Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:43

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
201508927/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 april 2014 heeft het college aan Emma Hotel een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een gebouw op het perceel aan de Sarphatistraat 102-104 en de Spinozastraat 51-53-55 te Amsterdam (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/196
JOM 2017/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508927/1/A1.

Datum uitspraak: 11 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Amsterdam,

2. Emma Hotel C.V., gevestigd te Amsterdam,

appellanten

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 oktober 2015 in zaken nrs. 14/3464, 14/3419 en 14/3494 in het geding tussen:

[appellant sub 1] en anderen,

[partij A],

[partij B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2014 heeft het college aan Emma Hotel een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een gebouw op het perceel aan de Sarphatistraat 102-104 en de Spinozastraat 51-53-55 te Amsterdam (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 27 oktober 2015 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en anderen, [partij A] en [partij B] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 30 april 2014 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en anderen en Emma Hotel hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het college een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 10 december 2015 heeft het college opnieuw omgevingsvergunning verleend aan Emma Hotel.

[partij A] is tegen dat besluit bij de rechtbank in beroep gekomen. De rechtbank heeft dat beroepschrift ter behandeling naar de Afdeling doorgezonden. [partij B] en [appellant sub 1] hebben gronden ingediend gericht tegen het besluit van 10 december 2015.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Emma Hotel een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[partij A] en [appellant sub 1] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2016, waar [appellant sub 1], [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C], bijgestaan door mr. B.B. van Vliet, advocaat te Amsterdam en Emma Hotel, vertegenwoordigd door mr. M.A. Grapperhaus, advocaat te Amsterdam, en A. Fransoo, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.D. Hosper, F. Baas, ing. Klarenbeek en mr. J.E. Kenter, zijn verschenen. Voorts is [partij A], bijgestaan door mr. J. Zwiers, ter zitting gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. Emma Hotel heeft de omgevingsvergunning aangevraagd voor het oprichten van een hotel met 211 kamers, conferentie faciliteiten, een bar, een restaurant, een gym en een ondergrondse parkeergarage met overkapte entree. Naast de entree van de parkeergarage is een laad- en losplaats voorzien voor leveranciers. Het perceel, waarop voorheen het Emma Kinderziekenhuis was gevestigd, is gelegen in de binnenstad van Amsterdam. Het perceel grenst aan de Spinozastraat en de Sarphatistraat. [partij A] is mede-eigenaar van het pand aan de [locatie 1] en woont op de tweede verdieping van dat pand. [appellant sub 1], [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] zijn bewoners van het pand [locatie 2]. [partij B] woont in het pand op het perceel [locatie 3]. Omdat de bouwhoogte van het beoogde gebouw, de ondergrondse parkeergarage met overkapping en de laad- en losplaats in strijd zijn met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Oostelijke binnenstad", heeft het college een omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 30, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Partijen houdt verdeeld de vraag of aan de besluiten van 30 april 2014 en 10 december 2015 een goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt.

Planregels

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Oostelijke binnenstad" rust op het perceel de bestemmingen "Gemengd-1", "Gemengd-2", "Tuin-1" en "Tuin-2".

Ingevolge artikel 1.31 van de planregels wordt onder goothoogte verstaan: de hoogte van gebouwen die wordt bepaald door de snijlijn tussen verticaal gevelvlak en al dan niet hellend dakvlak.

Ingevolge de artikelen 8.2.4 en 9.2.4, onder a, bedraagt de goothoogte van gebouwen ten hoogste de op de verbeelding aangegeven goothoogte, dan wel de ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaande grotere goothoogte.

Ingevolge de artikelen 8.2.4 en 9.2.4 onder b, bedraagt de bouwhoogte van gebouwen ten hoogste de op de verbeelding aangegeven bouwhoogte, dan wel de ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaande grotere bouwhoogte.

Ingevolge de artikelen 8.2.5 en 9.2.5, onder a, bedraagt de goothoogte van panden die op de verbeelding zijn aangeduid als 'specifieke bouwaanduiding-orde 1' of 'specifieke bouwaanduiding-orde 2' en 'specifieke bouwaanduiding- orde 3', in afwijking van het bepaalde in de artikelen 8.2.4 en 9.2.4, onder a, ten hoogste de ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaande goothoogte.

