Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:359

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-02-2017
Datum publicatie
22-02-2017
Zaaknummer
201609227/2/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2016 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een kapschuur en een paardenstal/berging aan de [locatie 1] te Haaksbergen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1035
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609227/2/A1.

Datum uitspraak: 13 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van onder meer:

het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 31 oktober 2016 in de zaken nrs. 16/2024 en 16/2032 in het geding tussen onder meer:

[wederpartij],

Stichting Natuur en Milieu Haaksbergen (hierna: de stichting)

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2016 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een kapschuur en een paardenstal/berging aan de [locatie 1] te Haaksbergen.

Bij besluit van 5 juli 2016 heeft het college de door onder meer [wederpartij] en de stichting daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 oktober 2016 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de door [wederpartij] en de stichting daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 5 juli 2016 vernietigd, het besluit van 22 maart 2016 herroepen, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft onder meer het college hoger beroep ingesteld.

het college heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 februari 2017, waar het college, vertegenwoordigd door mr. I.A.H. Horck-van Mast en G.E.M. Willemsen, en [belanghebbende], bijgestaan door mr. H.J.P. Robers, advocaat te Hengelo, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. [belanghebbende] exploiteert op het perceel [locatie 2] te Haaksbergen een stoeterij. In 2009 heeft hij het nabij gelegen perceel aan de [locatie 1] gekocht met het oog op de uitbreiding van zijn bedrijfsvoering. [belanghebbende] gebruikt dat perceel hoofdzakelijk voor de opfok en training van 8 hengstenveulens.

Bij het besluit van 22 maart 2016 heeft het college een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) verleend voor het bouwen van een kapschuur en een paardenstal/berging ter vervanging van twee bestaande gebouwen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het aangevraagde project in strijd met het ten tijde van belang geldende bestemmingsplan "Buitengebied" is, zodat het college ten onrechte slechts een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk heeft verleend en niet mede voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Volgens de rechtbank kan de gevraagde vergunning slechts met toepassing van artikel 2:12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo worden verleend. De strijdigheid met het bestemmingsplan is er volgens de rechtbank in gelegen dat de gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, waaronder wordt verstaan: een veehouderij, akkerbouw- of tuinbouwbedrijf, niet zijnde een champignonkwekerijbedrijf of een gebruiksgerichte paardenhouderij (manege). Het opfokken en africhten van paarden kan volgens de rechtbank niet worden aangemerkt als een veehouderij en daarom niet als een agrarisch bedrijf in de zin van het bestemmingsplan.

2.1. Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo luidt: "Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan […]:

[…]

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;"

3. Het college heeft de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat het in afwachting van de uitspraak op het hoger beroep geen nieuw besluit op de aanvraag hoeft te nemen.

Daartoe betoogt het college dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het opfokken van paarden niet valt onder het begrip "agrarisch bedrijf" als bedoeld in het bestemmingsplan "Buitengebied". Volgens het college is het oordeel van de rechtbank niet in overeenstemming met eerdere uitspraken van de Afdeling waarin is geoordeeld dat een stoeterij een agrarisch bedrijf is en volgt uit de toelichting bij het bestemmingsplan "Buitengebied" dat het opfokken van paarden onder de uitoefening van een agrarisch bedrijf valt. Verder wijst het college op het op 25 januari 2017 voor het perceel vastgestelde bestemmingsplan "Bestemmingsplan buitengebied Haaksbergen, partiële herziening [locatie 1]" waarin volgens het college is verduidelijkt dat het opfokken van paarden wordt aangemerkt als agrarisch bedrijf. Het college acht het onwenselijk om een nieuw besluit te nemen waarmee hetzelfde wordt gerealiseerd als met het nieuwe bestemmingsplan, waardoor er twee procedures door elkaar heen gaan lopen.

Ter zitting heeft het college toegelicht dat zijn voornaamste bezwaar tegen het nemen van een nieuw besluit is gelegen in het willen voorkomen van nog meer procedures. Het

college vreest dat tegen een nieuw besluit rechtsmiddelen zullen worden aangewend en opnieuw een procedure zal volgen, terwijl alle partijen meer belang hebben bij een uitspraak in hoogste instantie over de rechtmatigheid van de op 22 maart 2016 verleende vergunning. Verder heeft het college erop gewezen dat het op 25 januari 2017 vastgestelde bestemmingsplan nog niet in werking is getreden, zodat het geen nieuw besluit kan nemen op grond van dat bestemmingsplan.

3.1. Deze procedure leent zich niet voor beantwoording van de door het college opgeworpen rechtsvraag of het opfokken van paarden al dan niet is toegestaan op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied". Die vraag zal in de bodemprocedure beantwoord moeten worden. Hetgeen het college heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om op voorhand aan te nemen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven.

Uitgangspunt is dat rechterlijke uitspraken moeten worden uitgevoerd. Hetgeen het college heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding daar in dit geval anders over te oordelen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat het belang van een efficiënte en finale geschillenbeslechting niet in gevaar komt als gevolg van het nemen van een nieuw besluit ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, aangezien dat besluit met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht door de Afdeling kan worden meegenomen bij de beoordeling van het hoger beroep. Anders dan het college vreest, zal het nemen van een nieuw besluit dan ook niet leiden tot meer procedures. Het door het college gestelde belang van het willen voorkomen van nog meer procedures is juist gediend met het nemen van een nieuw besluit dat bij de beoordeling van het hoger beroep kan worden meegenomen.

Voor zover het college bij het nemen van dat besluit genoodzaakt is af te wijken van zijn eigen standpunt, kan dat nieuwe besluit worden genomen onder behoud van zijn standpunt in de bodemprocedure in hoger beroep. Het nemen van een nieuw besluit leidt er dan ook niet toe dat geen uitspraak zal worden gedaan over de rechtmatigheid van de op 22 maart 2016 verleende vergunning. Indien de bodemprocedure in hoger beroep daar aanleiding toe geeft, zal het nieuwe besluit worden vernietigd.

Anders dan het college veronderstelt, staat de omstandigheid dat het op 25 januari 2017 vastgestelde bestemmingsplan nog niet in werking is getreden, niet in de weg aan het nemen van een nieuw besluit ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank gaat namelijk uit van de geldigheid van het bestemmingsplan "Buitengebied" en overweegt dat de gevraagde vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2:12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo. Zolang het nieuwe bestemmingsplan niet in werking is getreden, kan het college die vergunning op grond van het nu nog geldende bestemmingsplan "Buitengebied" verlenen. Ten aanzien van het betoog dat daardoor twee besluiten naast elkaar komen te bestaan waarmee hetzelfde wordt gerealiseerd, overweegt de voorzieningenrechter dat het niet in het belang van een efficiënte en finale geschillenbeslechting is om te wachten met het nemen van een nieuw besluit tot het nieuwe bestemmingsplan in werking is getreden. Daarbij is van belang dat tegen dat bestemmingsplan nog rechtsmiddelen kunnen worden aangewend, waardoor onzeker is op welke termijn dat bestemmingsplan in werking zal treden.

4. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

w.g. Uylenburg w.g. Kors

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2017

687.