Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:365

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-02-2017
Datum publicatie
13-02-2017
Zaaknummer
201701170/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2017 heeft het centraal stembureau beslist over de geldigheid en nummering van de kandidatenlijsten, het handhaven van de kandidaten op, en de aanduidingen bovenaan, de kandidatenlijsten en de geldigheid van lijstencombinaties voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 15 maart 2017.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Verkiezingen 2017/336

Uitspraak

201701170/1/A2.

Datum uitspraak: 13 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

De Burger Beweging, gevestigd te Breda,

appellante,

en

de Kiesraad, handelend als centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (hierna: het centraal stembureau),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2017 heeft het centraal stembureau beslist over de geldigheid en nummering van de kandidatenlijsten, het handhaven van de kandidaten op, en de aanduidingen bovenaan, de kandidatenlijsten en de geldigheid van lijstencombinaties voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 15 maart 2017.

Tegen dit besluit heeft De Burger Beweging beroep ingesteld.

Het centraal stembureau heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2017, waar De Burger Beweging, vertegenwoordigd door mr. M.J.M. Cornielje en N.J. van der Burgt, bestuurslid onderscheidenlijk secretaris van die vereniging, en het centraal stembureau, vertegenwoordigd door mr. W.A.E. Brüheim, zijn verschenen. Van de zijde van De Burger Beweging was tevens aanwezig W.E. Bruining.

Overwegingen

Het bestreden besluit

1. Het beroep richt zich tegen het besluit van het centraal stembureau van 3 februari 2017, voor zover daarbij in alle kieskringen de kandidaten "Chorus, R.A.E.M. (Ricardo) (m)" en "Bruining, W.E. (Wernard) (m)" van de kandidatenlijst met daarboven de aanduiding "De Burger Beweging" zijn geschrapt op de grond dat van deze kandidaten een instemmingsverklaring ontbreekt.

2. Bij het onderzoek naar de kandidatenlijsten van De Burger Beweging op 31 januari 2017 heeft het centraal stembureau - onder meer - geconstateerd dat ten aanzien van de kandidaten Chorus en Bruining de verklaringen ontbreken dat zij instemmen met hun kandidaatstelling op de lijst. Omdat het verzuim op 3 februari 2017 ondanks de daartoe geboden gelegenheid niet was hersteld, heeft het centraal stembureau met toepassing van artikel I 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Kieswet die kandidaten van de kandidatenlijst geschrapt.

Het betoog in beroep

3. De Burger Beweging heeft ter zitting toegelicht dat zij op 30 januari 2017 een zeer grote hoeveelheid stukken heeft ingediend. Nadat die stukken op 31 januari 2017 waren gecontroleerd en daarbij verzuimen waren geconstateerd, heeft het centraal stembureau daarvan direct schriftelijk mededeling gedaan aan De Burger Beweging. In de verzuimbrief is vermeld dat bij zes kandidaten de verklaringen ontbreken dat zij instemmen met hun kandidaatstelling op de lijst. De Burger Beweging dacht dat het ging om het formulier model H 9 en heeft dit verzuim willen herstellen. Pas later, na het besluit van 3 februari 2017, bleek dat het bij de kandidaten Chorus en Bruining niet alleen ging om het ontbreken van een formulier, maar ook om het ontbreken van een kopie van een geldig identiteitsbewijs. Voor Chorus was een kopie van een verlopen identiteitsbewijs overgelegd en voor Bruining was helemaal geen kopie van een identiteitsbewijs overgelegd. De Burger Beweging geeft toe dat zij in de hectische periode rondom het aanleveren van de stukken fouten heeft gemaakt. Als het verzuim echter preciezer zou zijn omschreven in de verzuimbrief dan zou zij hebben geweten wat er ontbrak en dan zou zij gericht actie hebben kunnen ondernemen. Zij vindt het niet redelijk en billijk dat het ontbreken van een kopie van een geldig identiteitsbewijs haar zo zwaar wordt aangerekend nu zij daarop niet uitdrukkelijk is gewezen, aldus De Burger Beweging.

