Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:364

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-02-2017
Datum publicatie
13-02-2017
Zaaknummer
201701122/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2017 heeft het centraal stembureau de kandidatenlijst van de Vrouwen Partij ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2017/117
AB 2017/117
Module Verkiezingen 2017/334

Uitspraak

201701122/1/A2.

Datum uitspraak: 13 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de Vrouwen Partij, gevestigd te Den Haag,

appellante,

en

de Kiesraad, handelend als centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (hierna: het centraal stembureau),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2017 heeft het centraal stembureau de kandidatenlijst van de Vrouwen Partij ongeldig verklaard.

Tegen dit besluit heeft de Vrouwen Partij beroep ingesteld.

Het centraal stembureau heeft een verweerschrift ingediend.

De Vrouwen Partij heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2017, waar de Vrouwen Partij, vertegenwoordigd door haar voorzitter M. Sparla, en het centraal stembureau, vertegenwoordigd door mr. W.A.E. Brüheim, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage en maakt deel uit van deze uitspraak.

2. Aan het besluit van 3 februari 2017 heeft het centraal stembureau ten grondslag gelegd dat bij de kandidatenlijst van de Vrouwen Partij het bewijs van betaling van de waarborgsom ontbreekt en niet voldoende geldige verklaringen van ondersteuning zijn ingeleverd.

3. De Vrouwen Partij betoogt dat de vereisten van het betalen van een waarborgsom en van het overleggen van schriftelijke verklaringen van ondersteuning het recht om gekozen te worden ten onrechte voor nieuwe partijen beperkt. Het centraal stembureau had artikel I 5, aanhef en onder b, in samenhang gelezen met artikel H 12, eerste en derde lid, van de Kieswet en artikel H 4, eerste lid, van de Kieswet buiten toepassing moeten laten, wegens strijd met het in artikel 25 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) neergelegde recht gekozen te worden, het in artikel 3 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) neergelegde recht op vrije verkiezingen en het in de artikelen 2 en 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM neergelegde discriminatieverbod. Voorts had het centraal stembureau de voornoemde artikelen van de Kieswet, met het buiten toepassing laten van artikel 120 van de Grondwet, in strijd moeten achten met de artikelen 1 en 4 van de Grondwet.

3.1. Het voldoen van de waarborgsom van € 11.250 bij het indienen van een kandidatenlijst is vereist op grond van artikel H12 van de Kieswet. Voor zover de Vrouwen Partij zich erop heeft beroepen dat deze bepaling in strijd is met de Grondwet, kan dit betoog niet slagen, nu artikel 120 van de Grondwet zich verzet tegen rechterlijke toetsing van wetten aan de Grondwet. Onder verwijzing naar de uitspraak van 24 april 2014 in zaak nr. 201403327/1/A2 (ECLI:NL:RVS:2014:1606) overweegt de Afdeling dat de partijen waaraan bij de laatstgehouden verkiezingen van de leden van de Tweede Kamer een of meer zetels zijn toegekend, bij deelname aan die verkiezingen toen zij in dat parlement nog geen zetels hadden, eveneens de in artikel H 12, eerste lid, van de Kieswet bedoelde waarborgsom hebben moeten voldoen. Ter zake van de verplichting tot het betalen van een waarborgsom worden gelijke gevallen derhalve gelijk behandeld. De Kieswet is daarom niet in strijd met het discriminatieverbod, neergelegd in de door de Vrouwen Partij genoemde verdragsbepalingen.

3.2. Artikel H 12 van de Kieswet houdt een beperking in van het passief kiesrecht. Gelet op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 28 maart 2006 in zaak nr. 13716/02, Sukhovetskyy tegen Oekraïne (www.echr.coe.int) moet worden beoordeeld of deze beperkingen objectieve en legitieme doelen dienen en proportioneel zijn.

