Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:405

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
201508514/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:6493, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 december 2013 heeft het college omgevingsvergunning verleend aan [appellante sub 1] voor het bouwen van een overkapping op het perceel [locatie] te Bavel.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/849
JOM 2017/237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508514/1/A1.

Datum uitspraak: 15 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 september 2015 in zaak nr. 14/4195 in het geding tussen:

[partij A] en [partij B], beiden wonend te Bavel, gemeente Alpen-Chaam

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2013 heeft het college omgevingsvergunning verleend aan [appellante sub 1] voor het bouwen van een overkapping op het perceel [locatie] te Bavel.

Bij besluit van 13 mei 2014 heeft het college het door [partijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 19 januari 2015 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld een gebrek in het besluit van 13 mei 2014 te herstellen.

Bij uitspraak van 25 september 2015 heeft de rechtbank het door [partijen] tegen het besluit van 13 mei 2014 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 2 december 2013 herroepen en bepaald dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt geweigerd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] en het college hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [partijen] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante sub 1] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2017, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. C.J. Visser, advocaat te Rotterdam en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.J.M. Roelands, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellante sub 1] exploiteert op het perceel een productiegerichte paardenhouderij, genaamd [naam]. Op het perceel worden springpaarden gefokt en getraind en daarnaast wordt pensionstalling aangeboden. De aanvraag voorziet in het realiseren van een bedrijfsgebouw, te weten een overkapping. [partijen] wonen op het perceel naast het perceel van [appellante sub 1] en zullen vanaf hun perceel zicht hebben op de aangevraagde overkapping.

Wettelijk kader

2. Artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) luidt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. […];

b. […];

c. […];

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend."

Bij besluit van 24 juni 2004 heeft de raad de Welstandsnota van de gemeente Alphen-Chaam (hierna: de welstandsnota) vastgesteld.

Op pagina 7 van deel II van de Welstandsnota staat dat het in bijzondere situaties, wanneer de gebiedsgerichte en de objectgerichte criteria (sneltoetscriteria) ontoereikend zijn, nodig kan zijn expliciet terug te grijpen op de algemene criteria. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving maar door bijzondere schoonheid wel aan redelijke eisen van welstand voldoet. De welstandscommissie kan het college in zo'n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren af te wijken van de gebiedsgerichte- en sneltoetscriteria. In de praktijk betekent dit dat het desbetreffende plan alleen op grond van de algemene criteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond.

Verder zijn in paragraaf 4.5 van de welstandsnota criteria voor bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant dan wel achterkant van een perceel opgenomen. Een bijgebouw of overkapping aan de achterkant is niet in strijd met de redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een bijgebouw of overkapping niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of bestaat gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. Sneltoetscriteria voor bijgebouwen en overkappingen aan de achterkant zijn:

- niet meer dan twee bijgebouwen en overkappingen op het gehele erf;

- oppervlakte maximaal 30 m2 tot in totaal 50 procent van het oorspronkelijk achter- of zijerf is bebouwd;

- plat afgedekt.

Aangevallen uitspraak

3. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 19 januari 2015 overwogen dat het college terecht aan het bij besluit van 13 mei 2014 gehandhaafde besluit van 2 december 2013 ten grondslag heeft gelegd dat de gebiedsgerichte criteria uit de welstandsnota niet in de weg staan aan het bouwplan van vergunninghouder, nu uit de welstandsnota blijkt dat bij overkappingen vanwege de ontoereikendheid, onbruikbaarheid of het niet van toepassing zijn van de gebiedsgerichte criteria de sneltoetscriteria van toepassing zijn in plaats van de gebiedsgerichte criteria. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met de sneltoetscriteria en dat [partijen] terecht hebben aangevoerd dat uit het besluit van 13 mei 2014 en het daarin opgenomen advies van de welstandscommissie niet blijkt waarom ondanks de strijd met die sneltoetscriteria niet is geconcludeerd dat sprake is van strijd met de redelijke eisen van welstand. Niet duidelijk is volgens de rechtbank waarom vervolgens aan de algemene criteria is getoetst met de conclusie dat het plan voldoet aan de redelijke eisen van welstand.

Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak het bouwplan opnieuw ter advisering voorgelegd aan de welstandscommissie. De welstandscommissie heeft in het nadere advies herhaald dat het bouwplan niet voldoet aan de sneltoetscriteria, maar dat wel wordt voldaan aan de algemene criteria uit de welstandsnota. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat de welstandsnota, anders dan de welstandscommissie kennelijk meent, geen ruimte laat om bij strijd met de sneltoetscriteria aan de algemene criteria te kunnen toetsen.

