Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3588

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2017
Datum publicatie
27-12-2017
Zaaknummer
201606291/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:7966, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 maart 2015 heeft de minister de inschrijving van [appellant] in het register van artsen (hierna: het BIG-register) doorgehaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2018/54 met annotatie van A.C. Hendriks
GZR-Updates.nl 2018-0029
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606291/1/A2.

Datum uitspraak: 27 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats] (Verenigd Koninkrijk),

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 juli 2016 in zaak nr. 15/9283 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2015 heeft de minister de inschrijving van [appellant] in het register van artsen (hierna: het BIG-register) doorgehaald.

Bij besluit van 13 november 2015 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.R. Gans, advocaat te Groningen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. C.M. Molema en mr. C.D.J. van Estrik, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het geschil gaat over de doorhaling van de inschrijving als arts van [appellant] in het BIG-register door de minister naar aanleiding van een bevoegdheidsbeperkende maatregel die is opgelegd in het Verenigd Koninkrijk en die heeft geleid tot een definitieve doorhaling van [appellant] in het Britse medische register. Vervolgens heeft de minister deze tuchtrechtelijke maatregel overgenomen. In geschil is of de minister dat terecht heeft gedaan.

Wettelijk kader

2.    De relevante bepalingen uit de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: de Wet BIG) luiden als volgt:

    Artikel 3

"1  Er worden registers ingesteld, waarin degenen die aan de daarvoor bij en krachtens deze wet gestelde voorwaarden voldoen, op hun aanvrage worden ingeschreven, onderscheidenlijk als:

arts,

[…].

4  Elk register wordt ingesteld en beheerd door [de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport]."

    Artikel 7

"De inschrijving wordt doorgehaald:

[…]

e. indien zulks voortvloeit uit een maatregel, berustende op een in het buitenland gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing op grond waarvan de ingeschrevene zijn rechten ter zake van de uitoefening van het betrokken beroep in het land waar de beslissing is gegeven tijdelijk of blijvend geheel heeft verloren."

    Artikel 7a

"[De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport] kan […] artikel 7, onderdeel e, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze bepalingen beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard."

    Artikel 47

"1  Degene die in een der in het tweede lid vermelde hoedanigheden in een register ingeschreven staat, is onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van:

a. enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij in die hoedanigheid behoort te betrachten ten opzichte van:

    1°. degene, met betrekking tot wiens gezondheidstoestand hij     bijstand verleent of zijn bijstand is ingeroepen;

    2°. degene die, in nood verkerende, bijstand met betrekking tot zijn     gezondheidstoestand behoeft;

    3°. de naaste betrekkingen van de onder 1° en 2° bedoelde     personen;

b. enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg.

2  De in het eerste lid bedoelde hoedanigheden zijn die van:

arts,

[…]."

Feiten en omstandigheden

3.    [appellant] is als traumachirurg werkzaam geweest in Nederland, laatstelijk in het [Medisch Centrum].

    Tegen [appellant] is bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen (hierna: het RTC) een klacht ingediend. Naar aanleiding van deze klacht heeft het RTC bij beslissing 5 juni 2012 [appellant] de maatregel van een voorwaardelijke schorsing van zijn inschrijving in het BIG-register voor de duur van één jaar opgelegd, wegens - samengevat - grensoverschrijdend gedrag ten opzichte van een patiënte.

    Per 1 december 2012 heeft hij zijn werkzaamheden in Nederland beëindigd.

    Per 27 maart 2013 was [appellant] geregistreerd als arts in het register van beoefenaars van de geneeskunde van de General Medical Council (GMC) in het Verenigd Koninkrijk.

     [appellant] heeft tegen de beslissing van het RTC hoger beroep ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: het CTG). Het CTG heeft bij beslissing van 25 juni 2013 de beslissing van het RTC gedeeltelijk vernietigd en [appellant], in plaats van een voorwaardelijke schorsing, de maatregel van een onvoorwaardelijke schorsing van zijn inschrijving in het BIG-register voor de duur van één jaar opgelegd.

    Bij brief van 27 juni 2013 heeft de minister [appellant] medegedeeld dat de door het CTG opgelegde maatregel per 25 juni 2013 is aangetekend bij zijn inschrijving in het BIG-register en dat onder meer de GMC op de hoogte is gesteld van de aantekening.

