoger beroep

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door eerst bij besluit van 29 januari 2015 de schuldhulpverlening te beëindigen, terwijl de informatie op basis waarvan dit besluit is genomen al meer dan twee jaar bij het college bekend was. Volgens [appellante] mocht zij ervan uitgaan dat het schuldhulptraject zou worden afgerond, omdat de schuldhulp na de rechtbankuitspraak waarbij het verzoek tot toelating tot het WSNP-traject is afgewezen bleef voortduren.

4.1. De Afdeling volgt [appellante] niet in haar standpunt dat zij ervan mocht uitgaan dat het college de schuldhulpverlening aan haar zou voortzetten. Hoewel het college pas met het besluit van 29 januari 2015 het schuldhulptraject formeel heeft beëindigd, was de schuldhulp feitelijk al twee jaar eerder stopgezet, na de uitspraak van de rechtbank van 23 oktober 2012 waarbij is vastgesteld dat [appellante] voor een bedrag van € 39.762,43 bijstandsfraude heeft gepleegd. [appellante] heeft op 26 oktober 2012 voor het laatst contact gehad met de voor het college werkzame schuldhulpverlener. Tijdens dit contact is volgens het college gezegd - en [appellante] heeft dit niet weersproken - dat [appellante] met hulp van haar bewindvoerder een betalingsregeling moet treffen. Deze mededeling kan naar het oordeel van de Afdeling niet anders worden begrepen dan dat het college niet langer bereid is schuldhulp te verlenen. Hierom, maar ook omdat na dit gesprek met [appellante] geen contact meer is geweest over schuldhulpverlening, doet [appellante] tevergeefs een beroep op het vertrouwensbeginsel.

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college geen goede belangenafweging heeft gemaakt. Volgens [appellante] had een goede belangenafweging ertoe geleid dat het college de schuldhulpverlening niet zou hebben beëindigd. Hiertoe voert zij aan dat zij haar leven inmiddels op orde heeft gebracht en met hulp van een bewindvoerder haar schulden probeert af te lossen. Zodra de vijfjarentermijn is afgelopen, zal zij ongetwijfeld alsnog worden toegelaten tot het WSNP-traject. Het college ontneemt haar de mogelijkheid om nog voor aanvang van het WSNP-traject schuldhulp te ontvangen. Reeds hierom weegt haar belang zwaarder dan dat van het college. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft het beëindigingsbesluit van het college wel degelijk geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, aldus [appellante].

Het college heeft de schuldhulpverlening aan [appellante] beëindigd met toepassing van artikel 6, aanhef en onder g, van de Beleidsregels schuldhulpverlening. Volgens deze bepaling besluit het college schuldhulpverlening te beëindigen als de geboden hulpverlening gelet op de persoonlijke omstandigheden van de schuldenaar niet of niet langer passend is. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college terecht hulpverlening aan [appellante] niet langer passend heeft geacht in verband met de omvangrijke bijstandsfraude die zij heeft gepleegd. Het college heeft in overeenstemming met de Beleidsregels gehandeld. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college in een geval als dit waar sprake is van ernstige fraude, geen aanleiding heeft hoeven zien aan het belang van [appellante] om nog voor aanvang van het WSNP-traject schuldhulp te ontvangen, doorslaggevend gewicht toe te kennen. Het nadeel dat [appellante] stelt te ondervinden als gevolg van het besluit van het college om de schuldhulpverlening stop te zetten is verder niet te duiden als onbillijkheden van overwegende aard, als bedoeld in artikel 9 van de Beleidsregels schuldhulpverlening, zodat het college terecht geen toepassing heeft gegeven aan de in de Beleidsregels opgenomen hardheidsclausule. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding heeft hoeven zien de gemeentelijke schuldhulpverlening voort te zetten.

Het betoog faalt.

Conclusie

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Dijkshoorn

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2017

735.

8. BIJLAGE

Op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is het college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk voor de schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente. Het college van Venlo heeft ter uitvoering van die taak de Beleidsregels schuldhulpverlening vastgesteld.

Beleidsregels schuldhulpverlening

Artikel 4

1. De verzoeker doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de schuldhulpverlening, zowel bij de aanvraag als gedurende de looptijd van het schuldhulpverleningstraject.

2. De verzoeker is verplicht om alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is gedurende de aanvraagperiode en tijdens het schuldhulpverleningstraject. De medewerking bestaat in ieder geval uit:

a. het nakomen van afspraken;

b. het niet aangaan van nieuwe schulden;

c. het zich houden aan de bepalingen van het plan van aanpak.

Artikel 5

1. Indien verzoeker niet of in onvoldoende mate zijn verplichtingen nakomt zoals neergelegd in artikel 4, eerste en tweede lid, besluit het college om schuldhulpverlening te weigeren dan wel te beëindigen.

Artikel 6

Onverminderd de overige bepalingen in deze beleidsregels, besluit het college tot beëindiging van de schuldhulpverlening indien: […]

g. de geboden hulpverlening, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de schuldenaar niet (langer) passend is.

Artikel 9

1. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de verzoeker afwijken van de bepalingen in de Beleidsregels, indien toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.