Redelijke eisen van welstand

4. Het college en [appellante sub 1] betogen dat de rechtbank ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) omdat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Het college en [appellante sub 1] voeren hiertoe aan dat het aangevraagde bouwwerk weliswaar in strijd is met de sneltoetscriteria, maar dat het bouwplan is getoetst aan de algemene criteria zoals opgenomen in de welstandsnota en de welstandscommissie tot de conclusie is gekomen dat het bouwplan aan deze criteria voldoet.

4.1. Vast staat dat het college in het besluit op bezwaar het bouwplan heeft getoetst aan de welstandsnota en dat aan de ongegrondverklaring van de bezwaren van [partijen] een positief advies van de welstandscommissie van 19 maart 2014 ten grondslag is gelegd. Voorts is niet in geschil tussen partijen dat het bouwplan niet voldoet aan de in de welstandsnota opgenomen sneltoetscriteria.

4.2. In het advies van 19 maart 2014 concludeert de welstandscommissie dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand op grond van de criteria in de welstandsnota. Daarbij is van belang geacht dat het gebouw is gelegen in een gebied met bebouwingstype: "G4-Buitengebied" en dat dit gebied welstandsniveau BASIS heeft. Dit betekent dat een basiskwaliteit wordt nagestreefd en niet gedetailleerd op de architectuur en vormgeving wordt ingegaan. Volgens het advies richten de gebiedsgerichte criteria zich uitsluitend op de hoofdbebouwing. Voor de overkapping wordt verwezen naar de sneltoetscriteria voor bijgebouwen en overkappingen, met uitzondering van de criteria voor hoogte en oppervlakte. De welstandscommissie stelt dat het bouwwerk niet voldoet aan de sneltoetscriteria voor bijgebouwen en overkappingen, omdat het bouwwerk niet plat is afgedekt en is uitgevoerd in golfplaten. Het bouwplan is vervolgens beoordeeld aan de hand van de algemene criteria in de welstandsnota, aangezien in de gebiedsgerichte criteria geen relevante criteria voor agrarische bedrijfsbebouwing zijn opgenomen. De welstandscommissie acht het bouwplan niet in strijd met de algemene criteria, omdat het longeergebouw qua massa en vorm past bij de overige bebouwing op het terrein, de uitstraling van de overkapping terughoudend is, functioneel, en passend bij de bestemming van het perceel. Naar aanleiding van de tussenuitspraak van de rechtbank heeft de welstandcommissie op 18 februari 2015 opnieuw een positief advies uitgebracht, waarbij de motivering dezelfde is gebleven.

4.3. De rechtbank heeft niet onderkend dat de sneltoetscriteria, zoals nader toegelicht door het college en blijkt uit de welstandsnota, alleen van toepassing zijn op kleine, veel voorkomende bouwwerken. De sneltoetscriteria zijn in de welstandsnota opgenomen om duidelijk te maken dat indien aan die criteria wordt voldaan een toets door de welstandscommissie niet is vereist. Strijd met de sneltoetscriteria behoeft derhalve, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet met zich te brengen dat reeds daarom het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Daarbij is van belang dat in de welstandsnota staat dat, indien een bouwplan niet voldoet aan de sneltoetscriteria voor een bijgebouw of overkapping, de aanvraag om omgevingsvergunning voor advies aan de welstandscommissie kan worden voorgelegd.

In dit geval heeft de welstandscommissie advies uitgebracht en heeft het omdat de gebiedsgerichte criteria geen relevante criteria bevatten, onder verwijzing naar de algemene criteria, een positief advies gegeven. Daarbij heeft de welstandscommissie van belang geacht dat het bouwplan wat betreft massa en vorm past bij de overige bebouwing op het perceel en gebruikelijk is voor het buitengebied. Daarnaast heeft de welstandscommissie van belang geacht dat de gekozen materialen en terughoudende kleuren veelvoorkomend zijn in het buitengebied en passen bij de reeds op het perceel aanwezige bebouwing. Weliswaar is door [partijen] het positieve welstandsadvies, onder verwijzing naar de sneltoetscriteria bestreden, maar zij hebben niet, bijvoorbeeld met verwijzing naar een deskundig tegenadvies, uiteengezet waarom de voormelde inhoudelijke toetsing aan de algemene criteria niet aan het besluit ten grondslag mocht worden gelegd door het college. Derhalve ziet de Afdeling in hetgeen zij hebben aangevoerd in beroep geen grond voor het oordeel dat het college onder verwijzing naar het advies van de welstandscommissie de door hen tegen de omgevingsvergunning gemaakte bezwaren niet ongegrond heeft mogen verklaren.

Het betoog slaagt.

Conclusie

5. De hoger beroepen zijn gegrond. De tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak dienen te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [partijen] tegen het besluit van 13 mei 2014 van het college alsnog ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7. Toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb brengt met zich dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier van de Raad van State aan [appellante sub 1] wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 januari 2015 en 25 september 2015 in zaak nr. 14/4195;

III. verklaart het door [partij A] en [partij B] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellante sub 1] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Vermeulen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2017

700.