    Op 6 september 2013 heeft [appellant] verzocht om te worden uitgeschreven uit het register van de GMC.

    Het Fitness to Practice Panel van de Medical Practitioners Tribunal Service (hierna: FPP)) heeft op 29 januari 2015 beslist dat de inschrijving in het register van de GMC dient te worden doorgehaald. Als gevolg hiervan mag hij het beroep van arts niet langer uitoefenen in het Verenigd Koninkrijk. Naast het door de RTC en CTG bewezen geachte grensoverschrijdende gedrag, heeft het FPP aan deze maatregel ten grondslag gelegd dat [appellant] bij zijn verzoek aan de GMC om registratie als arts van 14 januari 2013 geen opgave heeft gedaan van de opgelegde schorsing door het RTC, ofschoon op het inschrijvingsformulier dienaangaande wel vragen zijn gesteld en hij vervolgens de GMC heeft nagelaten te informeren over de beslissing van het CTG alsmede dat hij de duidelijke vragen van het formulier voor uitschrijving uit het register van de GMC niet ondubbelzinnig heeft beantwoord. Uit de bewezen geachte feiten komt naar het oordeel van het FPP een patroon van onprofessioneel gedrag naar voren. Verder acht het FPP [appellant]s houding ten aanzien van zijn gedragingen inadequaat. Aangezien hij dienaangaande geen blijk van zelfinzicht gegeven, bestaat een reëel risico op herhaling van dergelijk gedrag. Gelet hierop en op de belangen van bevordering van de kwaliteit van de beroepsuitoefening en de bescherming van de patiënt heeft het FPP besloten tot doorhaling van de inschrijving van [appellant] in het register van de GMC.

    Bij brief van 4 maart 2015 heeft de GMC aan de minister medegedeeld dat [appellant] geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de beslissing van het FPP en dat hij na ommekomst van de appeltermijn definitief is geschrapt uit het register van de GMC.

Standpunt van de minister en oordeel van de rechtbank

4.    Aan het besluit tot doorhaling van [appellant]s inschrijving in het BIG-register heeft de minister ten grondslag gelegd dat [appellant] zich heeft te houden aan de in het Verenigd Koninkrijk geldende regels inzake de beroepsuitoefening en aan de daar geldende tucht-, straf-, en bestuursrechtelijke normen, alsmede dat de beslissing van het FPP tot doorhaling van de inschrijving in het register van de GMC onherroepelijk is en dat als gevolg hiervan de bevoegdheid van [appellant] om zijn beroep als arts uit te oefenen in het Verenigd Koninkrijk blijvend geheel beperkt is. De minister stelt zich op het standpunt dat hij op grond van artikel 7, aanhef en onder e, van de Wet BIG verplicht is deze buitenlandse blijvende gehele bevoegdheidsbeperking over te nemen. [appellant] heeft volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat doorhaling van zijn inschrijving als arts leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard die dwingt tot toepassing van de hardheidsclausule die is voorzien in artikel 7a van de Wet BIG. Bovendien is in dit geval de buitenlandse bevoegdheidsbeperking opgelegd om een reden die verband houdt met de patiëntveiligheid in relatie tot de beroepsuitoefening als arts. Er bestaat derhalve geen aanleiding om van overname van de in het Verenigd Koninkrijk opgelegde maatregel af te zien, aldus de minister.

    De rechtbank heeft overwogen dat artikel 7 van de Wet BIG geen ruimte laat voor een inhoudelijke toetsing van de beslissing van het FPP. De minister diende de door het FPP opgelegde maatregel als een gegeven te beschouwen en over te nemen. Verder heeft de minister in redelijkheid kunnen weigeren toepassing te geven aan de hardheidsclausule, aldus de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.    Het betoog van [appellant] dat de rechtbank de feiten ten onrechte onvolledig heeft weergegeven faalt. Niet alle feiten behoefden in de uitspraak te worden weergegeven. Van belang is of de rechtbank in de aangevallen uitspraak op alle gronden die in beroep zijn aangevoerd is ingegaan. De rechtbank heeft dat gedaan.

