Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:362

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-02-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
201605330/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:3663, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juli 2015, aangevuld op 9 maart 2016, heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605330/1/V1.

Datum uitspraak: 10 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juni 2016 in zaak nr. 15/13732 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2015, aangevuld op 9 maart 2016, heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 juni 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I. Wudka, advocaat te Maastricht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. De vreemdeling is een staatloze Palestijn uit Gaza. Hij heeft als gevolg van de algemene situatie aldaar incidenten meegemaakt, wat door de staatssecretaris op zichzelf aannemelijk wordt geacht. De vreemdeling heeft medische klachten van lichamelijke en psychische aard. Volgens zijn asielrelaas zijn deze veroorzaakt door Hamas in Gaza en houdt het door Hamas toegebrachte letsel verband met de positie van zijn vader (hierna: de vader), die door Hamas wegens zijn werkzaamheden werd verdacht van banden met de Fatah-beweging. De staatssecretaris acht geloofwaardig dat de vader als architect werkzaam is geweest, maar acht niet geloofwaardig dat deze werkzaam is geweest voor de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (hierna: de UNWRA). Evenmin acht de staatssecretaris geloofwaardig dat de vader een privéonderneming had waardoor hij dichtbij de Fatah-beweging stond. De door de vreemdeling gestelde ontvoering en seksuele mishandeling door Hamas op 20 oktober 2013 acht de staatssecretaris evenmin aannemelijk. Ook de door de vreemdeling gestelde detentie door de Binnenlandse Veiligheidsdienst en de bedreiging via de vader acht de staatssecretaris niet aannemelijk. Het geschil spitst zich toe op de betekenis van de medische rapportage die de vreemdeling heeft ingebracht voor de geloofwaardigheidsbeoordeling door de staatssecretaris.

Grieven 1 en 2

2. In de grieven 1 en 2 betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het door de vreemdeling in beroep ingebrachte rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (hierna: het iMMO-rapport) van 21 januari 2016 een sterke aanwijzing vormt in de zin van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 maart 2010, R.C. tegen Zweden, ECLI:CE:ECHR:2010:0309JUD004182707, en dat het daarom op de weg van de staatssecretaris had gelegen om nader onderzoek te doen of het bij de vreemdeling vastgestelde trauma is veroorzaakt door de gestelde mishandeling of marteling. Voorts heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris ten onrechte overwogen dat, nu in het conform paragraaf 187 van het Istanbul Protocol opgestelde iMMO-rapport wordt geconcludeerd dat de lichamelijke en psychische klachten goeddeels passen in het relaas van de vreemdeling, het op de weg van de staatssecretaris ligt om mogelijke twijfels over de oorzaak van de klachten weg te nemen en dat hij daartoe een deskundige moet inschakelen. Ook betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat de staatssecretaris de aanleiding voor de gestelde problemen ongeloofwaardig heeft bevonden hem niet van de plicht ontslaat om voormeld onderzoek te - doen - verrichten, nu het asielrelaas naar het oordeel van de rechtbank geen informatie bevat die de staatssecretaris reeds op voorhand, gelet op de uitgangspunten zoals neergelegd in paragraaf 50 en 52 van het arrest R.C. tegen Zweden, aanleiding kon geven aan de geloofwaardigheid daarvan te twijfelen en van belang is dat het relaas geen tegenstrijdigheden bevat en de vaagheden dan wel onduidelijkheden naar het oordeel van de rechtbank geen afbreuk doen aan de algehele geloofwaardigheid van het relaas.

Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank een aantal aspecten van de zaak niet heeft onderkend. In de eerste plaats heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris niet onderkend dat een tegenonderzoek door een deskundige achterwege kon blijven, omdat hij de kern van het asielrelaas, in het bijzonder de aanleiding voor de gestelde seksuele mishandeling en traumatische ervaringen van de vreemdeling, ongeloofwaardig heeft bevonden en de vreemdeling die aanleiding ook niet met de overgelegde documenten heeft gestaafd. Daarbij heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vaststelling door de rechtbank dat niet in geschil zou zijn dat het asielrelaas geen tegenstrijdigheden bevat en dat de vaagheden dan wel onduidelijkheden geen afbreuk doen aan de algehele geloofwaardigheid van het relaas, op een onjuiste lezing van het besluit van 15 juli 2015 berust.