Ingevolge de artikelen 8.2.5 en 9.2.5, onder b, bedraagt de bouwhoogte van panden die op de verbeelding zijn aangeduid als 'specifieke bouwaanduiding-orde 1' of 'specifieke bouwaanduiding-orde 2' en 'specifieke bouwaanduiding- orde 3', in afwijking van het bepaalde in de artikelen 8.2.4 en 9.2.4, onder b, ten hoogste de ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaande bouwhoogte.

Ingevolge de artikelen 8.2.7, onder c, en 9.2.7, onder b, dient in geval van nieuwbouw of ingrijpende verbouw de afstand tussen de goot- en bouwhoogte van een gebouw minimaal 2,00 m te bedragen, dan wel dient het gebouw vanaf de goot plat te worden afgedekt.

Ingevolge de artikelen 8.2.7, onder d, en 9.2.7, onder c, bedraagt in afwijking van het bepaalde in artikel 8.2.7, onder c en 9.2.7, onder b, in geval van nieuwbouw of ingrijpende verbouw de bouwhoogte van de panden aan de Sarphatistraat 102-104 en de Spinozastraat 51-53, ingeval de gebouwen plat worden afgedekt, maximaal 17,00 m.

3. Het hoger beroep van [appellant sub 1] en anderen is mede ingesteld door de Vereniging van eigenaren [locatie 2]. Het hoger beroep, voor zover ingediend door de Vereniging van eigenaren [locatie 2] is met de brief van 31 mei 2016, zoals ter zitting van de Afdeling bevestigd, ingetrokken.

Ruimtelijke onderbouwing

4. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit van 30 april 2014 op basis van onjuiste informatie is genomen, nu de overschrijding van de bouwhoogte niet 1,85 m maar 3,35 m bedraagt. Zij voeren hiertoe aan dat ingevolge de artikelen 8.2.7, onder d, en 9.2.7, onder c, van de planregels de voorgeschreven maximale bouwhoogte 17,00 m bedraagt in plaats van 18,50 m omdat het bouwplan in een plat dak voorziet in plaats van een hellend dak.

Emma Hotel betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan een plat dak heeft, nu het bouwplan is voorzien van een schuine dakbeëindiging. Voor zover de rechtbank terecht heeft overwogen dat het bouwplan deels voorziet in een plat dak en deels een schuin dak, heeft de rechtbank niet onderkend dat het college bij het besluit rekening heeft gehouden met de verschillende bouw- en goothoogtes en in zoverre in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor het bouwplan, aldus Emma Hotel.

4.1. Het bouwplan voorziet grotendeels in verticale gevels tot een hoogte van 16,00 m en daarop twee schuine gevels, met een verschillende hellingshoek, tot een hoogte van 20,35 m. Verder voorziet het bouwplan deels in een plat dak, ten behoeve van de plaatsing van installaties, met een hoogte van 18,50 m en drie vanaf de gevel gezien teruggelegen verticale gevels met een hoogte van 20,35 m. Het college heeft vastgesteld dat het bouwplan in strijd is met de bouwhoogte zoals voorgeschreven in het bestemmingsplan "Oostelijke Binnenstad". Ter beoordeling is of het college in redelijkheid voor het bouwwerk omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

4.2. In de ruimtelijke onderbouwing behorende bij het besluit van 30 april 2014 staat dat het bouwplan een goot- en bouwhoogte heeft van 16,00 m onderscheidenlijk 20,35 m. Aan de kant van de Sarphatistraat is de bestaande bebouwing 20,58 m hoog en plat afgedekt, met uitzondering van de opbouw die plaatselijk 27,00 m hoog is. Een overschrijding van de ingevolge het bestemmingsplan toegestane bouwhoogte vindt volgens de aan het besluit ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing aan deze kant niet plaats.

Aan de Spinozastraat bestaat de bestaande bebouwing uit één- en tweelaagse bouwwerken; in de ruimtelijke onderbouwing staat dat de toegestane maximale bouwhoogte wordt overschreden. Deze bouwhoogte van 20,35 m tast volgens het college de ruimtelijke kwaliteit van de locatie niet aan, zodat de voorgestelde bouwhoogte ruimtelijk aanvaardbaar is. Daarbij is van belang dat deze bouwhoogte aansluit bij de maten als op de verbeelding van het bestemmingsplan "Oostelijke binnenstad" is aangegeven plus 10 procent. Voor een dergelijke hoogte kan volgens het college met binnenplanse afwijking omgevingsvergunning worden verleend wanneer geen sprake zou zijn geweest van de 'specifieke bouwaanduiding - orde 3'.

