Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:409

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
201603088/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[appellante] heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig door de Belastingdienst/Toeslagen nemen van besluiten op aanvragen met betrekking tot de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over verschillende periodes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603088/1/A2.

Datum uitspraak: 15 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2016 in zaken nrs. 15/4554 en 16/182 tot en met 16/195 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

[appellante] heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig door de Belastingdienst/Toeslagen nemen van besluiten op aanvragen met betrekking tot de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over verschillende periodes.

Bij uitspraak van 13 april 2016 heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2012 (16/187) gegrond verklaard en het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit vernietigd. Voorts heeft de rechtbank de Belastingdienst/Toeslagen opgedragen alsnog een besluit te nemen op dat bezwaar binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak en bepaald dat de dienst een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00. Tot slot heeft de rechtbank de overige beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 27 april 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen alsnog beslist op het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 21 maart 2012 en dat bezwaar ongegrond verklaard.

Het door [appellante] daartegen bij de rechtbank ingestelde beroep heeft de rechtbank doorgezonden naar de Afdeling.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2017, waar [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het besluit van 27 april 2016 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Hierna zal eerst het hoger beroep worden behandeld en daarna het beroep tegen voormeld besluit.

Aanleiding van het hoger beroep

2. [appellante] heeft in verschillende periodes in de jaren 2006 tot en met 2015 voorschotten huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget ontvangen. Zij heeft in de loop van de jaren meerdere keren bezwaar gemaakt tegen besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen over haar aanspraak op deze tegemoetkomingen. [appellante] heeft tevens een aanzienlijk aantal brieven naar de dienst gestuurd over onder meer de verrekening van toeslagen met terug te vorderen bedragen. Ook heeft zij de dienst meerdere keren schriftelijk verzocht om informatie en kwijtschelding. Daarnaast heeft zij in meerdere brieven aan de dienst gesteld dat de dienst niet reageert op haar brieven en daarom dwangsommen is verschuldigd.

3. [appellante] heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig door de Belastingdienst/Toeslagen nemen van besluiten op aanvragen die betrekking hebben op de huurtoeslag over december 2006 tot en met 2008, 2011 en 2012, de zorgtoeslag over 2011 tot en met 2015, het kindgebonden budget over 2008 tot en met 2013, de vaststelling van de beslagvrije voet over 2007, 2008, 2012 tot en met 2014 en een fraudeonderzoek.

4. De rechtbank heeft het beroepschrift van [appellante] opgevat als 15 afzonderlijke beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de Belastingdienst/Toeslagen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellante] bij brief van 2 juli 2012 bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 21 maart 2012, waarbij het aan [appellante] toegekende voorschot huurtoeslag over 2012 is herzien. De Belastingdienst/Toeslagen heeft erkend dat op dit bezwaar nog niet is beslist. Nu niet tijdig op dit bezwaar is beslist, heeft de rechtbank het daartegen gerichte beroep gegrond verklaard, de dienst opgedragen alsnog een besluit te nemen en daaraan een termijn en een dwangsom verbonden.

De rechtbank heeft de overige beroepen ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat, gelet op de inhoud van het dossier, hetgeen [appellante] heeft aangevoerd en de toelichting van de Belastingdienst/Toeslagen in de brief van 23 (lees: 31) augustus 2015 en ter zitting, niet duidelijk is geworden op welke andere verzoeken, aanvragen en bezwaarschriften door de dienst nog moet worden beslist. Het verzoek van [appellante] ter zitting om de gelegenheid te krijgen één en ander alsnog uit te zoeken en nader te concretiseren op welke verzoeken, aanvragen en bezwaarschriften volgens haar nog beslist moet worden en hierover nadere stukken over te leggen, is door de rechtbank afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank lag het op de weg van [appellante] om dat in het beroepschrift te doen. Het verzoek dit alsnog te doen, houdt in feite een nieuw beroep op grond van artikel 6:2 van de Awb in. Het toewijzen van het verzoek acht de rechtbank daarom in strijd met de goede procesorde. De rechtbank heeft nog opgemerkt dat uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting naar voren komt dat [appellante] vooral duidelijkheid wenst over de geldstromen in de afgelopen jaren en een totaaloverzicht van alle verrekende bedragen wenst. De rechtbank heeft overwogen dat de door [appellante] ingestelde beroepen niet de geëigende weg zijn om die duidelijkheid te verkrijgen. De dienst heeft [appellante] aangeraden om in een klacht de verrekeningen aan de orde te stellen.

Verder heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] heeft toegelicht dat zij met het woord "fraudeonderzoek" heeft bedoeld dat zij aangifte heeft gedaan tegen de dienst wegens het volgens [appellante] onnavolgbaar en zelfs eventueel dubbel verrekenen en niet uitbetalen van tegemoetkomingen. De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] geen duidelijkheid heeft kunnen geven over de vraag of de dienst in dit verband nog besluiten dient te nemen. Voor het overige valt dit onderwerp naar het oordeel van de rechtbank buiten de reikwijdte van deze procedure.

Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen geen dwangsommen wegens niet tijdig beslissen is verschuldigd. Daargelaten of de desbetreffende brieven van [appellante] als een ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17, derde lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt, zijn de bepalingen over de dwangsom niet tijdig beslissen naar het oordeel van de rechtbank niet van toepassing op het bezwaar van [appellante] tegen de herziening van het voorschot huurtoeslag over 2012. De dwangsomregeling is namelijk voor het eerst van toepassing op het berekeningsjaar 2013 en alleen op besluiten tot definitieve vaststelling van tegemoetkomingen alsook de beslissingen op de bezwaarschriften tegen deze besluiten.