Voorts heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris niet onderkend dat het iMMO-rapport op het punt van de relatie tussen de medische klachten en de gestelde seksuele mishandeling niet maatgevend is, omdat het iMMO-rapport uitgaat van de verklaringen van de vreemdeling waarin deze terugkomt van zijn eerdere verklaring dat hij in het land van herkomst, vóór de gestelde gebeurtenissen, reeds leed aan aambeien en daar ook voor is geopereerd, terwijl de vreemdeling voor deze verandering geen toereikende verklaring heeft gegeven. Ook doet aan de bevindingen van het iMMO-rapport dat de opvallend grote aambeien zeer consistent zijn met het gestelde seksuele geweld afbreuk dat de overgelegde handgeschreven brief van het Palestijnse Ministerie van Gezondheid van 24 oktober 2013 slechts een kopie is, van eenvoudige opmaak is en geen melding maakt van seksueel misbruik. Aldus heeft de vreemdeling zijn relaas niet met medische stukken gestaafd. Verder doet aan de bevindingen van het iMMO-rapport dat de littekens op de onderbenen van de vreemdeling zeer consistent zijn met diens relaas over de gewelddadige gebeurtenissen op 20 oktober 2013 niet alleen afbreuk dat voormelde brief van 24 oktober 2013 slechts een kopie is, maar ook dat in het iMMO-rapport zelf melding wordt gemaakt van het feit dat een dergelijk litteken op die plaats vaak wordt gezien na aanrijding door een auto.

Beoordeling grieven

2.1. De staatssecretaris heeft in de het besluit van 15 juli 2015 en het daarin ingelaste voornemen de verklaringen van de vreemdeling over de aanleiding van zijn seksuele mishandeling en traumatische ervaringen ongeloofwaardig geacht en zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen over de gebeurtenissen zelf, in het bijzonder de werkzaamheden van zijn vader, de ontvoering en de seksuele mishandeling op 20 oktober 2013, de detentie in januari 2015 en de bedreiging, inconsistent, summier, vaag en ongerijmd zijn. Zo heeft de vreemdeling, volgens de staatssecretaris, over het werk van de vader voor de UNWRA geen concrete verklaringen afgelegd en heeft hij aan zijn vader nooit gevraagd wat voor werk hij naast dat werk deed. Over de gestelde privéonderneming van de vader kan hij evenmin concreet verklaren, terwijl het zou gaan om een dagelijkse activiteit die zich over een periode van minstens tien jaren uitstrekte. De staatssecretaris heeft voorts, onder verwijzing naar het voornemen, bevreemdend geacht dat de vader, ondanks de incidenten waarvan de vreemdeling stelt het slachtoffer te zijn geweest, hem niets over zijn positie heeft verteld, terwijl de vreemdeling volgens zijn verklaring als zijn rechterhand moet worden beschouwd. In dit opzicht is ook bevreemdingwekkend dat de vreemdeling niet weet met wie zijn vader omging. Verder is het volgens de staatssecretaris opmerkelijk dat de vreemdeling, nu hij heeft verklaard dat hij sinds zijn vertrek uit Gaza contact met zijn vader heeft gehad, de laatste keer drie dagen voor het eerste gehoor, nog steeds niets over de positie van zijn vader kan vertellen. Dat deze dichtbij de Fatah-beweging zou staan, acht de staatssecretaris dan ook onaannemelijk. Voor het aannemen van een band tussen de vader en de Fatah-beweging is de enkele verklaring dat de vader vrienden had die aanhangers van Fatah waren onvoldoende, aldus de staatssecretaris.

Voorts heeft de staatssecretaris de verklaringen over de ontvoering en de seksuele mishandeling als wisselend, ongerijmd en vaag gekenschetst. Zo heeft de vreemdeling verklaard dat hij mogelijk door Hamas is ontvoerd en hem tijdens de ontvoering geen vragen over het werk van de vader zijn gesteld, terwijl de ontvoering zou zijn bedoeld als een soort waarschuwing voor de vader.