6.    [appellant] betoogt dat hij niet op correcte wijze in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken over het voornemen om de inschrijving van [appellant] in het BIG-register door te halen. Hij verwijst hiervoor naar hetgeen hij in de bezwaarfase heeft gesteld. Tijdens de hoorzitting heeft hij aangevoerd dat zijn gemachtigde regelmatig per e-mail contact had met een medewerker van het CBIG, een agentschap van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het had voor de hand gelegen dat via het e-mailadres van de gemachtigde contact was opgenomen met [appellant], alvorens een definitief besluit te nemen. Ter zitting heeft [appellant] nog gesteld dat de minister uit de uitspraak van het FPP had kunnen afleiden dat [appellant] in Engeland woonachtig was. Als hem op de juiste wijze de gelegenheid zou zijn geboden zijn zienswijze bekend te maken zou hij daar zeker gebruik van hebben gemaakt, aldus [appellant].

6.1.    Bij brief van 23 februari 2015 is het voornemen per aangetekende brief verzonden aan het in het BIG-register vermelde correspondentieadres. De minister mocht er in beginsel van uitgaan dat dit correspondentieadres, dat [appellant] zelf heeft opgegeven, juist is. Zo de minister op grond van de stukken had moeten begrijpen dat dit adres onjuist was, of gelet op de contacten van de gemachtigde met een medewerker van het CBIG het voornemen aan de gemachtigde had moeten zenden of via de gemachtigde het adres van [appellant] in het Verenigd Koninkrijk had moeten achterhalen, dan is [appellant] door de toezending van het voornemen aan het opgegeven adres in Nederland niet benadeeld. In bezwaar heeft [appellant] alle punten die hij in zijn zienswijze had willen vermelden naar voren kunnen brengen. De minister heeft deze punten ook betrokken bij het besluit van 13 november 2015.

    Het betoog faalt.

7.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zonder meer de beslissing van het FPP had mogen overnemen. Hij voert aan dat de wettelijke regeling niet meebrengt dat de minister daartoe verplicht is, indien sprake is van schending van essentiële en elementaire Europeesrechtelijke beginselen. Bij de toepassing van artikel 7, aanhef en onder e, van de Wet BIG moet in zoverre een toetsing van de in het buitenland gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke maatregel plaatsvinden. Voor die inhoudelijke toetsing was alle aanleiding, omdat de beslissing van de GMC is gebaseerd op een schending van essentiële en elementaire Europeesrechtelijke beginselen en grondrechten. [appellant] brengt in dit verband naar voren dat de rechtbank de maatregel die het FPP heeft opgelegd ten onrechte niet heeft aangemerkt als een "criminal charge". Deze maatregel is in hoofdzaak opgelegd wegens feiten waarvoor ook in Nederland al een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. De rechtbank had daarom tot het oordeel moeten komen dat de minister had moeten afzien van overneming van de door het FPP opgelegde maatregel, door de naam van [appellant] in het BIG-register door te halen, omdat de in het Verenigd Koninkrijk opgelegde maatregel in strijd is met artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) opgenomen onschuldpresumptie en het "ne bis in idem"-beginsel. Om die reden en omdat [appellant] onevenredig wordt benadeeld door de maatregel heeft de minister ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 7a van de Wet BIG. [appellant] verzoekt de Afdeling in dit verband om prejudiciële vragen te stellen. Ten slotte voert [appellant] aan dat de door hem genoemde feiten en omstandigheden hadden moeten leiden tot het afzien van het overnemen van de in het Verenigd Koninkrijk opgelegde maatregel. In dit verband stelt hij dat de vier gevallen, waarvan de minister hem een overzicht heeft verstrekt, niet vergelijkbaar zijn met zijn geval.