Het oordeel van de Afdeling

4. Uit artikel H 9, derde lid, van de Kieswet in samenhang gelezen met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 1˚, van de Wet op de identificatieplicht vloeit dwingend voort dat iedere kandidaat die geen zitting heeft in het vertegenwoordigend orgaan waarvoor de verkiezing wordt gehouden, een kopie van een geldig identiteitsbewijs moet overleggen en dat, indien die kopie ontbreekt, de instemmingsverklaring wordt geacht te ontbreken. In het eerste lid van artikel I 2 van de Kieswet worden de verzuimen opgesomd waarvan het centraal stembureau onverwijld bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs kennisgeeft aan degene die de lijst heeft ingeleverd indien bij het onderzoek van een kandidatenlijst voor een kieskring blijkt van een of meer van die verzuimen. Onder d is het verzuim vermeld dat voor een kandidaat ontbreekt de verklaring dat hij instemt met zijn kandidaatstelling op de lijst voor deze kieskring. Het centraal stembureau heeft ter zitting toegelicht dat hij bij de toepassing van deze bepaling afzonderlijk kennis geeft van een verzuim dat bestaat uit het niet overleggen van een kopie van een geldig legitimatiebewijs. De Afdeling stelt vast dat het centraal stembureau ten aanzien van andere kandidaten dit ook daadwerkelijk heeft gedaan. Het centraal stembureau heeft aangegeven dat dit ook had moeten gebeuren ten aanzien van Chorus en Bruining. De Afdeling volgt het centraal stembureau in diens opvatting dat hij tekort is geschoten door er bij de verzuimbrief niet op te wijzen dat voor de kandidaten Chorus en Bruining een kopie van een geldig identiteitsbewijs ontbrak. De Burger Beweging is dus ten onrechte niet uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen.

5. Ingevolge artikel I 8, eerste lid, van de Kieswet kan, indien beroep is ingesteld tegen een beschikking waarbij het centraal stembureau de naam van een kandidaat heeft geschrapt op grond van een of meer van de verzuimen, vermeld in artikel I 2, eerste lid, zonder dat het centraal stembureau tevoren overeenkomstig het in dat artikel bepaalde kennis heeft gegeven van het bestaan daarvan aan degene die de lijst heeft ingeleverd, deze het verzuim of de verzuimen alsnog herstellen bij de Raad van State. Artikel I 2, derde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Ter zitting heeft De Burger Beweging alsnog een kopie van een geldig identiteitsbewijs van Bruining overgelegd. Daarmee is het verzuim ten aanzien van Bruining hersteld en het centraal stembureau heeft ter zitting desgevraagd verklaard geen grond te zien tot schrapping van deze kandidaat. Ten aanzien van Chorus heeft De Burger Beweging ter zitting meegedeeld niet in het bezit te zijn van een kopie van een geldig identiteitsbewijs van deze kandidaat, nu hij niet op korte termijn een nieuw identiteitsbewijs kon verkrijgen. De Afdeling stelt daarom vast dat het verzuim ten aanzien van Chorus niet is hersteld.

Aanvullend verzoek tot schrapping van een andere kandidaat

6. Voor zover De Burger Beweging in beroep aanvullend heeft verzocht om de kandidaat "de heer E. Wolthuis" niet op de lijst te plaatsen, constateert de Afdeling dat deze kandidaat niet op de lijst staat. Ter zitting is gebleken dat het om een verschrijving gaat en dat "E. Holthuis" wordt bedoeld. Deze kandidaat staat op de lijst als "Holthuis, H. (Erik) (m)". Ten aanzien van deze kandidaat heeft het centraal stembureau geen verzuimen geconstateerd, zodat er geen grond was om deze kandidaat van de lijst te schrappen. Door De Burger Beweging wordt niet betwist dat de kandidaatstelling van Holthuis aan alle wettelijke vereisten voldeed. Dat De Burger Beweging deze kandidaat achteraf gezien liever niet op de lijst wil hebben, kan er niet toe leiden dat deze kandidaat thans wordt geschrapt. Het centraal stembureau heeft hiertoe geen wettelijke bevoegdheid en de Afdeling evenmin.

Conclusie

7. Gelet op het onder 5 overwogene is het beroep gegrond en dient het besluit van 3 februari 2017 te worden vernietigd voor zover daarbij in alle kieskringen Bruining van de kandidatenlijst is geschrapt. Dit betekent dat deze kandidaat op de kandidatenlijst in alle kieskringen wordt gehandhaafd.

8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van 3 februari 2017 van het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, voor zover daarbij in alle kieskringen de kandidaat "Bruining, W.E. (Wernard) (m)" van de kandidatenlijst met daarboven de aanduiding "De Burger Beweging" is geschrapt;

III. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;

IV. gelast dat het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal aan De Burger Beweging het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 333,00 (zegge: driehonderddrieëndertig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Slump w.g. Dallinga

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2017

18.