Ook heeft de staatssecretaris de verklaringen over de detentie en bedreiging als wisselend, ongerijmd en vaag bestempeld. Zo heeft de vreemdeling enerzijds verklaard dat hij door de Binnenlandse Veiligheidsdienst is gearresteerd en is meegenomen in een jeep van die dienst en dat hij weet hoe de jeeps van de Binnenlandse Veiligheidsdienst er uitzien en anderzijds dat hij niet weet in wat voor jeep hij is vervoerd. Voorts heeft de vreemdeling verklaard dat hij tijdens de detentie door de Binnenlandse Veiligheidsdienst is ondervraagd over zijn vader, terwijl deze door die dienst ongemoeid is gelaten. Voorts acht de staatssecretaris ongerijmd dat de bedreiging via de vader is geuit en op het leven van de vreemdeling was gericht, terwijl volgens de vreemdeling de functie van de vader voor Hamas het probleem was.

2.2. Volgens het iMMO-rapport zijn de vele littekens op de benen van de vreemdeling consistent met het gestelde ondergane geweld en zijn de opvallend grote aambeien en de afwijking op het rechterscheenbeen zeer consistent met het gestelde geweld als kern van het asielrelaas. Voorts is een - belangrijk - deel van zijn psychische klachten typerend voor de gestelde ervaringen en zijn de andere psychische klachten daarmee consistent.

2.3. Uit de uitspraken van 25 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3262 en ECLI:NL:RVS:2014:3271, volgt dat de staatssecretaris, als een vreemdeling ter staving van zijn asielrelaas een iMMO-rapport overlegt, gehouden is dat rapport uitdrukkelijk te relateren aan zijn standpunt over het deel van het asielrelaas dat die vreemdeling met dit rapport beoogt te staven. Daarbij moet de staatssecretaris zich concentreren op de kern van het asielrelaas, daaronder begrepen de reden van het vertrek, en de geloofwaardigheid van de gestelde aanleiding voor de gestelde mishandeling of marteling waarop dat iMMO-rapport betrekking heeft en in zijn standpunt, naast de algemene veiligheidssituatie in het desbetreffende land, betrekken of die vreemdeling dit deel van het asielrelaas overigens heeft gestaafd.

2.4. Naar aanleiding van het iMMO-rapport heeft de staatssecretaris het besluit van 15 juli 2015 aangevuld. In die aanvulling heeft de staatssecretaris het IMMO-rapport uitdrukkelijk gerelateerd aan zijn standpunt over de kern van het asielrelaas, te weten de verklaringen van de vreemdeling dat hij wegens de functie van de vader is opgepakt, mishandeld en anaal verkracht, is gedetineerd en bedreigd, door de aanleiding voor de gestelde problemen, te weten de werkzaamheden van de vader voor de UNWRA, ongeloofwaardig te achten. Ook heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de door de vreemdeling overgelegde stukken, voor zover relevant, dit deel van het asielrelaas niet staven, omdat de authenticiteit daarvan, behoudens wat betreft de hierna te vermelden oproep van de Palestijnse Nationale Autoriteit (hierna: de oproep), niet is vast te stellen wegens het gebrek aan referentiemateriaal. Voor zover de oproep authentiek is bevonden, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat uit de oproep, die ongedateerd is, weliswaar blijkt dat de vreemdeling zich op 5 juli 2015 moet melden op het politiebureau, maar dat daaruit niet blijkt wat de concrete reden daarvan is.

2.5. Met de hiervoor onder 2.1 weergegeven motivering over bevreemdingwekkende verklaringen van de vreemdeling die, naar de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd, een cruciaal onderdeel vormen van het asielrelaas, heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gestelde aanleiding voor de gestelde problemen ongeloofwaardig is. Voorts heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling er met de in beroep ingebrachte documenten niet in is geslaagd dit deel van het asielrelaas te staven.