7.1.    Over de toepassing van artikel 7, aanhef en onder e, en 7a van de Wet BIG in relatie tot de Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005, die nadien is gewijzigd bij Richtlijn 2013/55/EU van het Europees parlement en de Raad van 20 november 2013, betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (hierna: de Richtlijn) heeft de Afdeling in haar uitspraak van 15 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3818, overwogen dat de Richtlijn niet voorziet in een nadere invulling van de inhoud en de toepassing van nationale tuchtrechtelijke bepalingen op een migrerende beroepsbeoefenaar, maar dit aan de lidstaat van ontvangst heeft overgelaten. Hierin past niet dat de lidstaat van oorsprong gehouden is een onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van een tuchtrechtelijke maatregel zoals die in dit geval door de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk aan [appellant] is opgelegd. De Richtlijn verplicht er niet toe dat de autoriteiten van de lidstaat van oorsprong het tuchtrechtelijk onderzoek overdoen dat is verricht in de lidstaat van ontvangst. Dit betekent dat de minister zich in dit geval mocht beperken tot het onderzoek naar welke autoriteit in het Verenigd Koninkrijk de maatregel heeft opgelegd en of deze autoriteit daartoe bevoegd was. De Richtlijn verhindert evenmin dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van oorsprong op grond van het nationale recht gevolgen verbinden aan het onderzoek dat zij hebben verricht, bijvoorbeeld het overnemen van de opgelegde maatregel. De Richtlijn stond er derhalve niet aan in de weg dat de minister naar aanleiding van de uit het Verenigd Koninkrijk ontvangen informatie over [appellant] tot de conclusie is gekomen dat de aldaar opgelegde maatregel met toepassing van artikel 7, aanhef en onder e, van de Wet BIG moest worden overgenomen.

7.2.    In haar uitspraak van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3414, heeft de Afdeling overwogen dat de uitspraak van de GMC, die in dat geval leidde tot doorhaling in het BIG-register, niet ter toets voorlag, zodat aan de behandeling van de gronden van het hoger beroep, waarmee werd beoogd de onjuistheid van de uitspraak van de GMC aan te tonen, niet werd toegekomen. De Afdeling ziet geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat ook in dit geval niet kon worden toegekomen aan een inhoudelijke toets van de beslissing van het FPP. Voor zover [appellant] stelt dat die beslissing inhoudelijk onjuist is had hij dit in de procedure in het Verenigd Koninkrijk aan de orde moeten stellen. Dit uitgangspunt geldt ook voor zover [appellant] betoogt dat de beslissing in strijd is met de door hem genoemde rechtsbeginselen. Dat [appellant] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid de beslissing van het FPP in het Verenigd Koninkrijk in rechte aan te vechten, dient voor zijn rekening te komen. Voor de toepassing van de artikelen 7 en 7a van de Wet BIG mocht de minister de in het Verenigd Koninkrijk aan [appellant] opgelegde maatregel, inhoudend een doorhaling van zijn naam in het register van artsen, als een gegeven beschouwen.

7.3.    De minister heeft ter zitting gesteld dat hij als uitgangspunt neemt dat de buitenlandse maatregel in Nederland automatisch wordt overgenomen. Indien zou blijken dat de buitenlandse beslissing in strijd zou zijn met elementaire rechtsbeginselen, dan zou dat meewegen bij de toepassing van de hardheidsclausule. Uit dit standpunt van de minister leidt de Afdeling af, dat volgens de minister voor het overnemen van de in het Verenigd Koninkrijk opgelegde maatregel onder meer geen plaats zou zijn, indien, zoals [appellant] betoogt, die maatregel een schending zou inhouden van de door hem genoemde rechtsbeginselen en de automatische overname van die maatregel om die reden onbillijk zou zijn. Reeds omdat de door [appellant] bepleite toetsing aan elementaire rechtsbeginselen door de minister aldus niet is uitgesloten, ziet de Afdeling geen aanleiding om ter zake prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, nog daargelaten dat [appellant] niet heeft geconcretiseerd over de uitleg van welke Unierechtelijke bepalingen prejudiciële vragen zouden moeten worden gesteld.

7.4.    Gezien het in 7.3 vermelde standpunt van de minister is aan de orde of de door het Verenigd Koninkrijk opgelegde maatregel een dubbele bestraffing inhoudt voor hetzelfde feit als waarvoor in Nederland al een maatregel is opgelegd. Daartoe dient te worden nagegaan of de beslissing van het FPP moet worden gekwalificeerd als een "criminal charge". Indien daarvan geen sprake is, is bij de beslissing van het FPP een schending van de door [appellant] genoemde rechtsbeginselen reeds daarom niet aan de orde.