In de ruimtelijke onderbouwing is, onder verwijzing naar een bezonningsstudie, vermeld dat de beperkte overschrijding van de op de verbeelding aangegeven maximale bouwhoogte, te weten 1,85 m, niet leidt tot een onevenredige beperking van dag- en zonlichttoetreding van omwonenden.

4.3. Voor zover [appellant sub 1] en anderen betogen dat het college over onjuiste gegevens beschikte, faalt dit betoog, omdat uit de bij de aanvraag behorende bouwtekeningen de aangevraagde bouwhoogten kunnen worden afgeleid en het college bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het project van deze bouwtekeningen is uitgegaan.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat ingevolge de artikelen 8.2.4 en 9.2.4 onder b van de planregels aan de Sarphatistraat, gelet op de ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan bestaande bebouwing, een maximale bouwhoogte geldt van 20,58 m en dat het bouwplan in zoverre niet in strijd is met het bestemmingsplan. Daarnaast heeft de rechtbank terecht overwogen dat het bouwplan aan de Spinozastraat niet in overeenstemming is met de in de planregels voorgeschreven bouw- en goothoogte, nu de bestaande hoogte van de bebouwing aan de Spinozastraat ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan tussen de 4,00 m en 8,00 m bedroeg en de verbeelding 18,50 m onderscheidenlijk 16,00 m als toegestane bouw- en goothoogte mogelijk maakt. Anders dan [appellant sub 1] en anderen betogen heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de artikelen 8.2.7, onder d, en 9.2.7, onder c, van de planregels in dit geval niet van toepassing zijn, omdat het dak eveneens voorziet in schuine hellingen waardoor de maximaal toegestane bouwhoogte voor het gehele pand niet 17,00 m bedraagt.

Het betoog van Emma Hotel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor de aangevraagde bouwhoogte, is terecht voorgedragen. In de aan het besluit van 30 april 2014 ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing is uiteengezet waarom de bouwhoogte van het bouwwerk vanuit ruimtelijk oogpunt bezien aanvaardbaar is. Daarbij heeft het college van belang kunnen achten dat de overschrijding van de maximale bouwhoogte ten opzichte van de op de verbeelding toegestane bouwhoogte relatief bezien klein is en dat niet gebleken is dat overschrijding van de maximale bouwhoogte aan de Spinozastraat gelet op de belangen van de omwonenden onaanvaardbaar zou zijn. Het voorgaande kan evenwel niet leiden tot het door Emma Hotel daarmee beoogde doel. Hierbij is van belang dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat in het besluit van 30 april 2014 geen ruimtelijke onderbouwing is gegeven voor het afwijken van de in de planregels voorgeschreven goothoogte aan de Spinozastraat en de in de artikelen 8.2.7, onder c, en 9.2.7, onder b, van de planregels opgenomen afstand tussen de goot- en bouwhoogte van een gebouw van minimaal 2,00 m. De rechtbank heeft gelet hierop terecht het beroep van [appellant sub 1] en anderen gegrond verklaard.

De betogen falen.

Ondergrondse parkeergarage en overkapping

5. Emma Hotel betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing is gegeven voor de afwijking van het bestemmingsplan voor zover het gaat om de locatie van de inrit, de overkapping en de laad- en losplaats. Zij voert hiertoe aan dat het college geen gebruik heeft gemaakt van de artikelen 8.7.1 en 9.7.1 van de planregels en dat gemotiveerd is uiteengezet in de ruimtelijke onderbouwing en de beantwoording van de zienswijzen waarom een ondergrondse parkeergarage aan de Singelgracht vanuit ruimtelijk oogpunt bezien aanvaardbaar is. Verder voert Emma Hotel aan dat in het bestemmingsplan een hotelfunctie is mogelijk gemaakt waardoor het laden- en lossen ten behoeve van het hotel is toegestaan en dat de realisering van de ondergrondse parkeergarage met overkapping bijdraagt aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden. Zij voert hiertoe aan dat de voormalige erfafscheiding hoger was dan 3,00 m en de overkapping juist is voorzien boven de in- en uitrit teneinde de overlast voor omwonenden te verminderen en dat het laden en lossen van voertuigen reeds is toegelaten, nu ingevolge het bestemmingsplan het perceel mag worden gebruikt als hotel.