Nu de staatssecretaris aldus de kern van het asielrelaas deugdelijk gemotiveerd ongeloofwaardig heeft geacht, heeft hij zich terecht op het standpunt gesteld dat het iMMO-rapport geen sterke aanwijzing vormt in de zin van het arrest R.C. tegen Zweden en heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris niet ten onrechte heeft afgezien van een nadere beoordeling van het verband tussen de medische en psychische klachten van de vreemdeling en zijn stellingen over de oorzaak daarvan. De staatssecretaris heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het iMMO-rapport niet noopte tot een andersluidend geloofwaardigheidsoordeel. Reeds hierom slagen de grieven 1 en 2.

3. Hetgeen de staatssecretaris als de overige grieven naar voren heeft gebracht, mist in het licht van het vorenstaande zelfstandige betekenis en behoeft derhalve geen bespreking.

Conclusie

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 15 juli 2015 toetsen in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

Beroep

5. De vreemdeling heeft, onder verwijzing naar de brief van het iMMO van 30 maart 2016, betoogd dat de staatssecretaris ten onrechte heeft afgezien van een nader onderzoek naar de vraag of de vreemdeling psychische klachten heeft die interfereren met zijn vermogen om over zijn asielmotieven compleet, coherent en consistent te verklaren.

5.1. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 15 juli 2015 op het standpunt gesteld dat hij tijdens het gehoor van de vreemdeling rekening heeft gehouden met de medische beperkingen die de Forensische Medische Maatschappij Utrecht (hierna: de FMMU) in het medisch advies horen en beslissen van 5 juli 2015 heeft geconstateerd.

5.2. Voorafgaand aan en met het oog op het horen en beslissen in de asielprocedure heeft de staatssecretaris de vreemdeling door de FMMU laten onderzoeken. De FMMU heeft in haar advies vermeld dat de volgende beperkingen relevant zijn voor het horen en beslissen: de vreemdeling heeft soms wat tijd nodig om gebeurtenissen te reproduceren. Het is mogelijk dat hij niet alle exacte data van gebeurtenissen kan reproduceren. Graag hem tijd en ruimte geven om zijn verhaal te vertellen en hem na elk uur vragen of een pauzemoment nodig is om de concentratie optimaal te houden, aldus de FMMU.

5.3. Volgens het rapport van het nader gehoor van 12 juli 2015 heeft de vreemdeling desgevraagd bevestigd dat er geen medische redenen zijn waarom het gehoor niet zou kunnen plaatsvinden. Ook heeft de staatssecretaris de vreemdeling er tijdens het nader gehoor op gewezen dat hij rekening zal houden met het feit dat de vreemdeling moeite heeft met het reproduceren van data en dat deze moet aangeven wanneer hij wil pauzeren. De staatssecretaris heeft tijdens het nader gehoor tweemaal een pauze ingelast. De staatssecretaris heeft de vreemdeling na afloop van het nader gehoor gevraagd of hij tevreden is over de manier waarop het gesprek is verlopen, welke vraag de vreemdeling bevestigend heeft beantwoord.

Aldus geeft het rapport van het nader gehoor er blijk van dat de staatssecretaris het FMMU-advies in acht heeft genomen en bij het horen rekening heeft gehouden met de beperkingen van de vreemdeling. Het iMMO-rapport strekt er ook niet toe dat de staatssecretaris de in het advies van de FMMU geconstateerde beperkingen niet in acht heeft genomen. Voorts blijkt uit het rapport van het gehoor niet dat de vreemdeling ten tijde van het gehoor onmiskenbaar niet in staat was zijn asielrelaas naar voren te brengen en vragen daarover te beantwoorden. Gelet op het vorenstaande heeft de staatssecretaris zijn standpunt over de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet ten onrechte op de door de vreemdeling tijdens het gehoor afgelegde verklaringen gebaseerd en heeft hij in zoverre niet ten onrechte geen nader onderzoek laten verrichten. De beroepsgrond faalt.

5.4. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juni 2016 in zaak nr. 15/13732;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Groeneweg

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2017

32.