7.4.1.    Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in het arrest Engel en anderen tegen Nederland, van 8 juni 1976, ECLI:CE:ECHR:1976:1123JUD000510071, drie criteria geformuleerd voor de bepaling of sprake is van een "criminal charge". Deze criteria zijn samengevat in §50 van het arrest van het EHRM Öztürk tegen Duitsland, 21 februari 1984, ECLI:CE:ECHR:1984:1023JUD000854479. Ten eerste is van belang de classificatie van de sanctie naar nationaal recht, ten tweede de aard van de overtreding - mede bezien in relatie tot het doel van de sanctie - en ten derde de zwaarte van de maatregel.

    De classificatie naar nationaal recht, inhoudend dat sprake is van een strafrechtelijke sanctie, vormt een indicatie, maar is niet doorslaggevend. De laatste twee criteria zijn niet cumulatief: het voldoen aan één van deze criteria kan in bepaalde gevallen reeds leiden tot de conclusie dat van een "criminal charge" sprake is. Daarnaast is mogelijk dat het tweede en derde criterium in samenhang bezien een dergelijke conclusie kunnen rechtvaardigen.

7.4.2.    Er zijn geen aanwijzingen dat de maatregel op grond van de regelgeving in het Verenigd Koninkrijk als een strafmaatregel is geclassificeerd. Nu deze classificatie naar nationaal recht niet van doorslaggevend belang is, dient ook naar het tweede en het derde criterium te worden gekeken.

    Voor de aard van de in het Verenigd Koninkrijk opgelegde maatregel geldt het volgende. De door het FPP opgelegde maatregel is niet bedoeld om leed toe te voegen, maar is genomen in het belang van de patiëntveiligheid en de bevordering van de kwaliteit van de beroepsuitoefening. Daaraan heeft het FPP ten grondslag gelegd dat [appellant] een patroon van onprofessioneel gedrag heeft vertoond.

    Bij het beoordelen van de zwaarte van de maatregel is van belang of de maatregel zodanig zwaar is dat deze daardoor als punitief moet worden beschouwd. De zwaarte van de maatregel wordt beoordeeld aan de hand van objectieve maatstaven; hoe de betrokkene de maatregel subjectief ervaart is, hierbij in het algemeen niet van belang. Dat hij als gevolg van deze maatregel het beroep van arts niet kan uitoefenen, betekent niet dat reeds daarom sprake is van een bestraffing. [appellant] kon andere professionele activiteiten verrichten of andere bedrijfsmatige activiteiten ontplooien. In dit verband wijst de Afdeling op de arresten van het EHRM 1 februari 2007, Storbråten tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2007:0201DEC001227704, en Mjelde tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2007:0201DEC001114304, en van 11 december 2007, Haarvig tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2007:1211DEC001118705, alsmede op de uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2302, waar de mogelijkheid om andere professionele activiteiten te kunnen verrichten of andere bedrijfsmatige activiteiten te kunnen ontplooien, meegewogen werd bij de conclusie dat er geen grond was om de opgelegde maatregel alleen op basis van de zwaarte van de maatregel als een punitieve sanctie te kwalificeren. Overigens heeft de minister er nog op gewezen dat de in het Verenigd Koninkrijk opgelegde maatregel weliswaar een onbepaalde duur heeft, maar dat [appellant] na vijf jaar om herziening van deze maatregel kan verzoeken.

7.4.3.    Gezien het vorenstaande wijst een toetsing aan het eerste, het tweede en het derde criterium afzonderlijk niet in de richting van een punitieve sanctie. Ook indien het tweede en derde criterium in samenhang worden bezien, bestaat geen aanleiding om tot de conclusie te komen dat de doorhaling van de naam van [appellant] in het artsenregister van de GMC in dit geval als een "criminal charge" moet worden aangemerkt.

