Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:416

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
201508145/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2015 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan [vergunninghouder] een vergunning op grond van artikel 16 en artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) verleend voor het uitbreiden van een melkveehouderij aan de [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Natuurbeschermingswet 1998
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/238
AR 2017/817

Uitspraak

201508145/1/R2.

Datum uitspraak: 15 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (hierna: Mob) en Leefmilieu, beide gevestigd te Nijmegen,

appellanten,

en

1. het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

2. het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2015 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan [vergunninghouder] een vergunning op grond van artikel 16 en artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) verleend voor het uitbreiden van een melkveehouderij aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 21 september 2015 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland naar aanleiding van het door Mob en Leefmilieu hiertegen gemaakte bezwaar besloten om het besluit van 7 april 2015 in stand te laten met een aangepaste motivering. Het verzoek van Mob en Leefmilieu om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Tegen dit besluit hebben Mob en Leefmilieu beroep ingesteld.

Bij besluit van 19 april 2016 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht het besluit van 21 september 2015 van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, bekrachtigd.

Het college van gedeputeerde staten van Utrecht heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2016, waar Mob en Leefmilieu, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, vertegenwoordigd door mr. M. Blondelle-Zuidema en P. Vrielink Bsc, en het college van gedeputeerde staten van Utrecht, vertegenwoordigd door mr. W. van Dijk, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. M.J. Smaling, als partij gehoord.

Overwegingen

Beroep van rechtswege

1. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

1.1. Op 1 juli 2015 is de wet tot wijziging van de Nbw 1998 (programmatische aanpak stikstof) in werking getreden. De bevoegdheidsregeling zoals opgenomen in artikel 2 en 2a van de Nbw 1998 voor de verlening van vergunningen als bedoeld in artikel 19d is hierbij gewijzigd. Vanaf 1 juli 2015 geldt als hoofdregel dat gedeputeerde staten van de provincie waarin het (deel van het) Natura 2000-gebied ligt waarop het project of de andere handeling de grootste effecten heeft, het bevoegd gezag zijn voor de verlening van de vergunning. Op dit punt is niet in overgangsrecht voorzien, zodat voornoemde gewijzigde bepalingen vanaf 1 juli 2015 van toepassing zijn op een besluit omtrent een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid.

Vaststaat dat in het voorliggende geval het aangevraagde project de grootste effecten heeft op het Natura 2000-gebied "Botshol", dat in de provincie Utrecht ligt. Gelet hierop was als gevolg van de inwerkingtreding van de wet tot wijziging van de Nbw 1998 (programmatische aanpak stikstof) vanaf 1 juli 2015 niet langer het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, maar het college van gedeputeerde staten van Utrecht het bevoegd gezag met betrekking tot de voorliggende Nbw-vergunning.

1.2. De Afdeling stelt voorop dat de in artikel 6:19 van de Awb gegeven regeling strekt tot bevordering van doelmatige besluitvormings- en rechtsbeschermingsprocedures.

Het college van gedeputeerde staten van Utrecht heeft met het besluit van 19 april 2016 beoogd om het bevoegdheidsgebrek aan het door Mob en Leefmilieu bestreden besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 21 september 2015, te herstellen. Het besluit van 19 april 2016 is inhoudelijk gelijk aan dat eerdere besluit. Overigens bestaat tussen de betrokken bestuursorganen geen verschil van mening over de bevoegdheid van het college van gedeputeerde staten van Utrecht om op het bezwaar te beslissen. Onder deze omstandigheden brengt een redelijke uitleg van artikel 6:19 van de Awb met zich, gezien het doel en de strekking van deze bepaling, dat het beroep van Mob en Leefmilieu geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 19 april 2016.

Het besluit van 21 september 2015

2. Gegeven de wijzigingen als gevolg van de inwerkingtreding van de wet tot wijziging van de Nbw 1998 (programmatische aanpak stikstof) op 1 juli 2015 was, zoals hiervoor onder 1.1 uiteengezet, vanaf die datum het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland niet meer het bevoegd gezag met betrekking tot de bestreden Nbw-vergunning. Gelet hierop is het besluit van 21 september 2015 van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland onbevoegd genomen. Dit besluit is derhalve in strijd met artikel 2 en 2a van de Nbw 1998.