Voorts betogen [appellant sub 1] en anderen dat de rechtbank niet is ingegaan op de omstandigheid dat de ondergrondse parkeergarage aan de Singelgracht onaanvaardbaar is, nu het perceel is gelegen in de zogenoemde bufferzone zoals opgenomen in het Unesco Werelderfgoed en de omstandigheid dat in de artikelen 8.7.1 en 9.7.1 van de planregels een maximale breedte van de entree van een ondergrondse parkeergarage van 3,50 m is voorgeschreven en de voorziene entree 8,35 m breed is. Verder betogen zij dat er alternatieve mogelijkheden zijn om de parkeergarage te kunnen realiseren aan de zijde van de Spinozahof.

5.1. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat een deel van de entree van de parkeergarage is voorzien op gronden waar ingevolge het bestemmingsplan de bestemmingen "Tuin-1" en "Tuin-3" op rusten. Deze bestemmingen zijn in het bestemmingsplan opgenomen ter waarborging van voldoende licht- en luchttoetreding voor de woningen in het bouwblok. Het bestemmingsplan staat het gebruik en bebouwing zoals dat is voorzien niet toe, maar het doel van licht- en luchttoetreding komt met de realisering van het bouwplan niet in het geding waardoor hetgeen is aangevraagd aanvaardbaar is. Verder staat in de ruimtelijke onderbouwing dat bij de gekozen positie van de inrit de gewenste uitstraling en de open plint van het hotel niet wordt onderbroken door een groot gevelgat of een garagedeur als entree van de parkeergarage. Daarnaast is over de overkapping van de entree vermeld dat, om te voorkomen dat directe buren en hotelgasten kijken op de hellingbaan van de entree van de parkeergarage en de laad- en loszone een plan is gemaakt om het uitzicht visueel aantrekkelijk te maken.

Daarnaast staat in de nota van beantwoording dat de Singelgracht zich gelet op de inrichting van de openbare ruimte (groen en bomen, schuin talud van de gracht) en de heterogene bebouwingstypologie aan het water onderscheidt van de andere grachten in de binnenstad. Verder merkt het college op dat de gronden met de bestemming "Tuin-3" op dit moment in het geheel zijn bebouwd en dat het oppervlak van de bebouwing op deze gronden ten gevolge van het bouwplan af zal nemen. De te realiseren overkapping is volgens het college echter wel 0,50 tot 1,00 m hoger dan de bestaande bebouwing.

5.2. Dat in de artikelen 8.7.1 en 9.7.1 van de planregels ten aanzien van de bevoegdheid tot wijziging van de bestemmingen "Gemengd-1" en "Gemengd-2" voor een ondergrondse parkeervoorziening in de kelder en het souterrain als uitzondering is opgenomen dat dit niet geldt bij bebouwing aan waterwegen dan wel grachten, betekent niet dat het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3o, van de Wabo geen omgevingsvergunning voor het bouwplan heeft mogen verlenen. Voor de toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3o, van de Wabo vormen de artikelen 8.7.1 en 9.7.1 immers geen beletsel, mits sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing. Het betoog van Emma Hotel dat de rechtbank in zoverre niet heeft onderkend dat aan het verlenen van medewerking van een ondergrondse parkeergarage een goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt is, mede gelet hierop, terecht voorgedragen. Hierbij is van belang dat het college in het besluit van 30 april 2014 heeft uiteengezet waarom de ondergrondse parkeergarage aan de Singelgracht vanuit ruimtelijk oogpunt bezien aanvaardbaar kan worden geacht. Daarbij heeft het college van belang kunnen achten dat de Singelgracht is gegraven als vestinggracht en nooit is getransformeerd tot woongracht en dat het profiel van de Singelgracht afwijkt van de overige grachten en de Amstel, nu de aan de overzijde gelegen Mauritskade zeer breed is waardoor het ruimteprofiel asymmetrisch is.