3.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de hiervoor genoemde uitspraak van 24 april 2014, dient de beperking in de vorm van een verplichting tot het betalen van een waarborgsom, gelet op hetgeen daarover in de geschiedenis van de totstandkoming van de Kieswet (Kamerstukken II, 1987/88, 20 264, nr. 3, blz. 45 en 46) is vermeld, een objectief en legitiem doel.

3.4. Deze beperking van het passief kiesrecht is naar het oordeel van de Afdeling ook proportioneel. De waarborgsom vormt, gelet op de hoogte ervan in relatie tot de hoogte van het gemiddelde jaarinkomen in Nederland, geen wezenlijke belemmering voor een politieke groepering om deel te nemen aan de verkiezingen. Daarbij is van belang dat de waarborgsom niet per kandidaat is vereist. Derhalve wordt het passief kiesrecht in essentie niet aangetast.

Dat van de 28 politieke groeperingen die voor deze verkiezingen een geldige kandidatenlijst hebben ingeleverd een substantieel deel voor de eerste keer deelneemt aan de Tweede Kamerverkiezingen, illustreert dat het voldoen van een waarborgsom ook feitelijk geen wezenlijke belemmering voor nieuwe politieke groeperingen vormt om deel te nemen aan de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer.

Gelet op het vorenstaande is van een ontoelaatbare beperking van het passief kiesrecht geen sprake. Steun voor dit oordeel vindt de Afdeling in het arrest van het EHRM van 6 november 2012 in zaak nr. 30386/05, Ekoglasnost tegen Bulgarije. Het betoog met betrekking tot de waarborgsom faalt. Hetgeen de Vrouwen Partij heeft aangevoerd ten aanzien van het inleveren van verklaringen van ondersteuning, behoefte derhalve geen bespreking.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Slump w.g. Rijsdijk

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2017

705.

BIJLAGE - Wettelijk kader

Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten

Artikel 2

1. Iedere Staat die partij is bij dit Verdrag verbindt zich de in dit Verdrag erkende rechten te eerbiedigen en deze aan een ieder die binnen zijn grondgebied verblijft en aan zijn rechtsmacht is onderworpen te verzekeren, zonder onderscheid van welke aard ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, welstand, geboorte of enige andere omstandigheid.

(…)

Artikel 25

Elke burger heeft het recht en dient in de gelegenheid te worden gesteld, zonder dat het onderscheid als bedoeld in artikel 2 wordt gemaakt en zonder onredelijke beperkingen:

(…)

(b) te stemmen en gekozen te worden door middel van betrouwbare periodieke verkiezingen die gehouden worden krachtens algemeen en gelijkwaardig kiesrecht en bij geheime stemming, waardoor het vrijelijk tot uitdrukking brengen van de wil van de kiezers wordt verzekerd;

(…)

Artikel 26

Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 14

Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 3

De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich om met redelijke tussenpozen vrije, geheime verkiezingen te houden onder voorwaarden dat die de vrije meningsuiting van het volk bij het kiezen van de wetgevende macht waarborgen.

Grondwet

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Kieswet

Artikel H 12

1. Indien het betreft de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer, moet voor elke lijstengroep, elk niet van een groep deel uitmakend stel gelijkluidende lijsten en elke op zichzelf staande lijst een waarborgsom van € 11 250 dan wel, indien boven de kandidatenlijst de aanduiding is geplaatst van een groepering die blijkens de statuten haar zetel heeft in Bonaire, Sint Eustatius of Saba of, indien het een kandidatenlijst betreft waarboven geen aanduiding is geplaatst, indien de eerstgenoemde kandidaat ingezetene is van Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een waarborgsom van USD 11 250 worden betaald aan de Staat.

(…)

3. Degene die de in het eerste lid bedoelde betaling heeft verricht, ontvangt voor elke kieskring een bewijs daarvan. Bij de indiening van een lijst voor een of meer kieskringen moet een bewijs worden ingeleverd.

Artikel I 5

Voor een kieskring is ongeldig de lijst:

(…)

b. waarbij, indien ten behoeve van de lijst een waarborgsom moet worden betaald, niet gevoegd is het bewijs dat deze betaling is verricht;

(…)