Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:3575

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2017
Datum publicatie
27-12-2017
Zaaknummer
201700227/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2015 heeft het college geweigerd over te gaan tot invordering van dwangsombedragen die zouden zijn verbeurd door [appellant sub 1].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/2
JGROND 2018/74 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2018/74 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700227/1/A1.

Datum uitspraak: 27 december 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1], wonend te Huissen, gemeente Lingewaard,

2.    het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 december 2016 in zaak nr. 16/267 in het geding tussen:

[partijen], beiden wonend te Huissen, gemeente Lingewaard (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [partij])

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2015 heeft het college geweigerd over te gaan tot invordering van dwangsombedragen die zouden zijn verbeurd door [appellant sub 1].

Bij besluit van 1 december 2015 heeft het college het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 december 2016 heeft de rechtbank het door [partij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 1 december 2015 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en het college hoger beroep ingesteld.

[partij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2017, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. M.M. Breukers, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door H.P.T. Nas, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], in de persoon van [partij], bijgestaan door mr. J.J.H. Hulshof, advocaat te Arnhem, gehoord.

Overwegingen

1.    [appellant sub 1] is eigenaar en bewoner van het perceel [locatie] te Huissen (hierna: het perceel). [partij] woont op het naastgelegen perceel.

2.    Voor het perceel geldt het bestemmingsplan "Kom Huissen", vastgesteld door de raad van de gemeente Huissen bij besluit van 27 juni 2013 (hierna: het bestemmingsplan). In het bestemmingsplan is aan het perceel de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - parkeren op eigen terrein 2" toegekend.    

    Artikel 21.1, aanhef en onder w, van de planregels luidt:

"De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor parkeervoorzieningen, met dien verstande dat (…) ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - parkeren op eigen terrein 2' per woning 2 parkeerplaatsen op eigen terrein dienen te worden gerealiseerd."

3.    Bij besluit van 17 september 2013 heeft het college [appellant sub 1] op straffe van een dwangsom van € 500,00 per week met een maximum van € 5.000,00 gelast twee parkeervoorzieningen van minimaal 1,80 bij 5,00 m op het perceel aan te leggen en in stand te houden (hierna: de last). Niet in geschil is dat dit besluit in werking is getreden op 11 maart 2015 en op dezelfde dag onherroepelijk is geworden.

4.    [partij] heeft het college bij brief van 15 mei 2015 verzocht de dwangsombedragen, die volgens hem zijn verbeurd, in te vorderen.

5.    Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 26 juni 2015 heeft het college geweigerd over te gaan tot invordering, omdat [appellant sub 1] volgens het college tijdig aan de last heeft voldaan.

6.    De rechtbank heeft het beroep van [partij] gegrond verklaard omdat volgens de rechtbank niet aan de last is voldaan.

7.    [appellant sub 1] en het college betogen dat de rechtbank heeft miskend dat [appellant sub 1] tijdig aan de last heeft voldaan door het straatwerk op het perceel aan te passen en een deel van het perceel te egaliseren. Hiermee zijn volgens [appellant sub 1] en het college twee parkeerplaatsen van elk 1,80 bij 5,00 m gerealiseerd op het perceelsgedeelte tussen de openbare weg en de garage. Volgens hen is het feitelijk mogelijk om een auto op elk van de beide parkeervlakken te stallen. In dit geval zijn daarom geen dwangsombedragen verbeurd, aldus [appellant sub 1] en het college.

8.    Zoals hiervoor, onder 3, is overwogen is de aan [appellant sub 1] opgelegde last onherroepelijk, zodat de rechtmatigheid van die last daarmee is gegeven. Dat betekent dat de last in deze procedure als uitgangspunt heeft te gelden en dat slechts ter beoordeling staat of [appellant sub 1] hieraan tijdig heeft voldaan. Bij niet nakomen van de last staat de bevoegdheid van het college om tot invordering over te gaan vast.

8.1.    De last bevat de verplichting om twee parkeervoorzieningen van minimaal 1,80 bij 5,00 m op het perceel aan te leggen en in stand te houden. Zoals de rechtbank heeft vastgesteld en tussen partijen niet in geschil is, heeft [appellant sub 1] op het perceel, door het aanpassen van de bestrating en door het egaliseren van een deel van het perceel, twee parkeervlakken met elk een afmeting van 1,80 bij 5,00 m gerealiseerd.

    Afgezien van de omschrijving van de minimale afmetingen is in de last niet nader geconcretiseerd wat onder een parkeervoorziening moet worden verstaan. Evenmin is in de last voor de uitleg van deze term verwezen naar andere documenten, zoals het bestemmingsplan, daargelaten dat ook het bestemmingsplan geen definitie bevat van de termen 'parkeervoorziening' of 'parkeerplaats'. Gelet hierop heeft de rechtbank in dit geval terecht, in aansluiting op het standpunt van het college dat de ruimtelijke context in een situatie als deze doorslaggevend is, geoordeeld dat een parkeervoorziening als bedoeld in de last een plek is die wat de ligging en in praktisch opzicht betreft geschikt is om daarop een auto, komend vanaf de rijbaan, te parkeren.

8.2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat een van de door [appellant sub 1] gerealiseerde parkeervlakken niet kan worden aangemerkt als een parkeervoorziening in bovenbedoelde zin. Hierbij heeft de rechtbank van belang geacht dat het desbetreffende vlak dwars over de oprit ligt, evenwijdig aan de openbare weg. Naar het oordeel van de rechtbank is dit vlak, mede gelet op de aanwezigheid van een erfafscheiding op de perceelsgrens, niet op een normale wijze toegankelijk.

8.3.    De Afdeling volgt de aangevallen uitspraak op dit punt niet. Beoordeeld dient te worden of het desbetreffende parkeervlak daadwerkelijk kan worden gebruikt voor het parkeren van een auto, komend vanaf de rijbaan. Dit is het geval. Parkeren kan op dit parkeervlak weliswaar slechts plaatsvinden door middel van zogenoemd fileparkeren waarbij rekening moet worden gehouden met de beplanting op de erfgrens, maar dit leidt niet zonder meer tot het oordeel dat het bewuste parkeervlak niet als parkeervoorziening als bedoeld in de last kan worden aangemerkt. Daarbij is, zoals het college naar voren heeft gebracht, van belang dat het in dit geval, gelet op de situatie ter plaatse, mogelijk is om vanaf de rijbaan een goede uitgangspositie voor het fileparkeren te kiezen en is van belang dat fileparkeren een verrichting betreft die bij het rijexamen moet worden beheerst.

8.4.    Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het desbetreffende parkeervlak niet kan worden aangemerkt als een parkeervoorziening en dat in dit geval niet aan de last is voldaan. Het betoog van [appellant sub 1] en het college slaagt.

9.    De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [partij] bij de rechtbank tegen het besluit op bezwaar van 1 december 2015 ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

11.     De Afdeling zal met toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat het in hoger beroep door [appellant sub 1] betaalde griffierecht door de griffier van de Raad van State wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de hoger beroepen van [appellant sub 1] en het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 december 2016 in zaak nr. 16/267;

III.    verklaart het door [partijen] bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard van 1 december 2015 ongegrond;

IV.    verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Breunese-van Goor

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2017

208.