Het voorgaande kan echter niet leiden tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak. Hierbij is van belang dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college in het besluit van 30 april 2014 niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom, gelet op de belangen van de omwonenden, medewerking kan worden verleend aan het wijzigen van de bestemming "Tuin-1" en "Tuin-3" voor de ingang van de ondergrondse parkeergarage. Daarbij heeft de rechtbank van belang kunnen achten dat het uitgangspunt van deze bestemming is dat de percelen onbebouwd blijven, dat de overkapping van de parkeergarage 4,00 m hoog is hetgeen hoger is dan de reeds gesloopte bebouwing, dat een door [appellant sub 1] en anderen genoemde alternatieve locatie niet is onderzocht en dat in de toelichting bij het bestemmingsplan staat dat met de planregeling is beoogd de licht- en luchttoetreding van de bewoners van het naastgelegen pand te waarborgen.

Het betoog faalt.

6. Voor zover [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat niet deugdelijk is gemotiveerd waarom geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat zal ontstaan vanwege het aantal te verwachten verkeersbewegingen en het volgens hen bestaande tekort aan parkeerplaatsen in de omgeving, faalt dit betoog. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is in het bestemmingsplan de hotelfunctie voorzien, zodat de daarmee gepaard gaande verkeersbewegingen reeds zijn afgewogen en toegelaten. Daarnaast voorziet het onderhavige bouwplan in een ondergrondse parkeergarage waardoor de parkeerdruk in de omgeving wordt verlaagd. In dit verband is aan het besluit van 30 april 2014 een advies van Goudappel Coffeng van 2 december 2013 ten grondslag gelegd. In dat advies wordt vermeld dat het realiseren van 40 parkeerplaatsen in de ondergrondse parkeergarage, waarvan 38 parkeerplaatsen voor gasten bestemd zijn, zorgt voor een beperkt aantal verkeersbewegingen terwijl ten gevolge van de voorziene parkeergarage de parkeerdruk in de omgeving zal verminderen met 19 parkeerplaatsen. Uit hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd met betrekking tot het aantal verkeersbewegingen per dag kan niet worden afgeleid dat het college aard en omvang van de verkeerseffecten onjuist heeft beoordeeld.

7. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de communicatie over het project misleidend is geweest, nu het college voorafgaand aan het indienen van de aanvraag te kennen heeft gegeven dat het bouwplan in overeenstemming zou zijn met het bestemmingsplan.

7.1. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat sprake is van onbehoorlijk bestuur van het college. Het enkele feit dat tussen college, aanvrager en omwonenden overleg heeft plaats gevonden over mogelijke alternatieven, laat onverlet dat het college de aanvraag om omgevingsvergunning als ingediend door de aanvrager diende af te handelen binnen wettelijk kaders.

Het betoog faalt.

8. Ingevolge artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Emma Hotel betoogt dat de rechtbank van deze bevoegdheid gebruik had moeten maken.

8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:109 is de ingevolge artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb aan de rechtbank toegekende bevoegdheid een zogenoemde bestuurlijke lus toe te passen discretionair van aard, zodat de rechtbank, anders dan Emma Hotel stelt, niet zonder meer gehouden was hiervan gebruik te maken. Reeds omdat het college inmiddels een nieuw besluit heeft genomen, hoeft de Afdeling in dit geval geen gevolgen te verbinden aan het al dan niet ten onrechte achterwege laten van de toepassing van de in artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb opgenomen bevoegdheid.

Conclusie hoger beroepen

9. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

Besluit van 10 december 2015

10. Bij besluit van 10 december 2015 heeft het college ter uitvoering van de thans aangevallen uitspraak, onder aanvulling van de motivering, opnieuw omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van het hotel op het perceel. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

11. In hetgeen [partij A] heeft aangevoerd over de totstandkoming van het besluit van 10 december 2015 ziet de Afdeling, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 7 is overwogen, geen grond voor het oordeel dat door het college de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden. Zoals hiervoor is overwogen brengt de omstandigheid dat het college voorafgaand aan verlening van de omgevingsvergunning in overleg is getreden met de aanvrager en omwonenden en dat de aanvrager uiteindelijk ervoor heeft gekozen een aanvraag om omgevingsvergunning in te dienen waarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is vereist, niet met zich dat het besluit is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

12. [partij A] betoogt dat het college heeft miskend dat het dak plat is afgedekt en dat derhalve ingevolge de artikelen 8.2.7 en 9.2.7 van de planregels de maximale bouwhoogte 17,00 m bedraagt. Daarnaast wijst [partij A] op artikel 4.6.9 van de planregels waardoor volgens hem de maximale goothoogte, gelet op het ontbreken van een kap, 16,00 m bedraagt. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het college de uitspraak van de rechtbank wat betreft de maximaal toegestane bouwhoogte onjuist heeft geïnterpreteerd. Volgens [appellant sub 1] en anderen overschrijdt het bouwplan aan de Spinozastraat de toegestane bouwhoogte met 3,35 m en de goothoogte met 4,35 m. Daarnaast wordt volgens [appellant sub 1] en anderen door de drie vanaf de tweede verdieping teruggelegen gevels met een hoogte van 20,35 m de in de planregels voorgeschreven afstand tussen de goot- en bouwhoogte van 2,00 m overschreden.