7.4.4.    Reeds omdat in het Verenigd Koninkrijk geen sprake was van een "criminal charge", is de onschuldpresumptie niet aan de orde. Evenmin is er grond voor het oordeel dat [appellant] in het Verenigd Koninkrijk voor de tweede maal een punitieve sanctie is opgelegd voor dezelfde feiten, waarvoor in Nederland aan hem een maatregel is opgelegd. Ook als [appellant] in zijn ter zitting gehouden betoog moet worden gevolgd dat het "ne bis in idem"-beginsel een ruimer toepassingsbereik heeft dan alleen bij het opleggen van een punitieve sanctie, is in dit geval dat beginsel niet geschonden. De maatregel in het Verenigd Koninkrijk is niet alleen vanwege de gedragingen in Nederland opgelegd, maar ook vanwege het in zijn verzoek om registratie in het Verenigd Koninkrijk niet vermelden van de in Nederland opgelegde maatregel, hoewel daar uitdrukkelijk naar is gevraagd, alsmede wegens een door het FPP geconstateerd gebrek aan zelfinzicht.

7.4.5.    In het vorenstaande kan derhalve geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat de minister, gelet op hetgeen in 7.3 is overwogen, gehouden was van de overneming van de in het Verenigd Koninkrijk opgelegde maatregel af te zien.

7.5.     De minister heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de door [appellant] genoemde feiten en omstandigheden evenmin hadden moeten leiden tot toepassing van artikel 7a van de Wet BIG.

7.5.1.    Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 7a van de Wet BIG (Kamerstukken II, 2009-2010, 32 261, nr. 3, blz. 9) blijkt dat deze bepaling in de wet is opgenomen om een voorziening te treffen voor de gevallen dat automatische overname van een in het buitenland opgelegde bevoegdheidsbeperking tot een zeer onbillijk resultaat leidt. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als het in het buitenland gepleegde vergrijp van een zodanige geringe ernst is dat dit in Nederland in het geheel niet tot een maatregel of een bevoegdheidsbeperking zou hebben geleid.

7.5.2.    De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit het aan [appellant] verstrekte overzicht van vier gevallen blijkt dat het achterhouden van informatie ook in Nederland zou leiden tot weigering van de inschrijving in het BIG-register of tot het ongedaan maken van die inschrijving met terugwerkende kracht. Die gevallen betroffen twee zorgverleners die ten onrechte niet hadden verklaard dat hen het recht was ontzegd het beroep van arts uit te oefenen, een arts die bij herregistratie ten onrechte had verklaard te voldoen aan het minimum aantal vereiste uren werkervaring en een zorgverlener die ten onrechte had verklaard een studie geneeskunde in Nederland te hebben gevolgd. Anders dan [appellant] aanvoert, betreffen dit vergelijkbare gevallen, aangezien daarin gevolgen zijn verbonden aan het niet verstrekken van relevante informatie.

    De stellingen van [appellant] dat hij, gelet op de correspondentie tussen de minister en de GMC, de GMC niet hoefde te informeren over de in Nederland opgelegde tuchtrechtelijke maatregelen door het RTC en het CTG, dat hij niet als arts in het Verenigd Koninkrijk heeft gewerkt en dat hij de vraag naar het arbeidsverleden bij zijn verzoek om uitschrijving in het register van de GMC heeft mogen opvatten als een verzoek om opgave van de werkzaamheden die hij in het Verenigd Koninkrijk had verricht, raken de uitleg van het tuchtrecht zoals dat geldt in het Verenigd Koninkrijk en de rechtmatigheid van de beslissing van het FPP. Zoals hiervoor onder 7.2 is overwogen, diende de minister zich van de uitleg van het Britse tuchtrecht te onthouden en de beslissing van het FPP als een gegeven te beschouwen.

    De minister heeft voorts terecht overwogen dat indien een zorgverlener informatie achterhoudt, de patiëntveiligheid in het geding is. Dit is een belang dat artikel 7, aanhef onder e, beoogt te beschermen. De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3816, overwogen dat de omstandigheid dat [appellant] als gevolg van de maatregel in Nederland nooit meer als traumachirurg kan werken en de omstandigheid dat hij in zijn andere werkzaamheden moeilijkheden ondervindt, geen rol kunnen spelen bij de toepassing van artikel 7a van de Wet BIG. In de genoemde uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de minister alleen toepassing kan geven aan deze bepaling als de patiëntveiligheid op geen enkele wijze in het geding is. Er bestaat geen aanleiding in dit geval anders te oordelen.

7.6.    Het betoog faalt.

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. Koster, griffier.

w.g. Borman

voorzitter    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2017

710.