Het hoger beroep

5. Voor zover [appellante] verzoekt om een oordeel over de zorgtoeslag over 2016, wordt dit verzoek afgewezen. Nu het beroep van [appellante] bij de rechtbank geen betrekking heeft op de zorgtoeslag over 2016 en de uitspraak van de rechtbank daarop geen betrekking heeft, maakt die toeslag ook in hoger beroep geen deel uit van het geding.

6. [appellante] betoogt dat de rechtbank onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het door de Belastingdienst/Toeslagen niet tijdig nemen van besluiten op diverse bezwaarschriften, verzoeken en ingebrekestellingen. Gezien de onduidelijkheid over de verrekeningen, het misbruik van bevoegdheid door de dienst en de aangifte van fraude bij het openbaar ministerie, had de rechtbank volgens [appellante] moeten oordelen over de besluitvorming door de dienst per onderwerp en per jaar. Zij voert aan dat de rechtbank met het oog daarop haar in de gelegenheid had moeten stellen om te verduidelijken welke besluiten de dienst heeft nagelaten te nemen en daarvan stukken over te leggen. Artikel 6:2 van de Awb staat daaraan niet in de weg, aldus [appellante].

6.1. Uit de artikelen 6:2, aanhef en onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb volgt dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit wordt gelijkgesteld met een besluit. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan een beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is.

6.2. [appellante] heeft in het beroepschrift de tegemoetkomingen en toeslagjaren vermeld ten aanzien waarvan de Belastingdienst/Toeslagen volgens haar niet tijdig een besluit heeft genomen. Zij heeft niet concreet geduid om welke aanvragen, bezwaren en brieven het gaat. De dienst heeft in reactie op dit beroepschrift bij brief van 31 augustus 2015 toegelicht wanneer en op welke wijze is gereageerd op de verschillende aanvragen, bezwaarschriften en verzoeken van [appellante]. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget en de toeslagjaren. De desbetreffende besluiten en brieven en een overzicht daarvan zijn door de dienst overgelegd. Op de zitting van de rechtbank heeft de dienst een aanvullend overzicht van besluiten overgelegd. [appellante] heeft de overzichten van de dienst niet weersproken. Zij heeft gesteld dat die niet compleet zijn, maar niet concreet geduid wat volgens haar nog ontbreekt. Gelet op wat [appellante] heeft aangevoerd, de door de dienst gegeven toelichting en overgelegde stukken, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat niet duidelijk is geworden op welke andere verzoeken, aanvragen en bezwaarschriften door de dienst nog moet worden beslist. Ook in hoger beroep heeft [appellante] die duidelijkheid niet gegeven. Anders dan [appellante] betoogt, heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] op de zitting om de gelegenheid te krijgen één en ander alsnog uit te zoeken en nader te concretiseren op welke verzoeken, aanvragen en bezwaarschriften volgens haar nog beslist moet worden en hierover nadere stukken over te leggen, mogen afwijzen wegens strijd met de goede procesorde. [appellante] had in het beroepschrift moeten specificeren op welke andere verzoeken, aanvragen en bezwaarschriften zij een besluit wenste en daarbij, voor zover mogelijk, de desbetreffende stukken moeten voegen. Gelet op het voorgaande is er geen grond voor het oordeel dat de rechtbank onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het door de Belastingdienst/Toeslagen niet tijdig nemen van besluiten op diverse bezwaarschriften, verzoeken en ingebrekestellingen ten aanzien van de door [appellante] genoemde tegemoetkomingen en toeslagjaren.

Het betoog faalt.

7. Voor zover [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen dwangsommen is verschuldigd, faalt dat betoog. Niet is in geschil dat de Belastingdienst/Toeslagen niet tijdig heeft beslist op het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 21 maart 2012, waarbij het voorschot huurtoeslag over 2012 is herzien. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de dienst daarvoor geen dwangsommen kan verbeuren, omdat de bepalingen over de dwangsom bij niet tijdig beslissen in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb pas vanaf het berekeningsjaar 2013 van toepassing zijn. Daarbij komt dat die bepalingen alleen van toepassing zijn op de definitieve vaststelling van een tegemoetkoming alsmede de besluiten op de bezwaren daartegen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat, los van de vraag of de desbetreffende brieven van [appellante] als ingebrekestellingen in de zin van artikel 4:17, derde lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt, de Belastingdienst/Toeslagen geen dwangsommen is verschuldigd.

Het beroep tegen het besluit van 27 april 2016

8. Bij besluit van 27 april 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 21 maart 2012, waarbij het voorschot huurtoeslag over 2012 is herzien en op nihil gesteld, ongegrond verklaard. Volgens de dienst heeft [appellante] over 2012 geen recht op huurtoeslag, omdat zij, zoals zij ook zelf heeft aangegeven, in dat jaar geen woning huurde. Voorts is bepaald dat [appellante] het gedeelte van het verleende voorschot dat is uitbetaald, te weten € 594,00, dient terug te betalen. Naar aanleiding van een betalingsherinnering is dat bedrag met € 15,00 verhoogd tot € 609,00.

9. Niet is in geschil dat [appellante] over 2012 geen recht op huurtoeslag heeft. [appellante] betwist de omvang van de verrekening van het voorschot huurtoeslag over 2012. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen staat tegen een verrekening geen bezwaar en beroep open. Hetgeen [appellante] betoogt ten aanzien van de verrekening kan daarom niet inhoudelijk worden behandeld. De Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellante] ter zitting, zowel in beroep als in hoger beroep, gewezen op de mogelijkheid zich tot het regiokantoor van de dienst te wenden om meer duidelijkheid te krijgen over de verrekeningen.

Conclusie

10. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd. Het beroep tegen het besluit van 27 april 2016 is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 27 april 2016 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Jansen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2017

609.