12.1. De Afdeling ziet in hetgeen [partij A] en [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan heeft kunnen verlenen. Daarbij is van belang dat het college de bouw- en goothoogte van het bouwwerk heeft bezien en dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het verlenen van een omgevingsvergunning een goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt. Hierbij is van belang dat in het besluit van 10 december 2015 een aanvullende motivering is gegeven voor de toegestane bouw- en goothoogte van het bouwplan. Zo heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het vanuit ruimtelijk oogpunt wenselijk is dat de bouwhoogte van de nieuwe bebouwing aan alle zijden even hoog is en dat de ruimtelijke kwaliteit van de locatie niet wordt aangetast door de toegestane verhoging, ook omdat slechts een verhoging van 10 procent van de op de verbeelding vermelde bouwhoogte wordt gerealiseerd en daarvoor eveneens in het bestemmingsplan een afwijkingsmogelijkheid is opgenomen. Daarnaast heeft het college hierbij van belang kunnen achten dat voor zover het bouwplan voorziet in een plat dak, dit vanuit ruimtelijk oogpunt bezien aanvaardbaar is, nu de op het dak voorziene installaties daardoor niet zichtbaar zullen zijn vanaf de straatzijde. Verder heeft het college ter zitting van de Afdeling uiteengezet dat het dak van het pand voornamelijk is voorzien van een schuin dak en dat voor zover vanaf de straatzijde een plat dak te zien is, de ruimtelijke uitstraling daarvan beperkt is, omdat de gevel, al dan niet deels vanaf de tweede verdieping, is teruggelegen ten opzichte van de gevel.

Dat niet wordt voldaan aan de in artikel 4.6.9 van de planregels opgenomen voorgeschreven afstand tussen de goot- en bouwhoogte van 2,00 m, betekent niet dat het college geen goede ruimtelijke onderbouwing heeft gegeven om van het bestemmingsplan af te wijken op dit punt. Daarbij is van belang dat de afwijking van deze afstand mede wordt veroorzaakt door de voormelde schuine gevels en de teruggelegen gevels en daarmee is beoogd een minder massief geheel te vormen. Daarnaast zullen deze gevels volgens het college een positief effect hebben op de licht- en luchttoetreding voor andere percelen.

Voor zover [appellant sub 1] en anderen betogen dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de hoogte van het bouwwerk passend is gelet op het beschermde stadsgezicht waarin het bouwplan is gelegen, faalt dit betoog evenzeer. Het college heeft, onder andere in het kader van de welstandstoetsing en in de aan de besluiten van 30 april 2014 en 10 december 2015 ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing, beoordeeld of medewerking kan worden verleend gelet op de met het beschermd stadsgezicht te dienen belangen. De Commissie voor Welstand en Monumenten Amsterdam heeft geen bezwaren geuit tegen de bouwhoogte en het college heeft ter zitting van de Afdeling, onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing, toegelicht dat aan de zijde van de Spinozastraat een verbetering van het stadsgezicht zal plaatsvinden, nu daar enkele bouwwerken waren gerealiseerd en dat aan de zijde van de Sarphatistraat enkele kenmerkende gevels behouden blijven. Daarnaast heeft het college toegelicht dat de aangevraagde kapvorm van het dak en het platte dak niet ongepast zijn binnen het beschermd stadsgezicht. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwwerk passend is binnen het beschermde stadsgezicht.

Het betoog faalt.

Overkapping en ondergrondse parkeergarage

13. [partij A] betoogt verder dat het college gelet op de belangen van de omwonenden niet in redelijkheid omgevingsvergunning voor de entree en overkapping van de parkeergarage heeft kunnen verlenen. Hij voert hiertoe aan dat de overkapping licht, zicht en lucht ontneemt. Verder voeren [partij A] en [appellant sub 1] en anderen aan dat een binnen het bestemmingsplan passend alternatief beschikbaar is aan de andere zijde van de Spinozastraat. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de overkapping zou kunnen worden verlaagd teneinde de overlast te verminderen en dat de ondergrondse parkeergarage niet noodzakelijk is, nu een vijfsterrenhotel een parkeerassistentie heeft en in de omgeving van het hotel drie parkeergarages aanwezig zijn.