Het besluit van 19 april 2016

3. Bij dit besluit is de vergunning als bedoeld in artikel 16 en artikel 19d van de Nbw 1998 van 7 april 2015 voor het uitbreiden van de melkveehouderij aan de [locatie] in [plaats], met een aangepaste motivering in stand gelaten. Het agrarisch bedrijf ligt in de omgeving van de Natura 2000-gebieden "Oostelijke Vechtplassen", "Naardermeer", "Kennemerland-zuid" en "Botshol". Voor de exploitatie van het desbetreffende bedrijf is niet eerder een vergunning krachtens de Nbw 1998 of de Natuurbeschermingswet (oud) verleend. In de Nbw-vergunning is geconcludeerd dat het in dit geval gaat om een wijziging van de bedrijfssituatie die ten opzichte van de relevante referentiesituaties niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden. Gelet daarop is uitgesloten dat de vergunde situatie significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. Voorts is bij het besluit het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

4. Mob en Leefmilieu betogen dat niet is uitgesloten dat de vergunde situatie significante gevolgen heeft voor de betrokken Natura 2000-gebieden. Mob en Leefmilieu voeren hiertoe aan dat het gebruikte model AAgro-stacks niet geschikt is om de stikstofdepositie te bepalen. Derhalve is volgens hen ten onrechte nagelaten nader onderzoek te doen naar de stikstofdepositie, door uitvoering van een berekening met een ander model, zoals AERIUS.

4.1. Anders dan namens [vergunninghouder] ter zitting is gesteld, betreft hetgeen Mob en Leefmilieu omtrent de ongeschiktheid van het gebruikte rekenmodel naar voren hebben gebracht geen nieuwe beroepsgrond maar een nader argument ter ondersteuning van het reeds eerder gevoerde betoog dat niet is uitgesloten dat de vergunde situatie significante gevolgen heeft voor de betrokken Natura 2000-gebieden. Er is geen aanleiding om dit argument niet bij de beoordeling te betrekken.

4.2. In onder meer haar uitspraak van 2 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:7444, heeft de Afdeling reeds overwogen dat, kort weergegeven, zij geen aanleiding ziet voor het oordeel dat het rekenmodel AAgro-stacks niet voldoende representatief en betrouwbaar is om te worden gebruikt voor een berekening van stikstofdepositie. De Afdeling ziet geen aanleiding daar thans anders over te oordelen. Gelet hierop ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat met een ander rekenmodel nader onderzoek had moeten worden verricht naar de stikstofdepositie.

Het betoog faalt.

5. Mob en Leefmilieu betogen voorts dat hun verzoek om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar hebben moeten maken, ten onrechte is afgewezen. Zij voeren hiertoe aan dat het besluit van 7 april 2015 is gewijzigd naar aanleiding van het door hen ingediende bezwaar, zodat de met het bezwaar gemoeide proceskosten ten onrechte niet zijn vergoed.

5.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge het derde lid, wordt het verzoek gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist.

5.2. Mob en Leefmilieu hebben hun verzoek om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van de bezwaren hebben moeten maken, ingediend voordat op de bezwaren is beslist.

5.3. In het verweerschrift en ter zitting heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2016, met nr. 201406999/2/R2, erkend dat ten onrechte is geweigerd de kosten te vergoeden die Mob en Leefmilieu in verband met de behandeling van hun bezwaar redelijkerwijs hebben moeten maken.

Het betoog slaagt.

5.4. Het beroep is gegrond. Het besluit van 19 april 2016 dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, voor zover het de weigering betreft de kosten te vergoeden die Mob en Leefmilieu in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs hebben moeten maken.

5.5. De Afdeling zal de hoogte van de vergoeding voor de kosten in bezwaar vaststellen. Het college van gedeputeerde staten van Utrecht dient op na te melden wijze tot vergoeding van dit bedrag te worden veroordeeld.

Proceskosten beroep

6. Het college van gedeputeerde staten van Utrecht dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten in verband met het beroep te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 21 september 2015, kenmerk 607733/650094, gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 21 september 2015, kenmerk 607733/650094;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 19 april 2016, kenmerk 81810015, gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 19 april 2016, kenmerk 81810015, voor zover daarbij het verzoek van de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Leefmilieu om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs hebben moeten maken, is afgewezen;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Leefmilieu in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Leefmilieu in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Leefmilieu het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.J.M. Schoonbrood, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Schoonbrood

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2017

694.