Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:372

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
201602887/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 mei 2015 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het aanbrengen van straatwerk en het plaatsen van een hekwerk op het perceel [locatie] te Kerkdriel.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/848
JOM 2017/241
JOM 2017/266
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602887/1/A1.

Datum uitspraak: 15 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Kerkdriel, gemeente Maasdriel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 maart 2016 in zaak nr. 15/3745 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel.

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2015 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het aanbrengen van straatwerk en het plaatsen van een hekwerk op het perceel [locatie] te Kerkdriel (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 10 maart 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 mei 2015 vernietigd en de rechtsgevolgen in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid een schriftelijke uiteenzetting te geven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door P.H. Speé en ing. J. Snoeijs, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] exploiteert op het perceel een [bedrijf]. Achter zijn [bedrijf] heeft hij een erfverharding en een hekwerk aangebracht op gronden met de bestemming "Agrarisch gebied". Het straatwerk en het hekwerk staan ten dienste van het [bedrijf].

2. Bij besluit van 21 mei 2015 heeft het college geweigerd aan [appellant], naar aanleiding van zijn aanvraag van 6 november 2013, omgevingsvergunning te verlenen voor het aanbrengen van straatwerk en het plaatsen van een hekwerk. Volgens het college is de aanvraag in strijd met artikel 3.1 van de planvoorschriften, omdat de als "Agrarisch gebied" op de plankaart aangewezen gronden in de ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Buitengebied, binnendijks" en "Buitengebied, herziening 2009, reparatieplan" bestemd zijn voor agrarisch (bedrijfsmatig) grondgebruik en het straatwerk en het hekwerk ten dienste staan van het [bedrijf] op het perceel. Voorts staat in dat besluit dat het college niet voornemens is met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), in samenhang gelezen met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van die wet, omgevingsvergunning voor het straatwerk en het hekwerk te verlenen. Het college heeft hierbij in aanmerking genomen dat de aanvraag niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en op grond van de voorhanden zijnde gegevens onvoldoende basis bestaat voor afwijking van het bestemmingsplan op grond van voormelde artikelen.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 21 mei 2015 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. In deze uitspraak heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het college de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo ook had moeten aanmerken als een aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo. Verder heeft de rechtbank overwogen dat geen omgevingsvergunning van rechtswege voor het straatwerk en het hekwerk is ontstaan.

Omgevingsvergunning

3. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 21 mei 2015 in stand heeft gelaten. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan voor het straatwerk en het plaatsen van het hekwerk. Volgens hem heeft het college niet binnen de termijn die geldt voor de reguliere voorbereidingsprocedure een besluit genomen op zijn aanvraag om omgevingsvergunning van 6 november 2013. Op die aanvraag is volgens hem de reguliere procedure van toepassing, omdat die aanvraag primair ziet op de activiteit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:483, stelt hij zich op het standpunt dat de aanvraag valt binnen de reikwijdte van artikel 3.6.1 van de planvoorschriften en het voor het bepalen van de van toepassing zijnde voorbereidingsprocedure niet van belang is of ook wordt voldaan aan de voorwaarden in dat artikel.

3.1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

3.2. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dient het bestuursorgaan na ontvangst van een aanvraag om omgevingsvergunning tijdig te bezien welke procedure daarop ingevolge de Wabo van toepassing is. De beantwoording van de vraag of op een aanvraag om omgevingsvergunning de reguliere dan wel de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, is, gelet op artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo afhankelijk van de activiteit die is aangevraagd. De Wabo bepaalt daarmee exclusief welke procedure op een aanvraag van toepassing is. Het college heeft hierin derhalve geen keuze, maar dient de voorbereidingsprocedure toe te passen die uit de Wabo voortvloeit.

Uit de aanvraag om omgevingsvergunning van 6 november 2013 volgt dat omgevingsvergunning wordt gevraagd voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, omdat het straatwerk en het hekwerk zullen worden gebruikt ten behoeve van het [bedrijf]. De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat nu dat gebruik niet ten dienste staat van de agrarische bestemming, maar van de bedrijfsbestemming, de aanvraag in strijd is met artikel 3.1 van de planvoorschriften en daarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo nodig is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het bestemmingsplan geen afwijkingsmogelijkheden zijn opgenomen om het gebruik van het straatwerk en het hekwerk in afwijking van het bestemmingsplan te vergunnen, zodat geen omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wabo kan worden verleend. Voorts kan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van die wet, in samenhang gelezen met artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht voor het gebruik van het straatwerk en het hekwerk een omgevingsvergunning worden verleend. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat uitsluitend op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo een omgevingsvergunning kan worden verleend. Op de voorbereiding van een dergelijke omgevingsvergunning is ingevolge artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de Wabo de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. Dat het college niet binnen de termijn van de reguliere voorbereidingsprocedure heeft medegedeeld dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, maakt, anders dan [appellant] betoogt, niet dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is. Zoals hiervoor is overwogen bepaalt de Wabo immers exclusief welke procedure van toepassing is en heeft het college daarin geen keuze. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat nu op de aanvraag de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, geen vergunning van rechtswege voor het gebruik van het straatwerk en het hekwerk is ontstaan.

Dat het college, zoals de rechtbank in de uitspraak van 10 maart 2015 heeft overwogen, de aanvraag van 6 november 2013 wellicht ook had moeten opvatten als een aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo, doet niet af aan het feit dat ook terecht wegens het met het bestemmingsplan strijdig gebruik een omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo is aangevraagd en daarop, zoals hiervoor is overwogen, de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. In zoverre is ook niet relevant of de aanvraag valt binnen de reikwijdte van artikel 3.6.1 van de planvoorschriften. Voor het bepalen van de van toepassing zijnde voorbereidingsprocedure is bovendien ook niet van belang of het gebruik van het perceel ten behoeve van het [bedrijf] gelegaliseerd kan worden na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3.5.5 van de planvoorschriften, reeds omdat daarop de Wabo en paragraaf 4.1.3.3 van de Awb niet van toepassing zijn.

Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 maart 2016 in zaak nr. 15/3745, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van der Maesen de Sombreff

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2017

190-776.

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. (…),

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

(…)

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

(…)

Artikel 3.7

1. Deze paragraaf is van toepassing op de voorbereiding van besluiten, tenzij paragraaf 3.3 daarop van toepassing is.

(…)

Artikel 3.9

1. Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking:

a. doet het mededeling van die beschikking op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag, en

b. zendt het in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen de daarbij aangewezen bestuursorganen een afschrift van die beschikking.

2. Het bevoegd gezag kan de in het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Het maakt zijn besluit daartoe bekend binnen de eerstbedoelde termijn. Het doet daarvan tevens zo spoedig mogelijk mededeling op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag.

3. Paragraaf. 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is, met uitzondering van de artikelen 4:20b, derde lid, en 4:20f, van toepassing op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën gevallen worden aangewezen waarin de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag wegens strijd met een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie is uitgezonderd van de toepassing van de eerste volzin.

(…)

Artikel 3.10

1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:

a. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°.

(…)

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:20b

1. Indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, is de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven.

(…)