13.1. De Afdeling ziet in hetgeen [partij A] en [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor de overkapping en de ondergrondse parkeergarage.

Hierbij is van belang dat het college in de aanvullende onderbouwing, onder verwijzing naar adviezen van Goudappel Coffeng van 15 augustus 2014, 6 november 2015 en 23 november 2015, is ingegaan op de locatie van de parkeergarage, de te verwachten verkeersbewegingen en het door [appellant sub 1] en anderen aangevoerde alternatief aan de Spinozahof. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het hotel, gelet op de daarin aanwezige kolommenstructuur, ongeschikt is voor het realiseren van een ondergrondse parkeergarage tegenover de Spinozahof en dat het laden en lossen voor vrachtwagens daar niet kan plaatsvinden waardoor alsnog een laad- en losstrook dient te worden gerealiseerd langs de Spinozastraat. Een laad- en losstrook langs de Spinozastraat brengt een verslechtering van de verkeersveiligheid met zich, omdat vrachtwagens achteruit zullen manoeuvreren over een voet- en fietspad. Indien gekozen wordt voor het aangevraagde bouwplan, dan dient weliswaar te worden afgeweken van de bestemming "Tuin-3" wat betreft de bouwhoogte, maar bestaat voldoende draaigelegenheid voor vrachtwagens zonder dat daarbij de verkeersveiligheid in gevaar komt. Gelet hierop heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat met het door [appellant sub 1] en anderen voorgestelde alternatief geen gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. Verder ziet de Afdeling, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.2, geen grond voor het oordeel dat het college, gelet op de karakteristiek van de Singelgracht niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor de ondergrondse parkeergarage.

Voorts ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de overkapping een beter woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd voor de omwonenden dan bij een entree van de parkeergarage zonder overkapping. Hierbij heeft het college van belang kunnen achten dat met de overkapping de binnentuin op het naastgelegen perceel zal worden afgeschermd tegen geluid en uitlaatgassen en de aangevraagde bebouwing slechts 0,50 m tot 1,00 m hoger is dan deze bestaande bebouwing. [partij A] en [appellant sub 1] en anderen hebben niet aan de hand van concrete gegevens hun stelling aannemelijk gemaakt dat ten gevolge van de bouw van de overkapping zodanige geluidsoverlast zal ontstaan dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning daarvoor heeft kunnen verlenen.

De betogen falen.

14. Het betoog van [partij B] dat de wijze waarop sloopwerkzaamheden aan het bestaande pand zijn uitgevoerd in strijd is met de voorschriften van de omgevingsvergunning voor het slopen, kan in de onderhavige procedure niet aan de orde komen, nu in deze procedure de omgevingsvergunning voor de sloop van de op het perceel aanwezige bebouwing niet aan de orde is.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 27 december 2012, ECLI:NL:RVS:BY7324, kan de te verwachten schade als gevolg van de uitvoering van het bouwplan in de belangenafweging in het kader van vergunningverlening slechts een rol spelen voor zover op voorhand vaststaat dat de uitvoering van bouwwerkzaamheden onvermijdelijk leidt tot schade aan de omgeving. In hetgeen [partij B] heeft aangevoerd wordt geen grond gezien voor het oordeel dat op voorhand vaststaat dat de uitvoering van de bouwwerkzaamheden onvermijdelijk tot zodanige schade zou leiden dat de omgevingsvergunning niet had mogen worden verleend.

Conclusie beroep

15. De beroepen van [appellant sub 1] en anderen, [partij A] en [partij B] zijn ongegrond. Voor zover [appellant sub 1] en anderen verzoeken het college met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij nu en in de toekomst nog zullen lijden door de realisering van de bouwwerken, dient dit verzoek te worden afgewezen, omdat hun beroep ongegrond is.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C], [partij A] en [partij B] gericht tegen het besluit van 10 december 2015, kenmerk BWT 1016861, ongegrond;

III. wijst het verzoek van [appellant sub 1] , [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C], om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Troostwijk

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2017

700.